Margriet prachtige bloem (deel 2) En dan naar Marche-en-Famenne

“Geen harmonie als het klikken zonder botsen is”

Geen vrede zonder een heel klein beetje oorlog, zingt Meuris al eeuwen. Met Georges en Walter moet Peetjens oogappel Margriet Van Renterghem één van de weinigen geweest zijn die nog van het bestaan van Hilda von Siegesar afwist na de oorlog. Hilda, de onechte dochter van Harald, die uiteindelijk ook zijn erfenis kon claimen, zijn geestelijk erfgoed zowel als zijn centjes. Margriet had nog de wieg geduwd van Arsène Van Damme en heel zeker die van Hilda von Siegesar. Als tiener kon deze jonge madam al eens een knipoog of een centje bijverdienen door eens op de kinderen van buren in de Weststraat te letten. Als jong kind had ze geen idee van de dorpsintrige die schuilging achter de onschuld van een baby in de wieg. Later zouden verhalen mythes en sagen worden en kreeg Margriet als volwassen vrouw lucht van wie Hilda werkelijk was. Dat kind dat toen niet de naam von Siegesar droeg, maar wel de voornaam Hilda. Dat kind ontmoette Margriet op een zomerse dag ergens tijdens de jaren zeventig in Marche-en-Famenne waar houtzagerij Cornelis bossen kocht en waarmee ze als stammoeder en boekhoudster dus rechtstreeks in contact kwam.

Poolse edelman

In een dorpje vlakbij Marche, Heure, had een familie een pied-à-terre om zaken te kunnen doen met de lokale boshandelaars. Monsieur Liégeois regelde er de zaken en regelmatig ter plaatse gaan, bevorderde welvaart en vooruitgang. Het China van toen lag in de Ardennen voor de Vlaamse zakenvrouw. In Marche-en-Famenne was een vrouw het dialect van de familie opgevallen. En in een intiem gesprek tussen nonkels en tantes viel het woord Weststroade waarop Hilda als wildvreemde voorbijganger had ingepikt. Het leidde tot een gesprek over Sleidinge en haar verleden. Over Harald von Siegesar. Over het huis met de toren. En nu wil toeval dat Hilda von Siegesar al enkele jaren getrouwd was met een Poolse edelman en woonde in Rue de Givet in Heure. Recht tegenover de pied-à-terre van de familie Cornelis-Van Renterghem, tussen de dorpjes Netinne en Baillonville. Toeval bestaat niet. Of toch? In ieder geval volgden regelmatig ontmoetingen tussen Margriet en Hilda. Het moeizame opzoekingswerk van Walter Verplaetse om meer over de Von Siegesars te weten, werd daar tijdens gezellige salonontmoetingen teniet gedaan. Margriet Van Renterghem wist alles. Maar niemand zou ooit inzage krijgen in deze geheimen. In Hilda’s zwerftocht door Europa en haar getormenteerde ziel, gekwetst door een oorlog die ze niet meemaakte en een andere oorlog die ze aan den lijve moest ondervinden. En quasi alle andere conflicten die sinds Churchill ons continent teisterden. Want als Hilda reisde, vond ze geweld op haar pad. En Margriet Van Renterghem nam als luisteraar van sterke verhalen dit allemaal mee in het graf.

Nadenken over zwarte zondaars

“Boogschutter die draken doorklieft”

Ik vond het raar, laatst, om bij een begrafenis van mijn vriendin haar mama niet zomaar de kerk binnen te mogen komen en de mannenvleugel rechts op te zoeken, waar ik altijd mijn bidplekje vind. Gelukkig waren de glasramen met verhalen er nog en Sint-Joris, die ridder die draken doorklieft en bij me blijft tot op de Olymposberg daar in het Noorden van Griekenland. Sinner’s Day aan de vooravond van 1 november komt er aan. En The Arch zal er spelen. Zelf verfoei ik het Halloween-idee want 1 november is voor mij een Heilige Dag, Allerheiligen.

Vader

Ik bezoek mijn vader, die ster in de hemel. Mijn pépé, bomma, mémé en die grootvader die ik nooit kende. Nonkels, één tante want al die anderen leven nog en moeten eeuwig bij me blijven, samen met mijn mama. Maar voor New Wave maak ik een uitzondering. Ik snap het wel, die sacrale ode aan de dood en donker denken. New Order. Revolting Cocks. Ian Curtis. Echo & The Bunnymen. The Sound. Front 242. Sisters. The Cult. The Mission. Wayne Hussey. Jawel, The Arch. Namen op mijn pennenzak. Waarvan die laatste een zanger was, uit mijn klas, in Brussel. Ysabie en ik liepen Centraal Station uit richting onze nieuwe school, het Rits. Op de metro tot in Studio Sonart liep voor ons een punker. Dat was hij. Gerd Van Geel. Onze klasgenoot en stem van The Arch. Toen al. 16 jaar en een platencontract. Faut le faire. 36 jaar ouder en ik maak nog steeds mijn platen zelf. Of niet. Maar het kwam er dus van. Vonk en Reu vroegen me om mee te gaan naar The Arch. Natuurlijk wel. Ribdancer zat nog wel ergens in een ver geheugen. En veel van wat Gerd me ooit vertelde, bleef ook in mijn hersenen dwalen. Vooral dat van Wayne Hussey die op zijn kot bleef slapen. En zijn ongedwongen visie op beeld en geluid.

Hemzelve

OK, daar staan we dan. In Sint-Niklaas, in De Casino, waar ik ooit zelf nog op het podium mocht staan, voorafgaand aan God, Stijn Meuris, Hemzelve. Met Vonk en Reu, twee schone maten uit mijn ver verleden. Maar liefde blijft. Ik luisterde, ik zag. Ik was verblind door Nel Mertens. Natuurlijk wel, de vrouw is een spiegel. Maar Gerd op dat podium. Dat was een andere sidder. Doorleefd, toch? Ja! Ongelofelijk. Eerlijk. Veel registers. En een knuffel om de prachtige avond af te sluiten. Hij was blij dat ik er was. Vonk vertelde me dat hij me een beetje vergeten was. Wat zou het? Natuurlijk! Ik heb die avond te veel gebabbeld. Tegen hem, tegen Ivan (de gitarist). Mijn fascinatie voor Luc De Vos. Misschien had ik daar beter over gezwegen. Soms kan ik mijn dwaze muil niet houden, moet het misschien te veel over mezelve gaan. Maar ik ben gelukkig als een kind naar huis gereden, langs de Expresweg. Met Vonk en Reu. En ik heb nog dagen geluisterd, op de CD-speler van mijn auto. Naar die plaat van The Arch, net uitgebracht voor of tijdens corona. Zoals Woesten dat heeft moeten doen. Heb ik het al over Gerds registers gehad? Die plaat. Hele schuiven registers en emoties zitten daar in.

Iets met kloten

In zijn stem. Ik beheers als kleine zanger uit ‘t Meetjesland nauwelijks 1 register. Gerd trekt elk blik registers en emoties open wanneer en waar hij dat wil. Ik wil maar zeggen. 16 jaar, de platenfirma’s hadden het reeds (‘al’ klinkt niet plechtig genoeg) gehoord. Jawel, The Arch is internationale klasse. Een band die er staat. En neen, het slijm loopt niet langsheen mijn grote muil. Ook niet langsheen mijn kloten of Brusselmansiaanse flamoes. Maar waren The Arch geen Belgen slash Vlamingen uit het Duvelse Breendonk geweest, dan waren Werchter en Pukkelpop regelmatige klanten. Net als Glastonbury. Gelukkig is er dus Sinner’s Day. Ik was er al, met Bollock Brothers, ‘muurbloempje’ Anne Clark en Front 242 in Hasselt, maar dit jaar zal ik niet komen. Casinoir, die zwarte nacht in De Casino van Sint-Niklaas met Vonk, Reu, Nel, Gerd en Ivan, dat is een cadeau voor het leven. Dat pakken ze Van Damme niet meer af. Dat krijgt een plekje in de hemel mijner herinneringen. Babbelaar, grote muil of bedeesde sukkel. So be it!

Margriet prachtige bloem (deel 1) van Calcutta naar New York

Margriet, dochter van peetjen uit de States

Peetjen Van Renterghem vertelt. “Jij hebt een muil om kak op te sorteren.” Ze keken weeral in mijn richting. Omdat ik als enige op de wereld Miele ben blijven geloven. Ik ken Miele. Dat is geen moordenaar. En dat komt nu uit! Er is Godverdomme alweer een oorlog moeten overgaan. Maar zo dachten ze er in mijn dorp Sleidinge niet over, in 1925. Iedereen geloofde dat Miele haar vermoord had, dat poppemieke die de kop van al die jonge gasten zot maakte. Juist getrouwd was ze, Zulma. Maar in de fabriek zag het er anders uit. Tussen de vier muren van een weverij. Wat wil je? 21 jaar en in de jaren van hoop na de oorlog, een andere tijd dan de miserie die wij moesten trotseren in het jaar nul. Allez, ik ga dat kind nu niet afbreken en ik versta dat een gezonde vent zot is van parmantig vooruitstekende borstjes die door het bloesje prikken. En van een uitdagende lach waar je dagen later nog over fantaseert in de vroege morgen. Ik versta dat heel goed. Iedereen in onze fabriek Calcutta was zot van dat wijf. En ze draaide elke vent rond haar vinger. Ik vond dat ook een schoon wijveken, die Zulma, al was ze zo oud als mijn dochters. Ik keek ook eens naar haar gat. Waarom daarover liegen?

Nog voor de bisnummers mag je me bijten
Mijn vriendin staat erbij maar ze zal niet kijken
Ik zie het licht in jouw triestige ogen
Kan ik je troosten? Ik wil niets beloven
Want niemand danst, niemand danst, niemand danst met twee

Verklaar je me zalig voor de eerste kus?
Dan loop ik weg voor je mijn lippen lust
Je speelt met gevoelens en dat is niet fijn
Weet je nog hoe wij mannen zijn?

Knop omgedraaid

Maar Miele? Neen, die was altijd met zijn werk bezig. Die zag zulke dingen niet en had zijn knop al lang omgedraaid toen hij omtrent de leeftijd van dat textieldelletje had, vele jaren daarvoor. Miele zat bij Baas Dobbelaere in de zak. Die ging zijn domme smoel niet meer open trekken. Of stoten riskeren. Goudeerlijk was Miele. Een jong meisje vermoorden? Echt niet. En ik geloofde dat een jaar lang, toen hij in de bak zat. En met mijn franke toot kon ik daar niet over zwijgen. Ik ga niet veel op café. Nu ook niet. Ik heb nochtans tijd. Toch, ik blijf daar weg. Maar hoe ging dat in die dagen? Je kwam dan toch eens aan de toog de één of de ander tegen. En dan zei ik het recht af: “Miele? Vanzeleven niet.” En dan keken ze in mijn richting. “Bol het maar weer af, Van Renterghem, ge zijt het gewoon.” En soms kon ik me dan weer eens niet houden, zoals 25 jaar daarvoor. Altijd een beetje opvliegend geweest. Gelijk mijn vader, zeker? En dan gaf ik er één een koek op zijn oog. Om dan snel weer een paar weken uit het zicht te blijven op Sleidinge. Alleen bij de pompiers, daar lieten ze mij gerust. Daar vertrouwden ze mij en zagen ze mij graag. Dat was mijn eiland. En in de fabriek moesten ze ook schone zwijgen, ik wist te veel. Over iedereen… Dacht ik.

Ruiten ingeklopt, einde oorlog

Nu, na twee oorlogen, heb ik minder last van dorpse vooroordelen. Iedereen respecteert mij. Mijn dochters hebben het ver geschopt, zakenvrouwen en goed getrouwd, en mijn zoons zijn harde werkers. Binst den oorlog heb ik niemand een strobreed in de weg gelegd. Integendeel. Ik heb mensen geholpen en ik heb er mijzelf nooit mee op de borst geklopt. Niet gelijk die sossen in dat café op de Motte. Maar wie het moet weten, weet het wel. Dat ik dat gedaan heb. Wat ik niet gedaan heb: mensen hun ruiten ingeklopt en gevels beschilderd na de oorlog. En meisjes hun haar afgesneden of bespuwd. Er zijn er hier zelfs verkracht in ons Heilig Dorp. Veel van die slachtoffers hadden nul komma nul met de zwarten te maken! Smeerlappen. Dat is hier wreed geweest op Sleidinge. Ge moogt dat gerust opschrijven. Dat ik dat gezegd heb.

“Zwijg toch ne keer, Pa!”

Maar van heel dat affaire zijn wij gelukkig met onze familie bespaard gebleven, dat spel van die ‘zwarte’ en die ‘witte’. Ik was niet voor ‘den Duits’, maar ik wou ook geen kloterijen en blinde wraak toen die vervloekte oorlog achter de rug was. Geen lafaardstreken. En ik wist ondertussen al 45 jaar wat massabijeenkomsten en volksfurie allemaal teweeg brengen. Genoeg is genoeg. Elk zijn kot. Elk zijn gezin. Rust laten waar rust is. Zeker als het over de oorlog gaat. Maar in de jaren voor de tweede oorlog, en zeker tijdens de jaren twintig, werd ik dus wel nog altijd met een scheef oog bekeken in het dorp. En al helemaal toen ik Miele zijn kant koos. Ik was de enige. De roeper in de woestijn. Mijn Leonie kon daar kwaad voor zijn. “Moar zwijg toch ne keer, pa!” Ze wou niet dat de kinderen dat hoorden. Daar kon ze zich daar vreselijk in opwinden. Nochtans, anders hadden wij echt nooit ruzie. Leonie is mijn alles. En mijn dochters natuurlijk. Maar als ik gelijk heb, heb ik gelijk. Dan kan ik moeilijk zwijgen. Toen niet en nu niet. Ik ben een koppige ezel. Gelijk mijn vader, zeker? Leonie wachtte dan maar, tot het overwaaide. Ze doet dat nog altijd zo. Twee koppige ezels samen.

Amerika!

En dus keken ze in 1925 in Sleidinge weer in mijn richting. Ik was het al eens op een lopen moeten zetten in ’t dorp. Dat heeft mij tot in Amerika gebracht. Een hele poos ben ik daar geweest. Wat een avontuur was dat. Zal ik het eens van naaldje tot draadje vertellen, hoe ik daar in Amerika terechtgekomen ben?

Het was al in de herfst voor het jaar nul dat er in de fabriek heel wat miserie was. Boel met Baas Dobbelaere. Tot en met. Van een koppige ezel gesproken. Dat had hij van zijn vader, zeker? Nochtans was hij eigenlijk de kwaadste niet. Van de liberalen in de textiel, ook in Gent, Waarschoot en Eeklo, werd gezegd dat ge veel beter af waart om in zo’n fabriek van een Goddeloze te werken. Mij was het eender. Ik wist niets anders. Als kloefkapper had ik te veel concurrentie en de boeren hadden geen geld. Slechte aardappeloogst. De textiel betaalde nog iets of wat. Dus ik mocht starten bij Dobbelaere. Wij werkten op stukprijs. Wat wij weefden, werd per stuk betaald. Maar door de crisis rond het jaar nul kwamen er minder bestellingen binnen. Minder bestellingen betekent minder werk. Minder afgewerkte stukken betekende: minder geld voor ons. De wevers brachten in het geheim zelfs hun kinderen mee om ook te werken, zoveel honger was er bij de textielarbeiders in die dagen. Kinderarbeid was pas afgeschaft. Maar bij ons, zoals in de andere fabrieken, moest er regelmatig eens zo’n jonkie in kleerkast worden verstopt om de controles te vlug af te zijn.

Kinderarbeid

En Baas Dobbelaere? Die was daarvan op de hoogte, ja. Maar toen interpreteerden wij dat als een toegift van hem, dat kinderen ook een centje konden bijverdienen om het gezin te helpen. Bazen waren, op zekere hoogte, ‘heilig’ voor ons. Maar zelfs het laten werken van kinderen was niet genoeg om je boterham te verdienen. Het werkvolk had honger. Ik ook. Maar ik was wel wat gewoon. Ik kwam uit een kloefkappersgezin. Met de eersten die begonnen te zagen in de fabriek was ik totaal niet akkoord. Maar toen tijdens de winter de honger genadeloos toesloeg in Sleidinge, kregen de stakers en grootste lawaaimakers plots veel steun. Ik ging daar als vanzelf in mee. De meeste Calcutta-arbeiders eigenlijk. Behalve die gasten die speelgeld kregen om ons te verklikken. Maar je wist niet altijd wie je kon vertrouwen en wie niet. Als ze van Diermans kwamen, moest ik ze niet. Diermans, de fabriek aan het station, daar zaten wat klootzakken samen. Echt krapuul. Je had daar de sossen zitten, kun je nagaan. Tuig van de richel. Brakgasten, zoals wij dat zeggen.

Sossen

Je wist, ze komen van Diermans en ze moeten bij ons de sossen introduceren. De Internationale Gedachte. Goddelozen, Godverdomme. En die kerels vielen dan nog al bij al mee, achteraf bekeken. Al had Dobbelaere dat heel vlug door. Als het geen échte sossen waren of vuile communisten Godbetert, bleven zulke overlopers van Diermans ‘aan de stoasse’ bij ons voor enkele weken en dan wist je: dat is verdacht, ze kwamen gewoon spioneren in opdracht van de bazen, om al wie kritiek had gewoon buiten te laten pieren en hun plaats in te nemen. Die ‘elementen’ werden in het geheim door het patronaat gesneukeld, geld toegestopt. De fabrieksmuren hadden ogen én oren. En ik ben er altijd in geslaagd om op het werk te luisteren maar niet te veel te zeggen. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Je moest je bek houden op de werkvloer, dat was het slimste.

Het jaar nul

Zelfs tijdens de Grote Revolutie zoals wij het noemden, in het jaar nul, was ik zeker niet haantje-de-voorste. Wel integendeel. Ik was nog zo jong, net geen 20. En die oudere mannen in de fabriek zouden niet lang wachten. Een klop op uw façade, daar werd in die tijd niet te lang over nagedacht. En een mes was rap getrokken. Je kon beter voorzichtig zijn.
Onze Miele stond daar als heel jonge kerel boven. Hij was niet direct mee met de stakingsgedachte en hij was als de dood om Baas Dobbelaere iets in de weg te leggen. Hij speelde zelfs in de baas zijn ‘blauwe fanfare’, de Goddeloze Godverdomme. Maar de winter van het jaar nul was er zoals gezegd voor iedereen te veel aan. Mijn collega Miele ging aan de kant van de stakers staan. En toen Miele sprak, luisterde iedereen. Zelfs de oude garde. Mijn kameraad, mijn wijkgenoot. Ik was heimelijk fier op hem. Dat hij met zoveel vuur ‘voor de zaak’ ging. Prachtig. Maar dat was niet zonder gevaar. Smoezelen met Dobbelaere gaf je al gauw het etiket ‘verrader’ bij het werkvolk, babbelen met die van Diermans het etiket ‘onbetrouwbaar’ (je zou zomaar een sos kunnen zijn) in heel het dorp en opkomen voor de rechten van alle arbeiders in de fabriek gaf je bij de bazen het etiket ‘communist’, sowieso. Dan mocht je nog wekelijks de eucharistieviering bijwonen. De pastoor, de koster, de fabrieksbaas, de schoolmeester en alle notabelen van het dorp spuwden jouw naam uit. Je stond in een rijtje met alle brakgasten en ze deelden je zelfs in bij de sossen van Gent! Bij Miele gleed het af zoals water bij een eend. “Het pad van de rechtvaardigheid”, noemde hij het.

Eigen portemonnee eerst

Miele vloog over alle aardse problemen. Als een jonge Griekse god. Door zijn persoonlijkheid. Door zijn welsprekendheid. Hij kon het verdomme goed zeggen. Pas 25 jaar later zou hij het deksel op de neus krijgen. Maar dat wist hij toen niet. Hij werd bewonderd en aanbeden. Door jong en oud. Door de snelste wijven. Hij kreeg de kutjes nat. Miele kaartte de onrechtvaardigheid aan bij de bazen, Miele praatte met de oude garde om hen wat te bedaren, Miele kreeg zijn jonge lotgenoten zo ver om mee te strijden met de oude garde voor meer rechtvaardigheid. In het begin geloofde zelfs baas Dobbelaere in de praatjes van Miele. Tot hij alles liet narekenen door de boekhouder. En toen begon het conflict pas echt. De situatie zat muurvast. Dobbelaere dacht vooral aan zijn eigen portemonnee. De werknemers hadden honger. Veel honger. Tot eind november 1899. De Calcutta-werknemers hadden er genoeg van. Het was het begin van een staking die tot diep in april zou duren. Een sociaal conflict dat het dorp generaties lang zou tekenen en verdelen.

Kaarters

Er is hevig gevochten in Sleidinge, die wintermaanden van het jaar nul. Er waren bijna constant tweeëndertig rijkswachters in het dorp op post om de gemoederen te bedaren. En langs beide kanten werden de gemeenste trucs bovengehaald. Niet alleen werd door de patroons bij de Sleidingse textielconcurrent Diermans gezocht naar stakingbrekers, maar ook collega-textielfabrikanten uit Waarschoot en Eeklo brachten arbeiders aan om de staking in Sleidinge teniet te doen. Dobbelaere had connecties. Veel connecties. Omgekeerd stelden de stakers zich op langsheen de spoorweg om diezelfde ratten te bedreigen. Ze gooiden stenen, er werden messen getrokken, dochters en vrouwen werden belaagd. Er werd gedreigd, gevochten, gezopen, geneukt én verkracht. De stakers kwamen in het geheim samen op het hof van August Criel op Daasdonk en daar werden, van arbeiderszijde, de lakens uitgedeeld. Wie in de fabriek werkte en tegendraads was, had het geweten. Daar werd ook het voedsel voor de gezinnen en arme mensen verdeeld. Er heerste een cultuur van angst. Je was bang om in het dorp rond te lopen. Het was niet de familie Dobbelaere maar de arme man die maandenlang het onderspit moest delven en honger lijden.
Op een zaterdag in februari gebeurde het. Een caféruzie in de Weststraat ontaardt en het morrende volk slaat aan het muiten. De rijkswachters grijpen in en rekenen zelfs op hulp uit Evergem en Gent. Ik, al een tijdje getrouwd maar nog een jonge papa, zit ook in Café ’t Spiegelhof. Ik ging daar regelmatig heen. Om iets te drinken, eens te ontspannen in het weekend maar ook om te helpen. Joris Van Hulle, cafébaas en mijn verre neef, houdt een oogje in het zeil en ik mocht me er veilig voelen. Maar die dag staat heel het dorp in brand, iedereen is kwaad op iedereen. En om God welke reden komen tien Gentse rijkswachters plots ’t Spiegelhof binnen. Tien gewapende dienders en ongeveer vijftig zatte Sleidingenaren, dat is geen goed idee. Hier komen problemen van. Ik hou me van de domme en ik blijf in de buurt van enkele kaarterstafeltjes.

“Gij moet hier weg”

Tot één van die rijkswachters mij herkent. Ik had enkele dagen daarvoor mee betoogd met kameraad Miele. Ik was mijn hevige zelf geweest. Opvliegend. De borsten bol en de vuisten gebald. Ook toen werd er gevochten. En veel geroepen. Over hun moeders die voze hoeren zijn en zo. Dat was die rijkswachter niet vergeten. “Van Renterghem, eens kijken of ge nu zo fel zijt.” Hij was van Evergem en we hadden ook nog een andere openstaande rekening, iets met Leonie van enkele jaren geleden. Ik ga niet in detail treden. En dat kalf slaat dus met zijn geweerkolf in mijn richting. Ik spring weg. De kaarters waren ondertussen braaf tegen de muur gaan staan. Behalve Domien Tichelbaut. Die was rustig blijven zitten. Beetje dronken. Hij was nog de pak kaarten bijeen aan het scharten en had echt geen zin in gedoe. Tichelbaut, boerenknecht, was er zo één die dacht dat als hij deed alsof er niets gebeurd was, er hem niets kon overkomen. Verkeerd gedacht natuurlijk. De geweerkolf van die Evergemse gendarme kwam terecht op de achterkant van Domiens hersenpan. Het bloed spatte overal, tegen de muur. Tichelbaut was op slag dood. Iedereen keek met afgrijzen naar het tafereel. Alleen kozijn Joris Van Hulle reageerde vliegensvlug. “Hier gij”, snokte hij mij bij de mouw. “Kom mee achter de toog. Gij moet hier weg.” In een mum van tijd stond ik in zijn tuintje en stopte hij mij in een berghok, tussen zijn toebak en sigaren. “Blijf hier.”

Gekloot tot over de oren

Die dag werden dertig van mijn werkmakkers op Calcutta gearresteerd en naar De Nieuwe Wandeling in Gent afgevoerd. En ik zat in het toebakkot van Joris Van Hulle. Iedereen zocht mij. De boeren in Sleidinge om op mijn muil te slaan want Tichelbaut was populair, de flikken omdat ik volgens hen de eenendertigste was die achter de tralies thuishoorde en mijn vrouw omdat ze ondertussen alles van horen zeggen had. Ik was gekloot tot over mijn oren.

Mijn verre neef Joris liet mij een nacht zitten in zijn kot. Voor dag en dauw kwam hij het kot binnen. Heel kalm. Hij legde mij van naaldje tot draadje uit, hoe ik te voet in Ruiselede moest geraken. Café New York. Daar moest ik zijn. Een goede dertig kilometer van mijn dorp. Voorbij Aalter zelfs. Hoe Joris dat allemaal wist? Cafébazen horen van alles. En Amerika was de droom van velen in Sleidinge. Het goud hing er aan de muren, als je sommigen mocht geloven. Joris deed toen iets wat heel mijn leven zal bijblijven. Zonder iets te zeggen, stopte hij me geld toe. Veel geld. En hij keek recht in mijn ogen. Ik mocht niet weigeren. We namen geen afscheid.
De volgende dagen zou de rust wat terugkeren in Sleidinge. Baas Dobbelaere kwam met een eerste toegift: een vast daguur voor de arbeiders. En begin maart zou in Café ’t Buisken aan het Vaardeken de eerste Sleidingse afdeling van de Kristelijke weversvakbond ‘Recht en Plicht’ worden opgericht. Maar de details daarover hoorde ik pas maanden later. Er was geen tijd te verliezen. Ik heb ook mijn gezin niet meer gezien. Joris ging Leonie verwittigen, zei hij. Ik verdween als een kat in de nacht. Café New York in Ruiselede, dat was dus geen succes. Ik was daar al vrij vlug al mijn geld kwijt geraakt, had ik dat gewild. Messentrekkers. Schorremorrie, ik heb er geen ander woord voor. Geld verdienen op andermans kap. Mensensmokkelaars, aftroggelaars.

Het ruime sop

Ik ben direct verder gevlucht. Naar de zee, naar Oostende. Met de naïeve gedachte dat ik daar ook wel op een boot zou geraakt zijn. Daar in de stad Oostende heerste veel armoede. Maar wel goudeerlijke mensen, die vissers. Ze kenden de troebelen in Sleidinge, dat had overal in de gazet gestaan en bij alle werkmensen in Vlaanderen liep dat nieuws als een lopend vuurtje . Die arrestaties hadden van de Calcutta-arbeiders bijna nationale helden gemaakt en ook in andere textielsteden als Gent, Verviers, Ronse en Eeklo was de kwestie van de daguren en de stukprijs op de tafel gekomen. Die vissers geloofden mij meteen, dit was nieuws geweest over heel België. Ze geloofden mij op mijn woord, dat ik een gevluchte Calcutta-arbeider was. Ik kon zo maar wat verzinnen ook. Maar ook de dood van Tichelbaut was hen ter ore gekomen. Die dag was er nog iemand vermoord door de rijkswacht, voegden ze er aan toe: Ivo Meire. Ivo kende ik vrij goed. Ook doodgeslagen. Heel erg van geschrokken. Mijn aandeel in de dood van Domien, daar hadden de vissers niets over vernomen. Mijn nauwkeurig verslag had hen blijkbaar vertrouwen gegeven. “Wieder kunnen joen noar Antwerpen voaren”, klonk het. “We moeten toch geirnoars op de Honte gon vangn.” Zij zouden mij op de Westerschelde brengen en me op een vrachtschip loodsen. Dat kostte mij geen frank. Maar ik zou wel moeten werken op de boot. Eerst op hun garnalenschuit én dan op het vrachtschip. Maar van werken is nog nooit iemand doodgegaan. En behalve voor wat pinten en prachtige nachten in de Oostendse Langestraat kon ik van Joris zijn geld zo veel mogelijk afblijven. Weken na het incident in ’t Spiegelhof en na dagen corvee op de Oostendse vissersboot ‘Maria van Vlaenderen’ werd ik ter hoogte van Vlissingen aan boord gehesen op een Hollands vrachtschip naar New York. In plaats van naar Antwerpen meteen naar Amerika, mijn God! Ik moest meteen aan het werk op dat schip: het dek zwabberen, patatten schillen, gerief versleuren om de matrozen te helpen. Hard werk, maar ik werd dagelijks uitbetaald. Meer dan ik op Calcutta verdiende.

Werken op de boot

De eerlijke mensen werken op het water. Diegenen op de boot die ik begreep, de Nederlanders, die kon ik niet aanspreken. Officieren en stuurmannen praten niet met dekzwabbers en de mannen van het vuile werk. Maar het was wel handig om hun instructies meteen te begrijpen. Zo kon je vaak een klap op je kop vermijden. Want die Hollanders lachten er niet mee. Eén kapitale fout en ze zouden je overboord gekieperd hebben ook. Gevaarlijke kerels. Machtswellustelingen.
Dat was bij de matrozen helemaal anders. Daar heerste solidariteit, een beetje zoals bij het werkvolk in de fabriek bij momenten. De taal van die Indiërs, matrozen en mannen van het vuile werk, daar begreep ik geen snars van. Maar de Indiërs hielpen mij wel, op hun manier. Het Nederlands en Belgisch geld konden ze inwisselen voor Amerikaanse dollars bijvoorbeeld. Of voor wat extra eten. Of voor pijptabak. De Indiërs wisten werkelijk alles te regelen op de boot en op de kaaien van de grote wereldhavens. Bankiers. Commerçanten. Gouden kerels. Diepgaande gesprekken hebben we nooit gehad, kon ook moeilijk. Maar er was wederzijds respect. Voor mij was het de allereerste kennismaking met mensen die een andere huidskleur hadden. Maar zij namen mij voor wie ik was, en omgekeerd ook. Dat ben ik sindsdien blijven doen, en dat heeft me geholpen. Zoals tijdens mijn kort verblijf in Amerika waar ik plots tussen de zwarte mensen terecht kwam.
Toen ik de boot af kwam, had ik meer geld dan toen ik er op stapte. En ik had geen angst voor het vreemde. Geel, groen, rood of zwart: niets kon me deren. Alleen het gemis van mijn vrouw en kinderen. Dat knaagde heel hard. Ik had er op dat moment ook geen benul van dat Leonie voor de vierde keer zwanger was. Gelukkig maar, dat ik dat niet wist. Die pijn was niet te harden geweest, en ik had het nu al moeilijk. In de haven van New York botste ik op een man terwijl ik warrig aan het rondkijken was. Het was toch wel een Vlaming zeker, van Zulte. Hij heeft maar weinig woorden met mij gewisseld maar wel één belangrijke zin tegen mij gezegd: “Blijf van de Belgen weg. En ook van de Italianen. Ze gaan je pluimen.” Die boodschap heb ik ter harte genomen. Ik knikte en wandelde verder, de New Yorkse nacht binnen. Met mijn dollars van op de boot kon ik terecht in een slaapzaal met veel zwarte mensen, veel mensen zoals ik, op zoek naar een betere toekomst maar ook naar lekkere warme soep. In de buurt ging ik soms een pintje drinken in een duister café, altijd op dezelfde plek. Ver weg van de Belgen en Italianen. Niet in de buurt van Ellis Island, niet aan de poort van de miserie. Want daar heerste de misdaad. Het was op aangeven van de Indiërs op het Hollandse vrachtschip dat ik op het dok al na enkele uren aangesproken werd. Of ik boten kon helpen lossen? Dat was niet heel ver van waar we aangemeerd waren. Ik had werk. Ik voelde me vrij.

In dat kleine café aan de haven

Eerlijk? Ik ben mijn tijd in New York nooit veel verder gekomen dan die buurt aan de haven waar ik was gearriveerd. De slaapzaal, het werk op de dokken, hetzelfde café met zwarte dokwerkers… en rondhangen in het nabijgelegen postgebouw. Want daar heb ik meteen, bijna dagelijks, brieven op de post gedaan voor Leonie en de kinderen. Ik smeekte hen per brief om over te komen. Na vele dagen hard labeur in de haven kreeg ik antwoord. Ja, ze had mijn brieven gelezen. En ja, ze zou komen. Over de zwangerschap heeft mijn Leonie niets geschreven. Ik stuurde het geld op, al de Belgische franken die ik niet had gewisseld bij de Indiërs.
Weken later kreeg ik op de slaapzaal het bericht dat ze aangekomen was met de Red Star Line uit Antwerpen. Maar al gauw vernam ik dat ze teruggestuurd zou worden vanaf Ellis Island omdat ze zwanger was en de drie kinderen heel ziek waren. Het Beloofde Land had alleen sterke en gezonde mensen nodig. Ik heb zo snel mogelijk alles in het werk gesteld om op Ellis Island te geraken. Dat was niet evident en dat heeft me heel veel geld gekost bij die Italianen, echte smeerlappen. Ik ben Leonie in de armen gevallen en ik heb gezegd: “Het staat mij hier niet aan. We gaan naar huis.” Het arme mensenkwartier op de Red Star Line was quasi leeg bij het terugkeren, in de plaats daarvan werden katoenbalen en kisten vol suiker in de kajuiten gezet. En hier en daar een teruggestuurd gezin. En zo zijn we terug in Antwerpen beland, bestolen en bedrogen door die Italiaanse mensensmokkelaars in New York, zonder geld, met mijn hoogzwangere vrouw en drie zieke kinderen.

“We gaan terug”

Terug in Sleidinge, in het Moederhuis, is ons Margrietje geboren. Ik heb mijn stoute schoenen aangetrokken, ben naar Baas Dobbelaere toegestapt en op aangeven van Miele mocht ik opnieuw starten in de Calcutta. Miele die als stakingsleider op het einde van de winter baas Dobbelaere zo ver had gekregen dat alle gearresteerden opnieuw mochten beginnen in de fabriek en dat mensen een eerlijker loon naar werken uitbetaald kregen, was ondertussen gepromoveerd tot meestergast. Hij bleef zijn leven lang één van de trouwste bondgenoten van de baas. Hij was wel nog een vooraanstaand lid van de vakbond en Dobbelaere wist dat. Eén vingerknip van Miele was genoeg om de boel weer plat te krijgen.
Achter mijn rug werd misschien nog geroddeld op Sleidinge maar in de Calcutta zelf viel over mijn vlucht geen onvertogen woord meer. Ook bij de pompiers mocht ik meteen weer starten. Men aanvaardde mij zoals ik was. Er zijn daarna nog stakingen en discussies geweest in de Sleidingse textiel. Maar een conflict zoals in het jaar nul, dat hebben we nooit meer gekend. En Leonie? Die heeft over dat Amerikaanse avontuur nooit één slecht woord gezegd, we droegen het beiden als een geschenk. Telkens ik ons opgroeiend Margrietje zag, toverde dat kind een glimlach op mijn gezicht. Zij was voor altijd in mijn hart en in mijn geest ‘mijn Amerikaantje’. Mijn oogappel heeft het dan ook ver geschopt: ze werd boekhoudster van twee houtbedrijven. Met haar man André Cornelis bouwde ze een succesvolle zagerij uit. Trotser kan een vader niet worden. Mijn Amerikaantje…

De waarheid dooft uit

En als er op café vragen over gesteld werden, op duistere en zatte momenten, dan liep ik weg. Opnieuw de nacht in, maar wel huiswaarts. De boeren lieten mij gerust. De blinde wraak, waarvoor ik nog jaren angstig was, kwam er niet. De opengespatte hersenschedel van Domien Tichelbaut werd stilletjes vergeten. De Evergemse rijkswachter van de dodende geweerkolf zat nu zelf in Amerika, hoorde ik later. Ik weet zelfs niet of er nog veel mensen over mijn rol op de hoogte waren. Ofwel had neef Joris Van Hulle één en ander toegedekt? Ik weet het niet. Eén ding weet ik wel: als Joris me riep, kon hij op mijn hulp rekenen. Joris en Miele zijn de beste stille vrienden die ik ooit had. Maar in 1925 laaide ‘ons verhaal’ plots weer hevig op. Wie met Miele een openstaande rekening had, kon nu in de handjes wrijven. Toen vloog Miele de bak in op verdenking van moord en ik was wellicht de enige in heel het dorp die hem geloofde. Ik alleen. En misschien Baas Dobbelaere, maar dat weet ik niet zeker. Maar mij werd het alleszins keihard aangerekend. Ik moest mij niet te veel buiten vertonen in ’25.
“Jij hebt een muil om kak op te sorteren.” Dat had die jonge sloeber van dertig jaar tegen mij gezegd. Op café. Zo zat als een Zwitser. Tegen mij, die nog de opstand van het jaar nul had meegemaakt en samen met Miele de fabriek had recht gehouden tijdens de Eerste Oorlog. Net te oud voor de wapens, waren we geweest, Miele en ik. Maar dat snotjong was net te jong geweest om naar het front te gaan. En van de generatie die er wel was geweest, waren er in de fabriek niet te veel mannen overgebleven. De meeste van die jongens waren in de loopgraven gesneuveld. Sommigen waren in 1925 nog niet zo heel lang terug uit Duitsland en waren totaal uitgeblust. Zombies, eigenlijk. Niets kon die jongens nog schelen. Die huilden en riepen ’s nachts luidop in hun bed om moeder. Velen werden ziek, verschillende jongens pleegden zelfmoord na de oorlog.

De moordenaar van Zulma

Nu had de uiteindelijke moordenaar van Zulma net na de oorlog wel in de troep gezeten en wist iedereen wel dat dat geen lieverdjes geweest waren die in Duitsland moesten dienen na de oorlog, want berucht vanwege roof en verkrachting in het Saarland. Misdadigers had de troep er van gemaakt. Maar toen dat kereltje in 1926, een jaar na de moord, naar Amerika trok, had ik die deugniet nooit verdacht van de moord op Zulma. Voor mij was dat een broekventje met een te grote mond, meer niet. Maar ik herinner me wel die ene zin op café toen ik met de mannen aan het discussiëren was over de onschuld van Miele. Dat was hij geweest. “Je hebt een muil om kak op te sorteren.” Ondertussen is ook de Tweede Oorlog gepasseerd, nog eens twintig jaar later. Maar dat moment herinner ik me nog heel goed. Ik ben boos. Heel zeker. Nu ik verneem dat hij het was, dat hij de moord op Zulma bekend heeft op zijn sterfbed in Amerika. En dat niemand dat gemerkt had. Dat hij tot zoiets in staat was! Moord en aanranding. De tering waaraan hij stierf, verdiende hij, daar doe ik geen sikkepit van af. Het lucht mij op te weten dat het goed was om altijd in Miele te blijven geloven. Als enige in het dorp. Nu de waarheid na al die jaren is komen bovendrijven. Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel. Peetjen Van Renterghem… Zijn verhaal. Zijn oogappel. Zijn dochter: Margriet.

 

Interview met Pablo Smet uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Pablo Smet (Jazzenede / Debuutrock / A Flying Kiwi Experience)

“Wat als er geen zotten meer zijn?”

Waar ontmoet je Pablo Smet? Strandpaal in Assenede? Had gekund. Maar ook Café Passé, op een zucht van de Rode en de Grote Geul in de weidse Asseneedse polders, is een echt biotoop voor Pablo. Je stapt er, nochtans midden in de natuur, een heel klein beetje New York binnen. Met een beetje geluk tref je er -ik zeg maar iets- Guido Belcanto, een andere kunstenaar of zelfs een professor aan de toog. Op zoek naar warmte en genegenheid.

Het is een eigenaardige winteravond. Al in de Bosstraat in Waarschoot, ruim 15 km daar vandaan, aanschouw ik in de verte al een rode gloed in de lucht. Aan Café Passé kun je het nog veel beter zien. Een reusachtige gele vlam die de hele omgeving rood kleurt, als Soddom en Gomorra: Dow Chemicals in Terneuzen ontbindt al zijn duivels. We drinken een thee en schakelen over naar het onderwerp van de dag: muziek. Pablo’s muzikale geschiedenis is een dubbel spoor, een parallel pad.

De Eeklose academie

Hij schetst eerst het pad van ‘Pablo, de muziekliefhebber’. De muziekkenner, als je het mij vraagt. “Als manneke van 6 jaar bezocht ik vaak mijn grootmoeder die conciërge was in de Academie van Eeklo. Waar nu de bib is. Daar was een grote mediatheek met honderden platen. Naar het schijnt, was ik gefascineerd door de viool- en pianoklanken die je in de academie kon horen. Ik herinner me daar nog flarden van. Ik herinner met ook mijn eerste cassetjes toen ik tien jaar was. Van Elvis Presley, gekregen van diezelfde grootmoeder. En ‘Thriller’, van Michael Jackson. Het was ook de tijd van de Top Dertig op de radio. Zaten we op zaterdagvoormiddag niet allemaal klaar met de vinger aan de ‘record’knop, om de tofste liedjes en zo weinig mogelijk stem van de presentator mee op te nemen?” We herkennen het. “In het derde en vierde middelbaar, in Zelzate, ging het dan de foute kant op”, glimlacht Pablo. “En bij de Chiro van Rieme. Ostrogoth is me dus niet onbekend. Vrienden uit de jeugdbeweging die vaak iets ouder waren dan mij, brachten me vrij vroeg in contact met The Doors, Patti Smith, Led Zeppelin, Jimi Hendrix, … . Daarna volgde de new wave en alles wat daar van subculturen bij hoort: The Mission, Sisters of Mercy, The Cure, Front 242, Neon Judgement, … Daarna heb ik daar ook de punk aan toegevoegd: The Ramones, The Stooges, The Exploited, Crass, …”. Pablo wijst op de ferme kloof die er toen bestond tussen de rockers (met gitaar als heilige koe) en de ’dance-adepten’ (met elektronica als heilige koe). “Dat waren als het ware twee verschillende werelden. Het is in 1991 dat mijn ogen en vooral mijn oren open zijn gegaan, tijdens het Mind The Gap Festival op de terreinen van Hengelhoef. Dat festival werd georganiseerd door Gonzo (Circus), een toen nog obscuur fanzine (maar ondertussen een schitterend tijdschrift over vernieuwende muziek en cultuur. Een aanrader voor de ‘meerwaardezoeker’, volgens Pablo). Een festival lang surfte ik er tussen de rockgroepen en alternatieve elektronicabands, lang voor Underworld en The Prodigy. Ik was onder de indruk van bands als Pitchshifter (een echte crossover van metal en samples) en Astralasia (psychedelische trance & ambient dub). Sindsdien wandel ik rond in een muzikaal veld van 360 graden. Alle genres bekoren me, maar ik zoek altijd de underground, het voorgeborgte, waar muzikaal talent in veel gevallen op de rand van de doorbraak staat. Midden de jaren negentig botste ik dan via de muziekcafé ‘De Strandpaal’ in Assenede ook nog op de wereld van de jazz. Daar en toen werd misschien wel de kiem gelegd voor het latere Jazzenede… Thuis heb ik een muziekverzameling (langspeelplaten en singles, maar ook CD’s en DVD’s) die ik opgedeeld heb in genres, waarbinnen alles dan nog eens alfabetisch én vervolgens chronologisch gerangschikt staat. Kwestie van toch het overzicht te bewaren en de weg te vinden. Maar mijn muzikale smaak is zo divers dat ik weiger nog te denken in hokjes. En dat ondanks de vele hokjes in mijn platenkast.”

Passie

Iemand met zoveel passie voor muziek? Die wil daar ook iets mee aanvangen. “Da’s het tweede spoor”, knipoogt Pablo. “In 1989 richtte ik samen met vrienden de in Rieme lichtjes legendarische groep De Storsn op. Lang voor De Dolfijntjes speelden we andere nummers na en zetten daar onze eigen grappige teksten op. We hebben ons daar enorm mee geamuseerd, maar het trok op niets.” Pablo bulderlacht. Hij komt op dreef. “Dat was voor mij een fantastische periode. In Rieme had je toen het café ‘Mioritza’, met achteraan een zaal. Het gebouw was tevens een soort opvanghuis voor Roemenen die naar België kwamen. In ‘den Mio’ gebeurde van alles. Dat was echt heel tof. Er werd veel gerepeteerd. Wist je trouwens dat Ostrogoth tijdens hun repetities ongewild de eucharistieviering in de Sint-Barabarakerk infiltreerden? Door één of andere technisch mankement aan de klankinstallatie van de kerk, schakelde het systeem in de kerk af toe over op wat er in het repetitielokaal van Ostrogoth gebeurde. Hilarisch gewoon. Het was ook de tijd van jonge groepjes als Proza, The Stoneage Romeos en Less Than Zero. In die tijd was al twee keer een editie van Debuutrock doorgegaan.” Vincent Welvaert was de drijvende kracht achter Debuutrock en heeft trouwens nu nog steeds een succesvol muziekcentrum Goedleven in Gent. “En ik had Debuutrock al twee keer meegemaakt. De derde keer heb ik wat meegeholpen. En de vierde keer werd ik gevraagd om in het bestuur te komen. Het was vooral onze bedoeling om groepjes kansen te geven. Ons voordeel was dat we zo gek waren om heel Vlaanderen af te reizen, om in de repetitieruimte zelf de groep te gaan beluisteren en bekijken. Waanzin, maar zo kwamen we wel tot een indrukwekkend palmares.”

Lijstjes

We lopen samen, bij wijze van een quiz, het lijstje af: Soulwax, Metal Molly, A Beat Band (met Stef Kamil Carlens, later Moondog (Jr) en Zita Swoon), LoopLizard (met JP De Brabander uit Waarschoot, later Delavega, Girl Named Wolf en Café Londres), The Nothing Bastards (met Gabriel Rios), Word (later Ozark Henry), Thou (later met Micha Vandendriessche uit Evergem, nog op Werchter gestaan), Sioen, Zornik (toen nog Zornik Breknov), Admiral Freebee, Dubtales, Venus in Flames, … “En dan niet te vergeten het talent dat we gespot hadden, maar dat reeds bij een platenlabel terecht kwam alvorens we hen op Debuutrock konden plaatsen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Arid. Waarvan ik toen al vond dat Jasper Steverlinck een schitterende stem had. Hun geluid balanceerde tussen Kyuss en U2. Maar Double T Records tekende hen en dat was voor ons dus net te laat om ze nog op Debuutrock te plaatsen. We zijn toen ook begonnen met Mandala Productions vzw, we gaven nette albums uit met groepen die bij ons op het podium stonden. Luister nog maar eens naar de versie ‘Kill Your Darlings’ van Soulwax op ‘onze’ CD. Ik vind dat nog altijd heel straf. Beter dan de latere versie van dat nummer die op hun debuut-CD terecht kwam, vind ik persoonlijk.”. Debuutrock verhuisde naar Gent en Mandala kreeg ook het Oost-Vlaams Rockconcours (nu Oost.Best) in handen. Samen met Debuutrock organiseerde Mandala Productions ook nog ‘Dichter bij Rock’, ‘Cartoondebuut’, ‘Jong Geflitst’ en MOVe! (Muziekdag Oost-Vlaanderen). Tussendoor organiseerde Pablo ook nog enkele ‘Culinaire Concerten’ (op vraag van CC de Herbakker) en ‘OnderStromingen’ (op vraag van CC Evergem). In 1999 riep hij A Flying Kiwi Experience in het leven, onder meer een manier voor Pablo om aan platen van independent labels te blijven geraken toen ze zelfs in de beste platenwinkels niet meer lagen. “Ik heb dan maar zelf mijn Underground Music Store opgericht, mijn virtuele platenwinkel (zonder fysieke winkelruimte). Dan hadden we ook nog Tour ‘n Avise, waarbij het de bedoeling was groepen aan concerten te helpen. Ondertussen werd er meegeholpen op andere festivals en werd er veel muziek gedraaid (onder andere onder de noemers ‘Listening Sessions’, ‘Trax to Relax’ en ‘Nacht van (de) Compost’). Ik was acht maanden roadmanager van Ozark Henry. LoopLizard lag me heel nauw aan het hart en heb ik van heel nabij gevolgd. En dan vergeet ik misschien nog te vermelden dat we op een bepaald moment met Debuutrock gingen samen zitten met o.a. Vers Geweld (drummer Steven Van Havere van Arid, West-Vlaanderen), Limbomania (Limburg) en Debutantwerpen om Poppunt Vlaanderen op te richten. Dit om te wegen op het rockbeleid in Vlaanderen, wat later de clubs ook hebben gedaan met het Clubcircuit. En nu is er al enkele jaren (sinds 2003) Jazzenede, dat Pablo samen met zijn kompanen organiseert.” Ik weet niet goed waar te kijken. Wat een boterham. Hoe krijg je dat in die enkele jaren voor mekaar? Er brandt me één vraag op de lippen en ik moet Pablo onderbreken om de vraag te kunnen stellen. Waarom? “Ik weet het niet.” Opnieuw bulderlachje.

Geen axioma’s

“Ik zal het zo stellen. De dag dat er geen zotten meer zijn die dit willen doen, gebeurt er niets meer. Bovendien, ik stel me gedurende het proces van organiseren, altijd dezelfde vraag. Waarom doe ik dit toch? Wat is dat allemaal waard? Maar als het er is, dan krijg je kippenvel. Ik denk nu spontaan aan een recente ontdekking: Rape Blossoms. Schitterend is dat. Ik verwacht daar heel veel van. Dat is toch de rode draad, hoor. Die ontdekkingstocht. Als Alice in Wonderland op zoek gaan naar schitterende muziek. Ik opereer in het voorgeborgte. Puzzelen met dingen die andere mensen (nog) niet kennen. Vroeger was ik ook DJ op deze manier. Maar als ik nu draai, tracht ik toch meer rekening te houden met mijn publiek en minder als missionaris aan het werk te gaan. Maar het kriebelt toch altijd om er eens een plaatje tussen te gooien van ‘luister hier eens naar’. Wat zo boeiend is aan muziek, is dat er geen formules voor bestaan. Er bestaat geen axioma van ‘doe dit, doe dat’ en je hebt een hit. Bij mij komt het er op neer: het moet me iets doen. Daarom ben ik thuis ook nog af en toe bezig met soundscapes en geluidseffecten combineren. Ook circuit-bending (het openbreken van bestaande apparatuur, met de bedoeling er nieuwe geluiden uit te halen) fascineert me mateloos. ” We kijken hem vragend aan. Dan toch nog muzikant? “Tja… niet echt… meer een knutselaar met apparatuur en geluiden…“ Wie geluiden combineert, is muzikant. Punt. “Ja, eigenlijk, het is waar. Toen ik in 2007 papa werd heb ik een beetje gas moeten terug nemen. Maar ik ben nog behoorlijk actief: Jazzenede, ik werk aan een boek over elektronische en experimentele muziek en er zijn nog tal van zaken die me drijven om bezig te zijn. Want, Bard, wat als er geen zotten meer zijn?”

Vinyl

Het afscheid nadert. Maar Pablo is niet meer te stoppen. “Ik geniet hiervan. Allez, vinyl, dat is nog zo iets. Iedereen weet ‘zogezegd’ dat vinyl geen andere, aparte klank heeft dan een CD. Althans dat heeft men toch wetenschappelijk vastgesteld. Maar toch geeft vinyl volgens mij meer warmte aan muziek, een warmte waar ik enorm aan gehecht ben. Hoe komt dat dan? Het is een beetje zoals regisseur David Lynch die bij de mix op het einde van zijn films nog stilte opneemt in een kamer en dat toch nog onder de film heen steekt. Dat is toch geweldig? Niemand kan bewijzen dat dit de film een upgrade geeft. Maar ik denk ergens toch van wel. Vinylplaten bepalen ook mee de manier waarop je naar muziek luistert. Een plaatkant duurt gemiddeld iets meer dan 20 minuten en dan moet je de plaat omdraaien. En ondertussen genieten van het artwork op de hoes en de geur van vinyl…”.

One to many (12”)

“Van vinyl gesproken. Ken je Patrick Bastien, klankman bij muziekclub N9? Die heeft ooit een elpee met Vibø opgenomen. ‘One to Many’ heette deze 12”-plaat. Te vinden op internet, maar nog beter: op vinyl! Opgenomen in 1983. (Belgium) staat erbij vermeld. Het moet gezegd, The Game is een beklijvend nummer. “Ook een gast uit de buurt, hoor. Geweldig toch? Zo’n elpee daar betaal je nu meer dan 55 euro voor. Als je de elpee nog vindt, tenminste.”, zegt Pablo met stralende ogen. We praten nog wat en hebben het nog over Steven Janssens (van The Whodads , The Revelaires, Daan, Mauro, …). “Die gaat nu touren met Mark Lanegan (ex-Screaming Trees). Het gaat soms hard, hoor. Of de Soulwax-broers die met 2 Many DJ’s echt over de hele planeet zitten. Chapeau, toch?” Pablo kan blijven doorgaan. We nippen nog even van onze thee. “Ik vond het gezellig. Echt.”

*Mioritza betekent welkom in het Roemeens
(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

 

 

Interview met Piet Notteboom in 2012, Rock ‘n’ Roll Niemandsland

Piet Notteboom (Summerbummerdownerfolk): “Geloof het zelf, da’s al een hele stap”

Dieter Van Meulebroeck vertelt ons een spannend rock’n rollverhaal van aan het Schipdonkkanaal: “We organiseerden met Angst een concert onder de brug van Balgerhoeke. We deelden toen flyers uit met datum en uur van het geheim concert van Angst, men moest zich inschrijven via een mailadres. Geheimzinnigheid troef. Die bewuste dag stuurde ik de locatie door. Net als Nirvana in de Democrazy op 2 december 1989 was half Belgie daar.” Een brugconcert in de stijl van Manchester eind de jaren tachtig. Geniaal eigenlijk. “Het aanwezige publiek had gelijk”, vertelt Meullie. Een verhaal dat ons meteen bij Piet Notteboom brengt.

In de Meton in Eeklo, ook eind jaren tachtig, is zanger Piet Notteboom van Summerbummerdownerfolk nooit geweest. “Beetje te jong”, vertelt de Adegemnaar zacht bij een heerlijk glaasje Kriek Girardin bij me thuis. “Maar ik ben wel nog naar een fuif geweest in Eeklo waar ‘de tijd van de Meton en de new wave’ uitvoerig werd herdacht. Dus ik ken het fenomeen ‘De Meton’ wel. Ik weet ook wat er mee bedoeld wordt. Ik ben nochtans helemaal niet zo’n fuifganger, hoor. Ik speelde 9 jaar bij de fanfare ‘Verenigde Vrienden’ in Adegem. Trombone, bariton en tuba speelde ik. Het was mijn doel om het instrument zo goed mogelijk onder de knie te krijgen. Ik kreeg les van een zeer strenge leraar. Ronny Derk, van de Zeeuwse marine en de Gidsen. Taaie leermeester was dat. Niet geoefend? Na drie minuten had hij dat door en kon je gaan. Eerst oefenen en dan de volgende les. Ik heb daar toch heel wat van opgestoken: harmonieën, spelen met nuance, de kleur van klanken. Na 9 jaar vond ik het niet tof meer en ben ik ermee gestopt.”

Fanfare

Uiteindelijk bracht de fanfare in Adegem Piet Notteboom richting rock’n roll. Met Summerbummerdownerfolk lukt het goed. We zijn fan. Wij horen Tindersticks, Cave… Piet onderbreekt. “The Gun Club, is ook al gezegd. Ik krijg die opmerking ontelbare keren. Nick Cave ken ik natuurlijk wel, maar van al die andere groepen die op ons geluid worden geplakt, ken ik vaak de muziek niet. Laat staan dat het me zou beïnvloed hebben. Ik zoek dat ook niet op of zo. Ik heb ook geen zin om als kloon van een andere groep door het leven te gaan. Het lijkt me weinig nuttig om alles in hokjes te stoppen. Mijn vader durft dat ook te doen als we naar muziek luisteren. Hij hoort Anna Calvi en dan meteen een stempel daarop.” Een gulle lach. We herkennen het. “Ik begrijp dat wel, hoor, maar ik wil ook dat men dat genuanceerd doet. En dat men niet uit het oog verliest wat echt van de muzikant zelf komt. Het persoonlijke.”

Geloof

Wat is het geheim van Summerbummerdownerfolk? “Als je zelf gelooft wat je op het podium brengt, dan is dat al een hele stap. Mijn ambities zijn vooral inhoudelijk. Ik heb met een song vaak een basisidee en ik wil op het einde van het proces, na het schrijven en het arrangeren van de muziek, nog altijd hetzelfde basisgevoel hebben dan toen ik, helemaal in het begin, aan de basis van de song stond. Op dat vlak ben ik een beetje een despoot in de groep. Het moet kloppen. Ik heb wel geleerd om meer inbreng te aanvaarden en het is niet meer zo dat we drie of vier songs op een uur repetitie ‘als nieuw’ inblikken. Er wordt stevig aan gewerkt door al onze muzikanten. Zo brengt Naomi die bij ons zingt bepaalde kleuren in de songs die enorm verrijkend werken.”

Donkerte

“De inbreng van de muzikanten (Bert Cambier, Jeroen Naert, Naomi Symons en Mathieu Laridaen) ten opzichte van mijn inbreng als songwriter is gegroeid. Mét die inbreng is ook de groep zelf gegroeid. Ik heb het geluk dat ik kan werken met vier muzikanten die er meer dan 100% willen voor gaan. Dat is al een een serieuze stap. Dan is de missie eigenlijk al geslaagd. Waar ons dat dan overal brengt, dat zien we wel. Maar als het op die manier hier rond onze kerktoren kan, kan het in principe overal.” Missie? “Zo zie ik mijn pad wel. Het gaat over meer dan muziek alleen. Ik ben ook bezig met schrijven en toneel. Muziek is slechts een kanaal. Het gaat mij om balans en nuance.” Al kan je de donkerte en de toon van Summerbummerdownerfolk ook associëren met mensen die net balans zoeken. Is dat ook zo bij Piet Notteboom? ”Ik voel me niet meer of niet minder uit balans dan andere mensen”, glimlacht de zanger.

Joy Division of Neil Young?

We kennen Piet Notteboom van de rockgroepen Angst en Fun Department. Bij die laatste band kan de link met ‘zwart’ moeilijk ontkend worden, want ze speelden covers van Joy Division. “Ik heb die groep niet zelf opgericht. Tom Rys heeft me gevraagd. Omdat ze een zanger zochten. Ik heb daar wel wat van opgestoken. Maar het werd op de lange duur allemaal een beetje te letterlijk Joy Division. Zo kom je uiteindelijk in een doodlopend straatje terecht.” Het was trouwens niet Joy Division maar Neil Young die het licht deed schijnen bij Piet Notteboom. “In de humaniora leerde Niels Latomme van Penguins Know Why mij rock ’n roll kennen. Hij bracht me in contact met groepen als Tool, maar ook met Neil Young. Ik heb wel een jaar lang naar niets anders dan Neil Young geluisterd. Zonder dat hij me één seconde verveeld heeft. Muziek appreciëren gaat om één woord, één zin, één blik. Iemand die op het podium staat, moet zelf ‘gepakt’ zijn door wat hij wenst te vertellen.”

The Late Great Planet Earth Club

“Muziek doet grenzen verleggen”, besluit Piet Notteboom. “Zo stuurde ik al een paar nummers naar Rik Bracke uit Maldegem. Die mens werkt al vele decennia aan composities en dat bezorgde hem zelfs een contract bij R&S, een belangrijke platenfirma uit die tijd. We spreken 1997. Rik Bracke was toen 33. The Late Great Planet Earth Club, zoek het maar eens op.” De Morgen spreekt over de plaat ‘The Club Itself’ van ‘de eeuwige zoektocht naar het volmaakte geluid’. Hij krijgt schouderklopjes richting Zappa, Captain Beefheart en Tom Barman. Een genie op de zolderkamer. Voor zijn tweede plaat had hij geen tijd om de modaliteiten te bespreken met de mensen van R&S. Hij was patatten aan het koken en had een kleine op de arm. Toen heeft Rik ingehaakt en R&S heeft nooit nog iets laten weten. “Er kan veel”, zegt Piet Notteboom. “Maar alles moet als puzzelstukjes in elkaar vallen. En soms vind je een puzzelstukje niet meer terug. Ik heb met Rik een beetje samengewerkt en het is echt super wat die allemaal maakt.” Op Soundcloud vind ik fantastische zaken terug. Een trip. Notteboom en Bracke. Daar horen we misschien nog iets van.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Piet is naast gezinsman ondertussen die creatieve duizendpoot gebleven. Zijn pen staat niet stil. Theater is een passie. Muzikaal is het wat stil, maar dat gaat niet blijven duren. En zijn humor blijft even geestig, gortdroog maar prachtig. Een fantastische mens. Morrissey meets Ian Curtis meets Paul van Ostaijen. Ook nog in 2021. Voor hem, deze donkere song.

Arsène Zonder Vrees (Deel 2) De zoon van Jules van de klok

De zoon van de schilder-behanger trouwt met een molenaarsdochter

In die periode voor de Eerste Wereldbrand wordt ook de kleine Arsène geboren en het ging Jules voor de wind. In de nieuwe kasteeltjes langsheen de Weststraat mocht hij, op aangeven van Harald von Siegesar, verschillende gevels, kronlijsten en interieurs verzorgen. Soms was het werk te groot maar toen kon hij bij zijn familie terecht voor hulp, allemaal schilders. En ook de verfhandel floreerde. Maar toen 1914 naderde, bleek dat allemaal toch broos geluk te zijn. Ook de middenstanders in het dorp stonden vlugger opnieuw met hun klompen in de miserie dan bijvoorbeeld de boer van het noorden die voedsel produceerde en meer geld kon vragen voor vlees, graan en groenten.

Rollen keren

De rollen waren heel vlug omgedraaid. Met het groeiend conflict tegen de Duitsers daalde ook het aanzien van Harald von Siegesar. Zijn naam was daar niet vreemd aan. In eigen hoge Gentse kringen werd hij eerst de deur gewezen. Van de fabrieksarbeiders in het dorp kreeg hij al heel vlug een eerste steen in het
raam. Zij hadden immers nooit zitten wachten op die rijke klootzakken uit Gent, zoals zij het verwoordden. De boeren en middenstanders gingen als laatste overstag. Op het moment dat een opdracht niet doorging of zelfs Harald von Siegesar toch wat meewarig deed over de stijgende voedselprijzen op de markt, steeg de haat ook daar. De edelman bleef steeds meer in Gent en op een bepaald moment was hij plots van de aardbol verdwenen. Jules Van Damme was de enige die echt wist waarom.

Duitse naam hebben is gelijk aan  collaboratie tijdens WOI

De groeiende haat voor iemand met een Duitse naam was één ding. Maar in Café Rubens had de edelman tijdens een feestje ook een arbeidersmeisje zwanger gemaakt. Met groot geld en veel beloften krijg je arme meisjes moeiteloos in bed. In tempore non suspecto had de hele toog mee gebulderd van het lachen.
Mijnheer doktoor en enkele directeurs van de grotere bedrijven in het dorp konden er ook wel wat van. Men keek in die periode niet  op een bastaardje meer of minder. Even de portefeuille open, een vriendelijk bezoekje van mijnheer pastoor, mondje dicht en iedereen was het vergeten. De komst van de Duitsers
had de geheime tortelduifjes in hun prille geilheid niet tegengehouden. Maar na een jaar lag het voor een volwassen bronstige man met een Duitse naam en de jonge hitsige hinde lichtjes anders. Het zwangere tienermeisje en haar ouders verdwenen op hetzelfde moment richting Gent of verder. Jules Van Damme
beloofde zijn vriend dat hij het kindmoedertje en zijn vrucht zou helpen wanneer hem dat zou gevraagd worden, in de toekomst. Tegen
het einde van het eerste oorlogsjaar stond de Villa Von Siegesar leeg. Jules was de laatste geweest die hem sprak. In Sleidinge dacht men
dat Harald von Siegesar de vlucht vooruit had gekozen naar zijn vaderland. En het zwangere barmeisje en haar familie? Uit het oog, uit het
hart. Daar lag geen dorpeling wakker meer van. Die Grote Oorlog ’14-’18 was geen gemakkelijkenperiode voor de Van Dammes. Als stielman
konden schilders nog af en toe wat werk doen voor boeren die het zich konden permitteren.

Ziek als kind

En voor het Duitse leger schilderde hij de Villa von Siegesar opnieuw, om in te richten als hoofdkwartier. Daardoor kreeg hij ook enkele nieuwe opdrachten binnen. Maar het werken voor de Duitsers is hem net na de oorlog wel kwalijk genomen door de dorpsgenoten. Vooral die dorpsgenoten die ook fruit, fruitbakjes, metaal, geneeskunde en zielenheil uit de hemel aan de Duitse soldaten verpatsten. Het duurde, na 1918, nog maanden soms jaren dat soldaten
terugkeerden uit de hel die de Westhoek was geweest. Vele weduwen rouwden jarenlang voor hun helden die er achtergebleven zijn
en Sleidinge had na 1920 nood aan nieuw optimisme en aan vooruitgang. Langzaam maar zeker begon Café Rubens opnieuw te bloeien en
de jonge Arsène groeide op in een voorspoedig gezin, mét hondje en met een mooie tuin. De heropbouw had iets romantisch in Sleidinge. Von
Siegesar en zijn onechte dochter Hilda zaten al in een ver geheugen bij Jules en zijn echtgenote Madeleine. Mijn vader Hedwig mijmert over
zijn vader, de zoon van Jules. “Pépé Arsène ging naar het college in Merelbeke. Maar als tiener is hij heel erg ziek geworden. Hij heeft maanden in
de kliniek gelegen en het heeft weinig gescheeld of hij was overleden. Over de ziekte zelf werd thuis nooit gesproken. Ik weet daar niets over”, vertelt Hedwig. “Op oude kaartjes kan je wel de gesprekken met zijn mama lezen. Over hoe het met de hond is en hoe de familie, ook die uit Mechelen, zich heel erg bekommerde om enige zoon Arsène. Na zijn ziekte was de schoolachterstand wellicht zo groot dat hij zich inschreef in het Gentse Sint-Lucasinstituut en hetzelfde beroep aanleerde als vader Jules. Arsène werd, net als zijn verre neven in Sleidinge, schilder-behanger.” Toen Arsène trouwde met de molenaarsdochter Maria Taets uit Lembeke kon hij de zaak van vader Jules overnemen en begon hij te bouwen in de Weststraat. We sprekenjaren dertig. We spreken burgemeestersstrijd in het welvarende dorp Sleidinge.

De Belgen lijken wel met velen en ze
hebben echt niets meer te doen
Zie ze lopen daar in de Hemel, ze
kijken terug op de tijd van toen
Het voelt verlaten, de vinylplaten, de
groeven en de stilte van het stof
De helden zijn verraden, de vinylplaten,
verhalen zijn er nog maar klinken dof

Je kiest partij. Of je dat nu wilt of niet. In een dorp stop je jezelf niet weg. Was ook zo voor de jonge Arsène. Zijn vader had de rederijkerskamer. Hij wou zich cultureel manifesteren in de muziek. Hij werd klarinettist in de Harmonie Sint-Cecilia. In de volksmond: het ijzeren muziek. Door muziek
te spelen koos Arsène partij. Logisch, hij kwam terecht in de muziekmaatschappij van de ijzeren burgemeesterskandidaat Edgard De Paepe, metaalhandelaar en overbuur naast het voederbedrijf Velleman. Maar voor de houten burgemeester Maurice Ghijsbrechts en zijn aanhangers was dit dus een verkeerde keuze.
De Von Siegesar-kwestie, waar Arsène niets mee te maken had want toen vier jaar oud, kwam opnieuw ter sprake. Er werd lacherig over gedaan aan de toog. Een grapje aan de toog van een ijzeren café, werd een stuk scherper gesteld aan de toog van een houten
café. Zo scherp dat houten cafés gemeden werden. Behalve als het kermis was.

Veilig bosdorp Lembeke

Bij de familie van zijn echtgenote Maria Taets in Lembeke en Kaprijke had Arsène dat probleem niet. Heel verre nonkels en nichten kwamen ook uit deze buurdorpen. En de familie Taets had in deze dorpen overal een zegje. Als molenaar had Theofiel Taets, vader van Maria, goed geboerd. Hij kende de waarde van het geld, was een belezen man en investeerde in vastgoed. In tegenstelling met veel families in Sleidinge moeiden de Taetsen zich wel metpolitiek, er werd gehandeld. Boven en onder de tafel. En ook het smokkelgebied aan de Belgisch-Nederlandse grens lag niet ver. Een boer, een molenaar, een belegger moest alle kruimeltjes oprapen om te overleven. En veel kruimeltjes maakten een aardig stapeltje poen.

Dit gezegd zijnde, was Lembeke een totaal andere wereld. Buurdorp, dat wel. Maarmeer ingedommeld, afgesloten. Landelijker. En niet onbelangrijk: tussen Sleidinge en Lembeke liggen de bossen. Lembeke was voor Arsène en Maria ook de plek om op zondag alle besognes van de winkel en de
zaak eens te vergeten en aan de familietafel te genieten van de verhalen en de sfeer.

In Sleidinge hadden de kampen Hout en IJzer er voor gezorgd dat het kamp van de ijzeren oorlogsburgemeester meteen ook een eerder Duitsgezinde stempel op de kop kreeg. De oorlog was er met de Duitse ingekwartierde soldaten ook prominent aanwezig. In Lembeke nauwelijks. En het was in die context dat er, onder auspiciën van enkele Eeklose prominenten (enkele bedrijfsleiders en een pastoor), een actieve ondergrondse cel ontstond. Locatie?
Aveschoothoeve, vlakbij de Eeklostraat. In een waterput een radio en van die dingen. Af en toe iemand verborgen houden. Informatie doorspelen aan Radio Londen. Geen forse heldendaden. Van de meeste van die dingen was Arsène wellicht niet op de hoogte. De familie Taets wel. Maar als hij op pad ging
met de fiets werd al eens gevraagd om langs de haven de wachttorens te tellen. Ook de afstand ertussen. Of eens te luistervinken waar
de ingekwartierde soldaten mee bezig waren.Extra vriendelijk zijn tegen de officieren bij dokter Magerman. Enzovoort. Niets wereldschokkends. Geen heldendaden. Maar via Lembeke kreeg hij wel te horen dat Von Siegesar in Gent was opgepakt. Dat hij een Jood was, maar dat wist hij al. En ook de verklikking van Hilda, die na het inkwartieren van Duitse soldaten bij een bevriende landbouwer in de buurt kon onderduiken.

Verraad en tweespalt in Vlaanderen

Maar ze werd dus verraden. Door iemand op het dorp van Sleidinge. Die naam is nooit bekend geraakt. Maar Arsène ging er zich wel over beklagen bij de oorlogsburgemeester, ooit de patron van de ijzeren harmonie waar hij klarinet speelde. Een buur, een vriend. Dat dacht hij toch. Tijdens de oorlog heeft
hij er alleszins nooit iets van gemerkt. De Duitsers lieten hem gerust, ondanks de heel gerichte klacht. Dus heeft de burgemeester ook wijselijk gezwegen, dat staat vast.

Oorlogsburgemeester zijn, was dan ook geen pretje. Over burgemeester De Paepe in Sleidinge is weinig bekend wat dat betreft, maar zijn collega Van De Wiele in Waarschoot heeft na de oorlog de volle laag gekregen. De repressie was in beide dorpen even hard, maar na de oorlog heeft De Paepe gewoon de draad kunnen opnemen. Hij is toen wel uit de politiek gestapt. En de vete tussen IJzer en Hout is vanzelf opgehouden.

Dat brengt ons naar de Bevrijding. Het Belgische lintje op de vest tijdens de feesten en het smokkelen van Belgische driekleuren, voor de verkoop in de winkel, door de bossen van Lembeke naar Sleidinge in volle aftocht was nog het enige wapenfeit van Arsène want toen hij zag hoe de weerwraak ontaardde in het dorp
en de beperkte voorraad vlaggen in de winkel meteen uitverkocht was, hebben ze het daar maar bij gelaten. Dat, zo werd althans geroddeld, de knecht van de oorlogsburgemeester één van die feestnachten ook een lege metalen jerrycan door het winkelraam jaste, was er zeker te veel aan. Het dorp zat vol wederzijdse haat en hij kon zich als zelfstandige geen verdere stellingname permitteren. “Slecht voor de winkel”, noemde mijn bomma het. Als ervaren glassnijder kon Arsène het winkelraam meteen herstellen en de twee latjes in het vroeger volledige winkelraamzouden de enige getuigen van het voorval blijven. Na de oorlog werd dochter Lydia geboren, Hedwig werd groter en er waren andere prioriteiten, blik op de toekomst nu.

Godverdomme – Woesten

Ze is al jaren dood en toch weet ik het nog
De snoepen uit de kast en de mosselpot
Alles staat nog op zijn plaats in mijn hoofd
In werkelijkheid is alles daar gedaan

Nadenken over vriendschap en platonische liefde op de Vrijdagsmarkt

Honderd Liefdes Sonnetten

Ik zie hier het boekje Honderd Liefdes Sonnetten van Pablo Neruda in mijn kelderkantoortje thuis slingeren en ik moet denken aan een heel korte ontmoeting vorige vrijdag vlakbij de Gentse Vrijdagmarkt. Ik liep er na een etentje en een flesje Italiaanse rode wijn in de Carlo Quinto rond te struinen met mijn maat Peter Ysabie, vermoedelijk de ‘Rocky’ uit Luc De Vos zijn eerste columns. En na een koffie in de Barista aan ’t Groot Kanon hadden we nog meer lol dan drie kwartier tevoren. Tot ik een por in mijn ribben kreeg van Ysabie en een glunderende Elise Bundervoet, ja die van TV -prachtactrice-, voor onze neus stond. Wij kennen haar allebei want we zaten samen op school in Brussel. En ook zij kende ons nog, godbetert. Meer nog, die stralende blik betoverde ons allebei meteen want ze werd het gespreksonderwerp van de namiddag.

Rondstruinen in Brussel

“Hoe is dat nog met u?”, vroeg ik debiel. Wat is dat voor een vraag eigenlijk? Ik had net koffie gedronken. Dus “koffie?” was nog dwazer geweest. Maar goed, er was chemie en dat vond ik fantastisch. Ze kende ons nog, godverdomme! En toen ze tien minuten later opnieuw voorbij ons fietste, riep Ysa luid “je volgt ons, hé, Elise!”. ‘Rocky’, het kalf. En ik kan me voorstellen dat het ene korte moment dat ze over ons heeft nagedacht, het feit moet geweest zijn dat wij daar, meer dan 30 jaar na ons gezamenlijk niet geslaagd jaar filmschool in Brussel, nog steeds rondliepen als Peppi en Kokkie. Veel te luid zeverend, opscheppend en hopend dat iemand naar ons zou luisteren en ons aandacht zou geven. En dàt cadeau heeft Elise ons geschonken.

Café De Metro

En dan nu de link met Neruda. Het gaat om aandacht geven, liefde geven, met grote ogen naar iemand kijken, blij zijn dat iemand jou ziet en zij jou. Dat mag platonisch zijn, dat geeft niet. Voor een getrouwde vent moet het zelfs. Dat is minstens even sterk. Ik herinner me de eerste keer dat ik het ‘aan’ vroeg bij mijn huidige prachtige vrouw Leen, niet zo heel lang na mijn Brusselse periode (dus ook ongeveer diezelfde 30 jaar geleden). Ik stond in café De Metro in Waarschoot, het huidige Lievegem, en het zou moeten gaan gebeuren, toen. Ik ging haar mee uit vragen. Uiteindelijk heeft mijn vriend Nico het moeten doen, ik was te zenuwachtig. Er was ook die platonische klik en eens samen, na de eerste kus aan de Bevende Hazelaar een dag later, was de Nerudiaanse liefde, le coup de foûdre, een feit. De liefde die blijft duren. Met trouwen in de kerk en al. Heerlijk. Met euforische ups en hartverscheurende downs. Maar nog steeds mét vuur. En twee dochters.

Van min tot onmin

We moeten het niet altijd over het #metoo-roofdier Pablo Neruda hebben die vrouwen verslond en, ja, wellicht zelfs een verkrachter is geweest. Zo leert de geschiedenis ons. Ik onthoud liever Neruda’s geschreven woord. En dan zie ik het zo:

Uit: LXVI-Pablo Neruda
‘k Bemin je slechts omdat ik je bemin
Van min tot onmin kom ik aan bij jou
Ik wacht op jou als ik je niet verwacht
Zo wordt mijn hart verplaatst van kou naar vuur (pasa mi corazón del frío al fuego)

Platonisch graag zien

Vriendschap, platonisch graag zien en vleselijke liefde liggen niet danig ver uit elkaar. Maar er is wel een verschil. Grenzen zijn belangrijk. Peter Ysabie zit in zaal 1. Zijn vrouw Sandrijn in zaal 2, hihi. Mijn eigen madam zit in zaal 3 en zaal 3 is eigenlijk onze slaapkamer, daar komt anders niemand. Elise zat 30 jaar geleden in zaal 2, denk ik. Zo heb ik er nog wel een paar en het is altijd een heerlijk gevoel om dat beetje zaal 2 of zaal 1 in mensen nog te herkennen, ook als het lang geleden is. Ik heb dat met sommigen van mijn oude schoolkameraden, met toogvrienden, buur- of babbelmeisjes en vroegere medemuzikanten. Met anderen is die klik totaal verdwenen. Mensen vragen mensen om aandacht. En dat spinnenweb heeft draadjes die gespannen blijven en andere die verdwijnen of doorgeknipt worden. Dat is het leven en dat maakt het leven mooi. Daar moet ik aan denken als ik dat boekje van Neruda zie liggen op mijn bureau. En aan die heerlijke namiddag in de zon op het terras van de Ventura aan de Vrijdagsmarkt, bij het nakaarten over die wonderlijke ontmoeting met Elise en veel andere zever en hoogtepunten uit ons gezamenlijk verleden. Ik en Ysa, die van zaal 1. En dan met de elektrische fiets via de trambrug over de Gasmeterlaan en naast De Lieve welgemutst naar huis in Eeklo. Naar de keuken en naar de slaapkamer. Aan de voet.

Arsène Zonder Vrees (Deel 1) De cornisse en de oorlog

“Aan de andere kant, op de Vellemanstoren, zat een batterij Duitse soldaten. Zich te vervelen.”

“Ik zie mijn vader staan op de cornisse van dokter Magermans huis, naast de deur. Zeven meter hoog. Hij staat hij in de dakgoot zijn sigaretje te rollen. Ik krijg er koude rillingen van, als ik er aan denk.” Het is één van die zinnetjes waarmee Hedwig Van Damme de aandacht trekt, wanneer hij over bomma en pépé vertelt aan de ontbijttafel. “En telkens wanneer ik het huis passeer, kijk ik naar die kroonlijst en zie ik hem nog hangen terwijl hij het houtwerk aan het schilderen is. Hoogtevrees was aan mijn vader niet besteed.” Rond het huis van Magerman stond altijd een ijzeren hek en één van die spijlen was kapot. Ook daar bleef Hedwig graag bij stilstaan omdat het hem terug flitste naar zijn jongste jaren. “Op de toren van voederfabrikant Velleman aan de andere kant van de Weststraat zat een batterij Duitse soldaten aan de mitrailleur. Zich te vervelen. In Sleidinge was er als soldaat immers geen klop te beleven. De oorlog, dat was elders. Eén van die soldaten wou toch eens de mitrailleur testen en richtte zich op het hek van dokter Magerman. Die soldaat heeft meteen geweten waar elders was, een dag later werd hij op de trein gezet. Eindbestemming Stalingrad. Hij is nooit meer teruggekomen.” Zulke verhalen. Dat is toch echt om van te smullen?

De gedemonteerde fiets

Arsène Van Damme was schilder-behanger in Sleidinge, net als zijn neven Van Damme. Het was een beetje een familieberoep. En toen de schilder-behangers van Sleidinge midden de jaren dertig de Sleidingse Sint-Joriskerk aan het witten waren, had deze hele familie kunnen weggewist worden met één aardbeving. “Mijn pa vertelde dat hij die dag met zijn ladder de toren aan het verven was. Heel lang heeft het niet geduurd maar op de ladder stond hij wel gevaarlijk heen en weer te schudden. Dit had zijn laatste dag kunnen zijn. En ik zou nooit geboren zijn.” Nog zo’n sterke quote. Toch?

Maar het meest beklijvende verhaal is toch wel de aftocht van de Duitsers. “Op het einde van de oorlog hadden de Duitse soldaten één doel: zo snel mogelijk wegkomen. Dat was ook het enige moment dat ze echt gevaarlijk waren”, vertelt Hedwig. “Het is tijdens die aftocht dat ze onze winkel binnen te stormen om een fiets op te eisen. Pa maakte duidelijk dat er geen fietsen in huis waren maar in het magazijn ziet één van de soldaten enkele fietsonderdelen verborgen onder een schilderdoek liggen. Mijn vader had alles gedemonteerd en de wielen begraven in de tuin. Toen gingen ze op ons koertje met een geladen geweer staan en roepen om een fiets. Ik stond tussen zijn benen en kon zo de loop van het geweer zien. Ze zijn uiteindelijk toch afgedropen zonder fiets maar mijn vader heeft na het voorval al zijn haar verloren. Dat dokter Magerman daarna zijn hoofd met röntgenstralen behandeld heeft om de haaruitval tegen te gaan, zal daar niet aan geholpen hebben.”

En zo weten we meteen dat de oorlog wel degelijk een stevige stempel heeft gedrukt op de mensen, ook in een klein stil boerendorp net buiten Gent. Zo heeft elke familie zijn verhalen. Het vliegtuig dat vele tientallen jaren begraven lag in de weiden aan Hooiwege en waarvan alle waardevolle stukken uit de motor gewoon weg geroofd zijn door de buren voor de Duitsers er iets aan hadden, het bombardement op textielfabriek Calcutta en de levens die dat geëist heeft. “Ik zie nog me nog altijd staan, hand in hand met mijn vader naar het tafereel te kijken in de tuin”, biechtte Hedwig later aan de ontbijttafel op. Als je nu de afstand tussen de fabriek en de tuin ziet, dan besef je dat ze daar gewoon met hun neus op stonden.

Ik loop door grauwe straten van een veel te grote stad
Overal soldaten, veel verkeer en alsmaar wat
Ik loop aan De Brouckère, ik vraag me af wat doe ik daar?
Gehuld in machteloosheid in de donkere tijd van het jaar
Ik let nu op de dagen en op het jonge volk
Ik let ook op hun tranen, de oorzaak, het gevolg

Om marchandise naar Brussel

Droom mee met de gedachte aan de treinreizen die bomma maakte naar Brussel om marchandise op te halen voor de winkel. Hoe de verkoopsters hun Jodenster verborgen hielden om niet te veel in het zicht van Duitsers of collaborateurs te lopen. Hoe de handel moeilijker en moeilijker verliep. In de jaren dertig was de groothandel nog voor een groot stuk in handen van Joodse families en zicht op nieuwe investeerders had je tijdens de oorlog niet. Maar bomma was een zakenvrouw en had veel ‘gerief’ ingekocht op momenten dat het slecht begon te gaan. De winkel bleef open. En schilder-behangers hadden nog altijd werk tijdens de oorlogsperiode. Tabak kweekte Arsène Van Damme in eigen tuin en hij maakte zelf sigaren, die ook geld waard waren. De moestuin was een belangrijke levensader geworden. Een prei kostte in de stad nogal wat kluiten.

Die relatieve welvaart was ook de Duitsers opgevallen en toen beslist werd dat er ook soldaten moesten ingekwartierd worden, betekende dat kortelings daarna ook het einde van een poetsvrouw in huis. Hilda, de inwonende poetsvrouw, ging elders wonen en zagen we ook niet meer terug. Haar zorg voor de kleine Hedwig, de Duitse liedjes die ze zong, haar mooie tekeningen en het gezellig samenzijn werd plots een onderwerp dat in huis niet meer mocht aangesneden worden.

De Duitse jongens in huis waren over het algemeen heel beleefd en gedisciplineerd. Eén soldaat speelde heel veel met de kleine Hedwig. Maar in dezelfde periode schilderde er een weggestoken Antwerpenaar (van het huis rechtover) een portret van het kind, zonder dat die Duitse soldaten dat wisten. Het was allemaal heel dubbel. Pépé Arsène en bomma Maria hielden zich afzijdig en zorgden keurig voor eten en drinken. De jongens kwamen niets te kort. En toen hun sergeant het een beetje te bont maakte en ongevraagd de winkel binnenstormde en achter de winkeltoog de huiskamerdeur opende om de soldaten te roepen, schoot bomma zich naar het huis van dokter Magerman en liet ze de dokter aan de officieren vragen om die sergeant een lesje te leren. Aldus geschiedde. En zo werd de rust in huis ook hersteld. Maar het was ook ongeveer het moment dat Hilda wegtrok. Het verdriet voor de verdwenen Hilda was er, maar kon nog onmogelijk ter sprake gebracht worden. De Duitse soldaten begrepen ons Vlaamse dialect niet, maar op het moment dat er cruciale dingen gezegd werden dan bleken ze het hele verhaal wel degelijk te snappen. De stap tussen Duits en Dietsch was immers niet zo groot, zeker niet in die dagen.

Van het echte oorlogsverhaal over Arsène Van Damme en zijn echtgenote Maria Taets kreeg Hedwig signalen op het moment dat de oorlog heel ver weg leek en enkele jaren later de gezondheid van zijn ouders heel snel achteruit zou gaan. Op een familiefeest, jaren tachtig, kwam een medaille ter sprake. Eén van Binnenlandse Zaken, het ministerie. Netjes opgeborgen in een doosje, tussen de schilderdiploma’s in het hippe jaren dertig-bureaumeubel van pépé. Op deze tafel had bomma altijd de boekhouding van de winkel en van het schildersbedrijf zitten doen en schreef pépé met linkerhand zijn facturen in dat plechtstatig en mooi handschrift van hem. Aan dat bureaumeubel zat hij klaar toen stagiair-schilders op zondagmorgen hun pree kwamen ophalen. Niet zelden luisterde de stagiair-schilder naar de naam ‘Van Damme’, verre familie in de leer bij kozijn Arsène. Na het uitdelen van de pree, netjes voorgeteld en in het handje meegegeven door bomma, hield pépé nog wat over om op het dorp wat pintjes te gaan drinken met zijn kameraden. Nooit zat thuis, behalve op de koers. Dan zwaaide er wat thuis. De deegrol.

Harald

Het oorlogsverhaal kent zijn oorsprong op het einde van de Eerste Wereldoorlog. De Gentse edelman Harald von Siegesar had tijdens de jaren tien een schitterende villa laten bouwen in de Weststraat. Hij was één van de dertig rijke Gentenaars die hun buitenverblijf in deze straat ten westen van het driehoekvormige dorpsplein lieten neerpoten. Een buitenverblijf, weg van de onzuivere lucht die textielstad Gent teisterde. Weg van de sociale miserie die er heerste in de binnenstraten van de stad. De ogen dicht voor de opflakkerende strijd. Weggepest. Wie zal het zeggen? De wereldoorlogen blijken niet alleen een toneel van niets ontziend geweld maar zijn ook gespeend van klassenstrijd en wederzijds onbegrip tussen rijk en arm.

Ze keek naar mij er was niets te zien
Knotwilgen buigen over een gracht
In het gras graast een lama
Ze keek naar mij er was niets te zien

Ze keek naar mij die wandelaar
Die achteloos haar tent passeert
Vlaggetjes en vergane trots
Ze keek naar mij die wandelaar

Ze keek naar mij er was niets te zien
In een kooi grauwt een panter
Circus Magic op de dool
Haar zwarte ogen ik passeer
Vriend, zei ze, ik kies mijn vrienden zelf

Von Siegesar was een graag geziene persoonlijkheid in Sleidinge. Hij ondersteunde de rederijkerskamer, gaf graag centjes uit bij de lokale middenstand, had interessante en uitgesproken meningen zonder zich in de lokale politiek te bemoeien en hij was een dichter. Schrijvers en dichters hadden in die periode een sterke aantrekkingskracht op al wie zich uit de boerenklei hogerop trachtte te vechten door in de verkoop te gaan, door een café te openen, door als stielman zich te onttrekken van de moeilijke landbouwerstiel of de niets ontziende fabriek. Harald von Siegesar kwam vaak in Café Rubens. Het café van Jules Van Damme was het lokaal van de plaatselijke rederijkerskamer en verzamelde de dorpelingen van Sleidinge die het, naar eigen zeggen, gemaakt hebben. In werkelijkheid overleefden ze, net als de boer ten noorden van het dorp als de arbeider in het dorp. Ze overleefden door het verlenen van diensten aan de fabriek of aan de boeren. Jules Van Damme was schilder-behanger. Dat treft, met zo’n achternaam.

Peren als Keizerinnen

Hij leukte de kantoren van de textielfabrieken op. Hij verfde de deuren van grote graanschuren en koeienstallen in straten met mooie namen als Wittemoer, Volpenswege, Veldhoek, Zwaantje en Schroonhoek. In het café kwamen ook de bazen van de houtzagerij die overleefden op het maken van houten bakjes voor de populaire fruitteelt in het dorp. Vanuit Sleidinge en omliggend Meetjesland werden bruine kriekperen en keizerinnen (ook peren) getransporteerd tot op de markten van Londen, Brighton en Canterbury. Tijdens de oorlogen namen de Duitsers gewoon die lekkernijen over. Toen ging het richting Aken, Keulen en Mönchengladbach. Metaalhandelaars en lassers waren nodig zowel in landbouwbedrijven als in de fabriek. En verder: winkeliers, klompenmakers, mandenvlechters, metsers, cafébazen, ingenieurs, de directeurs van de melkerij en de voederfabriek, mijnheer doktoor, mijnheer pastoor en mijnheer de notaris. Dat volk dus. Von Siegesar stond daar als rijke edelman ver boven in die toenmalige klassenmaatschappij, maar hij voelde dat niet aan als te gemeen. Op dat vlak vormde hij zelfs een uitzondering bij de Gentse rijke immigranten die de Weststraat kwamen volbouwen met hun maisons de plaisance. In die kringen had men liever niets van doen met het ratjetoe aan Sleidingenaren. Voor hen waren dat allemaal boeren of, slechter nog, proletariaat. Von Siegesar, ook goed gezien in die kringen, trok zich daar niets van aan. Hij hield van de aandacht. Als mecenas van de rederijkerskamer leerde hij Jules Van Damme dus goed kennen voor de oorlog. Ze werden bevriend en Jules bewonderde Haralds dichtkunst. Een wereld opent zich.

Leven als een indiaan, leven als een Viking
Het leven is dan plots gedaan en nu komt de erkenning
Dichtbij een kalkoenenkweker op die groene hoek
Ga ik nu al duizend weken altijd maar zoek
Waar is de adelaar? Waar is de adelaar?

Over meester Walter Verplaetse en Joris De Drakendoder

Was het zijn wijsheid en zijn belang voor het culturele leven in het dorp waaraan hij zijn bijnaam De Boom verdiende? Wellicht niet. Toen schooldirecteur Walter Verplaetse van de jongensschool voor de klas stond, deed hij dat altijd met rechte rug en bewoog zijn bovenlichaam als een kruin op een stevige boomstam bij een windvlaag van behoorlijk wat Beaufort. Verteld werd dat De Boom daar zijn bijnaam aan overhield. Net als zijn broer Joris Verplaetse, schepen, beschikte Walter over het onmiskenbare talent om een hele zaal op zijn hand te krijgen.

Meester Walter, directeur van de school

Met een mooi verhaal, met die typische houterige Verplaetse-houding. En steeds met een goeie mop als uitsmijter. “Trek eens aan mijn mouw, ik krijg mijn jas niet uit”, zei meester Walter. En de braafste jongens vooraan in de klas mochten eens gaan trekken. Maar ze kregen de jas nog niet uit. Toen één van de fellere grote jongens achteraan aan de beurt was, liet Walter los en lag de mouwtrekker pardoes met het achterwerk op de klasvloer. Bulderen. Lachen als therapie.

Dorpeling van de eeuw

Mocht er voor de 20ste eeuw een dorpeling van de eeuw moeten gekozen worden, dan kies je zonder nadenken voor Walter Verplaetse. Er zijn wellicht tientallen helden te verzinnen die mensen gered of geholpen hebben. Maar Walter was in de gemeenschap voedsel voor de ziel van de mensen. Al heel lang fungeerde de familie Verplaetse een culturele voortrekkersrol in het dorp. Ook de zorg voor het erfgoed van het dorp en de interesse in heemkunde had Walter van niet ver geërfd. Zijn vader, Achiel Verplaetse, en zijn schoonvader, André De Coninck, waren hoofdonderwijzer respectievelijk onderwijzer geweest op dezelfde school waar hij directeur was. Beiden ook uitermate geïnteresseerd in kunst, theater en heemkunde. In de familie dan ook klinkende namen als de acteurs Nolle en Oswald Versyp die heel graag terug blikten op hun Sleinse jeugd tijdens vakantieperiodes, broer Joris die als schepen ook hield van de bühne, zijn schoonbroer journalist Bertin De Coninck en zijn neefje Jan die hij helaas nooit professor wist worden, al zou hij daar heel fier op geweest zijn.

Hij was een jongen in nood
En stelde te veel vragen
Zijn bolle wangen rood
Het waren rare dagen

Ik zag hem op Sint-Jacobs
De mens is geen machine
Hij lachte door zijn tranen heen
Zijn foto in een fanzine

Uit: Jongen in Nood – Woesten (CD Waterlander 2017)

Eén van de laatste reizen die Walter en Bérenice deden, bracht hen richting Canada. Op een schip tuurden ze de horizon af en zagen ze walvissen, dat reuzengrote wonder der natuur. Die dag verloor Walter zijn pet in de zee. “Als er iemand in Canada ooit een walvis met een klak op ziet rondzwemmen: het is mijn klak!” Alweer een typisch Walter-grapje. Zulke zaken kon hij in parochiezaal ’t Klokhuis na de repetitie van de fanfare zo smakelijk vertellen bij een goed glas Krüger Export, zijn vaste bestelling.

Iever & Eendracht

Hij wordt gemist. De vader van de theatervereniging, voorzitter en reserve-dirigent naast Germain De Craene bij de ‘houten’ Koninklijke Fanfare Iever & Eendracht, kenner van het Sleinse dialect en cantor bij ontelbare café chantants die losbarstten na alweer een feest in zaal Sanderus. Of het nu om het Sint-Ceciliafeest van de muzikanten ging of een souper van de lokale middenstand, er was altijd wel een Verplaetse die de ambiance verzekerde. Mensen verbinden, daar moest Walter geen moeite voor doen.

Dat was ook op school zo met de leerlingen. Zelden moest de directeur straffen. De Boom dwong respect af zonder dat dit dwingend overkwam. Een praatje was dikwijls genoeg, een kwinkslag of een slimme verwijzing wanneer hij plots de klas binnen kwam om een algemene mededeling te doen. Dan gingen iedereen recht staan. En een half woord was soms genoeg om te begrijpen dat iets anders moest in de toekomst.

Wie was er nooit verliefd op wat Hij maakte?
Zijn wil is niet tot moord in staat, op de maan en op de Aarde
Los van wat iemand ook maar gelooft
Van elke kogel moet Hij balen en elk geweld dat iemand raakt

Ook ik lees Genesis en wat me raakte
Oude boeken van heel veel waarde, op de maan en op de Aarde
Eén letter, blijft geschreven staan
Gelezen zijn ze die verhalen als trucks op markten mensen maaien

Uit: Engelbewaarder – Woesten (Boek en CD De Harmonie WSTN 2020)

Indruk maakte de directeur vooral met zijn verhalen. Er waren twee meesters in de school die een hele klas met een verhaal aan lippen lieten hangen: meester Jozef en meester Walter. Bij Walter viel de kennis van ons dorps verleden op. Hij blikte heel graag terug op de tijd dat er nog maar één meester was voor de hele school en dat er in de klas vele tientallen leerlingen zaten van verschillende leeftijden. “De meisjes vielen vroeg weg om in het huishouden, het klooster of in de textiel te gaan werken. De jongens moesten al van heel jong op het land gaan werken of ook in de fabriek. Af en toe zat er eens een slimme of een rijke in de klas. Die werden dan gepatroneerd door de pastoor of de fabrieksdirecteur en kwamen in het college terecht van de grote steden Eeklo en Gent.” Met zo’n inleiding ga je toch op het puntje van je stoel zitten? Heel subtiel verwees de meester naar de macht van de kerk tegenover het liberale gedachtegoed van enkele rijke burgers als de fabrieksdirecteur en de notaris in het dorp. Maar nooit liet hij het politiek worden. Het was de tijd van de CVP, dorpsheld Wilfried Martens en de slogan ‘omdat mensen belangrijk zijn’. Walter zou daar nooit tegen in gegaan zijn. Maar hij vertelde later wel dat voor hem de komst van Kennedy voor een heel andere wereld had gezorgd, een moderne wereld die hij koesterde. Een wereld in verandering, maar op het juiste tempo en zonder schoppen tegen al te veel heilige huisjes. Walter deed nadenken over die dingen. Zonder beïnvloeding, daar leek het toen toch op.
Een zoon van een invloedrijk schoolmeester tijdens de oorlog moet ook wel wat meegemaakt hebben. Ook hier had de harde repressie na de oorlog wellicht sporen nagelaten.

Punt aan de lijn

Omdat het bij de familie Verplaetse en De Coninck nooit heel erg uitgesproken was, is het nuttig om eens de sprong te maken naar het buurdorp Waarschoot. Waar de schoolmeester met de meeste ervaring na de oorlog directeur had kunnen worden. Had moeten worden, eigenlijk. De meeste dienstjaren, de juiste diploma’s en vanwege autoriteit en pedagogische kennis gewoon de geschikte kandidaat. Punt, andere lijn. Tijdens de oorlog had die meester zich ook helemaal niet met politiek, laat staan met de Duitsers bezig gehouden. Maar als een leerling of een volwassene de meester vroeg om te leren schrijven, te leren rekenen of wegwijs te maken in basiskennis van wat dan ook, dan ging de meester daar ook op in. Ongeacht wie het vroeg. Dorpeling zijn was al voldoende. De meester maakte geen onderscheid tussen gezinnen met of zonder Duitse sympathie, als dat als destijds überhaupt geweten zou zijn. Maar na de oorlog werd de meester hier heel scherp op afgerekend, vaak door mensen die zich tijdens de oorlog heel erg koest hebben gehouden maar bij het ontkurken van de Bevrijdingsfles zich verloren in blinde woede en absurde wrok. De meester mocht zijn ‘sympathieën’ gaan uitleggen, terwijl daar helemaal geen sprake van was. En toen de directeursbenoeming op de agenda stond, enkele jaren na de oorlog, kwam dit allemaal opnieuw boven water drijven. De meester zou nog jaren gelukkig zijn als docent op een college in het centrum van Gent, ook hij bleef heel erg gerespecteerd als pedagoog in het dorp en groeide uit tot één van de belangrijkste heemkundigen van de streek. Zijn poëzie komt nog steeds hier en daar aan het licht wanneer mensen in boeken snuisteren over het streekverleden. Maar tot in de ziel van zijn kinderen en kleinkinderen leeft een wrang gevoel over onrechtvaardigheid die de man is aangedaan.

De moord op Kennedy

Moraal van het verhaal? Meester zijn en kind van een meester zijn in een dorp voor, tijdens en na de oorlog had niet alleen te maken een breed respect die de meeste mensen koesterden en betuigden. Maar het had ook vaak te maken met op perceptie gebaseerde naijver, wrok en frustratie van sommige mededorpelingen. Vaak alleen maar omdat de meester goed had willen doen. In dat laatste zinnetje kan Walter heel erg herkend worden. De Boom had diepe wortels en moest dus met heel veel gevoeligheden en ondergrondse krachten rekening houden. Dat is in het onderwijs trouwens nog steeds zo, maar de oorlog blijkt hierin wel een katalysator geweest te zijn. In die zin was Kennedy voor Walter ook een symbool met tijdsbetekenis. Begin de jaren zestig begon de grip van ‘het systeem dorp’ een klein beetje te milderen. Er kon al eens gezongen worden van ‘I wanna hold your hand’ en ‘Iedereen is van de wereld/De wereld is van iedereen’.

Het was die uitdaging, namelijk het stroevere verleden verbinden met die binnenstormende moderniteit, die Walter op een grandioze manier heeft doorsparteld. En toch met eerbied voor de traditie die zijn vader en schoonvader hem hadden voorgedaan: de liefde voor het verleden, de verwondering voor kunst en de verbeelding van onze taal. Dit brengt ons bij de Lieven Teirlincks, André De Conincks en Achiel Verplaetses die Walter waren voorgegaan en onderwijsgeschiedenis in het dorp hebben geschreven. Die ook met Harald von Siegesar in die centrale plaats naast de toren in de Weststraat culturele plannen bekokstoofden, die in Café Rubens discussieerden over taal en toekomst, die van grappen en grollen een kunst maakten en die droomden van theater, een nieuwe wereld, de muze. Tot twee oorlogen volgden. Hier ontstond het verhaal van de meizangers die tijdens de vijfde maand van het jaar van huis tot huis in het dorp gingen aankloppen en eeuwenoude deuntjes zongen. Van de meibomen richting Evergem en Waarschoot waarvan nu nog de Bevende Hazelaar aan de Lembeekse Bossen als stille getuige geldt. Een linde, dames en heren, waaronder gepelde hazelaarnootjes werden gevonden van landbouwknechten die er ’s middags een uiltje knapten of even van de rust genoten tijdens een lange dag hard labeur. Vruchtbaarheidsriten die volgens deze creatieve vrienden al van voor het christendom uitgevoerd werden op gemeentegrenzen met verwijzingen naar de goddelijke figuur Mithras die zelfs de oude Romeinen importeerden uit het oude Griekenland en zij dan weer uit vroege beschavingen in Turks Klein-Azië. Wat is de cirkel rond als je nu door Oudburg en de Sleepstraat in Gent kuiert! Wat is de cirkel rond als je nagaat hoe oud Café Den Turk in de voormalige Borluutstroate en even verderop het voormalige uitgaandersparadijs Klein Turkije je weg kruist door de Vlaamse versie van een Vurige Stede.

De fabriekspoort blijkt gesloten
In een straat, de Wittemoer
En een nieuw klein achterpoortje
Is er dit keer niet van gekomen
Wel meer dan twaalf oude namen
En beken melk, werkersverdriet
Joris De Drakendoder is de held van het dorp
Joris De Drakendoder, de Turk die niemand stopt.

Uit: Joris De Drakendoder (De Constateurs Sleidinge 2015 en Woesten-demo ‘Dichtbij een kalkoenenkweker op die groene hoek’ 2015)

Dat Harald von Siegesar zo hard aangepakt was tijdens de Eerste Wereldoorlog en los van het verhaal dat al die meesters, ja of neen, iets wisten over het bestaan van Hilda en de oorsprong van deze familie met Duits klinkende naam. Daar is echt niets over geweten. Dat Walter hierover onderzoek verrichtte, dat staat buiten kijf. Alles wat enigszins kleur gaf aan zijn dorp, wilde Walter weten.

De Toeter in Kaprijke: hoofdonderwijzer met kiel

In die zin waren de schoolmeester uit Waarschoot en veel van zijn collega’s-hoofdonderwijzers in de onmiddellijke omgeving echte voorbeelden voor hem. Nieuwsgierigheid was de charme waarmee de hoofdonderwijzer in het dorp zijn gezag onderbouwde. Walter was bij uitstek het prototype van dat soort prachtige mens dat Vlaanderen gevormd heeft. De man in de kiel zoals kunstenaar Philip Aguirre, neef van Phara de Aguirre, uitbeeldt op het Plein van Kaprijke in het kunstwerk ‘Man met Toeter’, een allegorie op het lied ‘De Vlaamse Leeuw’. Ver gezocht? Neen! Die hoofdonderwijzers van ons dorp stonden daar met de kiel aan de stoof, en het krijt in de hand, vaak ook duivenmelkers en vooral mensen die met hart en ziel stonden voor hun dorp en leerlingen. Uit die traditie kwam Walter en die traditie, die harmonie, kon edelman-dichter Harald von Siegesar zo ontroeren. Wat een spiegel kreeg Harald voorgeschoteld in dat culturele middenstandsvolkje van het dorp, dat door de andere kasteelbewoners van de Weststraat zo geminacht werd. Uit onwetendheid, vlindertje! Pure onwetendheid!

(Dit hoofdstuk ‘Walter’ werd geschreven door Bart Van Damme en staat in het boek mét CD De Harmonie WSTN dat in 2020 werd uitgebracht door Woesten)

Schooldirecteur en duivel-doet-al Walter Verplaetse had altijd een bierkaartje of stukje papier bij. Als hij een Sleins gezegde of woord hoorde, schreef hij het op. Zo werkte hij stelselmatig verder aan zijn Slèjnsn dieksjonnir. Helaas zou die nooit verschijnen… Met Walter Verplaetse verdween een man die op veel jongens uit het dorp een grote indruk had gemaakt, hij was één van de eerste toets-stenen van onze opvoeding en hij nam die taak ook heel ernstig. Verder hield Walter vooral van zijn dorp, zijn familie, geschiedenis en verhalen. Ik ben blij dat ik ‘dat houden van’ zo kan koesteren. Bedankt Walter!

De foto van Walter plukten we uit de interessante website Sleins Archief en bevat ook een deel van een pentekening over het Meetjesland die Jan Verplaetse en Isabelle De Wulf me schonken, het hing ooit in het (verdwenen) huis van Walter.

Op facebook kregen we enkele deuggdoende reacties. Ignace Criel liet ons weten dat zijn nonkel Walter hem nog zelf vertelde dat bijnaam ‘De Boom’ vooral te maken had met zijn houding op de fiets, ‘mijn’ meester Willy Slock van het tweede studiejaar was ook enthousiast en liet me mijn tekst aanpassen in verband met de hoofdonderwijzers van de school, mijn lijstje klopte niet. Filip Bruneel vertelde dan weer een leuk verhaal over de échte oorsprong van Klein Turkije in Gent. Dit komt niet van het land Turkije maar is een verbastering van de uitdrukking ‘Ter Keien’, langs dit pad werd over de keien de haven bereikt met ‘marchandise’ zoals ze dat in het schoon Gents zeggen. Filip vulde aan dat Cataloniëstraat trouwens ook niets met geografie te maken heeft maar een verbastering is van Katteloigne, plek waar veel katten waren.  

 

Interview met Goes en Micha in 2012, Rock ‘n’ Roll Niemandsland

Michel Goessens (Aardvark) en Micha Vandendriessche (Drummer, toetsenist): “Wij tegen jullie”

Aan de frituur rechtover het kerkhof in Sleidinge haal ik Michel Goessens van Aardvark op. Eén van mijn helden. Al weet ik ook wel dat idolatrie een belachelijke hobby is. Maar het hoort wel een beetje bij rock’n roll, vind ik. Ons reisdoel is duidelijk: Ronse. De reisweg compleet onduidelijk. Whatever. Ik zit met Michel in de auto. Ik verveel me geen moment. En de reis gaat naar Micha Vandendriessche, mijn maatje. Twee aparte muzikale verhalen, die af en toe samen sporen. En ik? Ik voel me bevoorrechte getuige. Twee helden uit mijn achtertuin. Waarvan één de vlucht naar de Vlaamse Ardennen heeft genomen. Niet zo zot ver van waar Jasper Steverlinck woont, trouwens. Maar daarover straks meer.

Micha woont er bucolisch, moet ik zeggen, daar in het buitenaardse Ronse. ‘La petite France’ noemen ze deze streek. De picknick staat er nog op tafel. Het flesje wijn, de geitenkaas, een profiterolleke. Carpe diem. Had ik iets anders verwacht? Michel Goessens is de jongen van mijn dorp die met Aardvark een indrukwekkend muzikaal project uit de grond heeft gestampt. Inhoudelijke meerwaarde, artistiek to the point, teksten die aangrijpen. Alles wat me aangrijpt in muziek.  Micha is dan weer de muzikale duivel-doet-al en één van de weinige mensen die ik goed ken die ooit op Rock Werchter hebbengespeeld. Ik heb dat concert gezien. Laten we beginnen bij het begin.

Van Invoice tot Eskimo

“Als zestienjarige kon ik mee naar een concert van Wah Wah, een postpunkformatie uit Sleidinge”, vertelt Michel Goessens. “Als roadie voor Kurt De Blaere, de enige in de streek met ritmeboxen, sequencers en synthesizers. Tijdens de soundcheck pingelde ik wat op Gerrit Van Hecke zijn gitaar en voor de haan driemaal kraaide werd ik ingelijfd. Als gitarist.” Wah Wah bestond al een tijdje. Met Gerrit Van Hecke, Marc Verslycke en Jan Ghysbrecht. Drummer Tony Meiresonne speelde er toen al niet meer bij. Gerrit Van Hecke speelde ooit in de groep bij een overleden nonkel van de Cats in the Attic-bassist Nico De Bleye. Sleinse punkgeschiedenis. Net als Wah Wah. De groep stierf een stille dood. “Op dat ogenblik werd Invoice boven de doopvont gehouden. Wij speelden ons eerste concert tijdens het reeds lang verdwenen Belgian Rock Concours, een te duchten concurrent voor Humo’s Rock Rally. Met Kurt De Blaere op synth, Marc Verslycke op bas en Pat Vermeulen (The Paranoiacs) op drums.”

Na heel wat wissels en verschillende muzikale watertjes doorzwommen te hebben, zag Eskimo het levenslicht. De bezetting? Bassist Luc Soetaert (won in 1988 als gelegenheidsbassist samen met Ze Noiz Humo’s Rock Rally), drummer Luc Verhé (die met ‘Vibø Plastic’ en ‘Betty is a Bitch’ heel wat potten brak) en gitarist Pat Mo (van de legendarische bluesformatie Dirty Fingers) “A match made in heaven”, noemt Michel het. Eskimo won Kort Gerockt met finale op de Gentse Feesten. “En Eskimo speelde op heel wat festivals doorheen het Vlaamse Land. We haalden zelfs het groot podium van de Lokerse Feesten.” Muzikanten kwamen en gingen tot uiteindelijk ‘Beaver Junkie’ als powertrio overbleef. “Ik blijf dat een machtige groepsnaam vinden”, lacht Michel.

Kaya met Jasper Steverlinck

In die periode raakte een heel jong manneke in de ban van rock’n roll. “Ik zat in het vijfde middelbaar in 1990”, vertelt Micha. “Mijn vriend Bart Van Hoorebeke had een gitaar gekocht. Ik wou een drum kopen. Mijn eerste stapjes in de muziek. Kacheena heette deeerste band. Eén keer opgetreden bij de scouts in Evergem. Ik zat samen op school met Nico De Zutter, in Glorieux Oostakker. Nico had een basgitaar en hij kende twee gasten uit de school HIGRO in Mariakerke: Kristof Van Driessche en Jasper Steverlinck. Kristof had ik wel al eens gezien. Jasper kende ik helemaal niet. De deal was dat Kristof zou drummen, Jasper zou zingen en gitaar spelen, Nico zou bassen en ik speelde toetsen, geleerd op de oude hammond van mijn vader. Ik heb me dan zo’n Casio-ding gekocht. Eigenlijk konden we alle vier niets. Of toch bitter weinig. Kaya was geboren. En ik onderhield mijn drumspel bij een obscure hardcore punkgroep waarvan de zanger nooit wou optreden.”

Maar Kaya liep wel als een trein, niet in het minst door de indrukwekkende stem van Jasper. En de ongedwongen muzikale inzet van de drie anderen. “Twee repetities per week en zoveel mogelijk optreden.” Gouden tijden. Ik was fan. Jasper zong toen al als een engel. Kristof, Nico en Micha groeiden in hun rol, maar niet snel genoeg voor het talent dat Jasper is. De stap richting Arid zou niet lang op zich laten wachten. Wat er ook van zij, uit Kaya zijn vier puike muzikanten voortgekomen. Vier mijnheren.

Engels of dialect?

Aardvark ontstond door toedoen van drie belangrijke gebeurtenissen in het leven van Michel Goessens. “Ten eerste mijn ontmoeting met muzikale bloedbroeder Werner Dumez, toenmalig zanger/ harmonicaspeler van Dirty Fingers. Ten tweede een stom verkeersongeluk waardoor ik de rest van mijn dagen verplicht werd om op een stoel te zitten tijdens het performen. De derde bepalende gebeurtenis in mijn leven heeft meer weg van een aha-erlebnis. Had te maken met het theaterstuk ‘De drumleraar’ van Arne Sierens met Marijke Pinoy en Jan Steen. Het hoofdpersonage is op tournee door Engeland en belandt met zijn camionette in de sloot. Hij weet niet hoe hij een takeldienst moet opbellen. Zingen in het Engels, dat ging dan wel. Maar praktisch iets regelen, ho maar. Dat was een stuk ingewikkelder. Op dat moment vielen ‘de schellen’ van mijn ogen.” Er zijn nog enkele Engelstalige Aardvarknummers gevolgd. Maar dat heeft niet lang meer geduurd. “Niet lang daarna heb ik al mijn Engelse teksten ritueel verbrand”, grinnikt Michel. “Ik ben als een indiaan rond het vuur gaan dansen en ik wist dat zingen in het ‘Sleins’ voortaan mijn roeping was. Het onderwerp van mijn liedjes is niet zodanig radicaal gewijzigd. Maar in het dialect bekt het beter. Ik heb het gevoel dat ik de mensen beter kan raken. In Holland of Limburg hoeven ze niet alles te snappen om te weten waarover het gaat. De boodschap komt over.”

AncienneBelgique

Volgens Michel kreeg Aardvark het mooiste compliment van Kimmie Rhodes, buurvrouw van Willie Nelson. Zij zei na een Aardvark-concert dat ze niets had begrepen van de teksten maar perfect had aangevoeld waarover het ging. “You can feel it comes from the heart.” Michel Goessens had zijn muzikale richting gevonden. “Ik moet zeggen dat de Nekka Finale wel de doorbraak betekend heeft. We werden laureaat van de Kleine Avonden-tour en wonnen de AB-prijs. Een prijs die de toenmalige directeur Jari Demeulemeester van Ancienne Belgique in Brussel daar ter plaatse uit de hoed toverde om ons persoonlijk te kunnen lauweren. Dat heeft een ‘boost’ gegeven. De samenwerking met mijn maatje Werner Dumez, zanger-mondharmonicaspeler, sloeg gensters. Niet in het minst omdat onze stemmen echt op elkaar ‘blenden’.” Micha beaamt. “Klasse, hoor. Die twee. De verhalen van Michel, de klik met Werner en het dialect. Het past allemaal zo vlot samen. Chapeau.”

En zo kwam Micha ook in het verhaal terecht. Met Aardvark deLux breidde Michel zijn groep sporadisch uit tot een achtkoppige band waarvan Micha jarenlang vaste drummer was. “Ik leerde Michel kennen bij de Zes Van Gent waar we vaak kwamen kijken. Onder andere in Tierlantijntje in Belzele. In de loop der jaren fantaseerden we vaak over een eventuele samenwerking. En met een eerste opname van Aardvark was het zo ver. Zo ben ik bij Aardvark deLux terechtgekomen. Ondertussen speel ik niet meer bij Aardvark & De Zandmannen. Maar we hebben toch samen een criminele tijd beleefd. Musiceren op hoog niveau, zonder al te veel ‘moeten’ en ‘dwang’.” Aardvark heeft zijn stempel gedrukt, niet alleen op het Gentse maar op heel Vlaanderen. En het aantal copycats is ondertussen niet te  tellen. “Maar Michel en Werner mogen zich pioniers noemen”, besluit Micha.

Eddy Wally

Een absoluut hoogtepunt in de gezamenlijke carrière van Michel en Micha was het optreden in het Sportpaleis, ter ere van 75 jaar Eddy Wally, onze bekendste muzikale streekgenoot. “Eens je op dat podium staat voor 10.000 mensen geeft dat toch een enorme kick”, zegt Michel. “Wij tegen jullie. Dat gevoel”, lacht Micha. “Dat was toch even schrikken. Je mag geen enkele fout maken. Het moet allemaal kloppen. Dat maakte ik ook mee met Thou toen we één keer in Werchter en twee keer op Pukkelpop mochten optreden. Toch een apart gevoel, moet ik zeggen. En toch. Voor je het weet is het voorbij. Dat gevoel maakte ik ook mee met De Laatste Show, waarvoor we een week lang de muziek mochten verzorgen met ’t Schoon Vertier.”

“Zal ik eens wat zeggen?”, komt Michel tussen. “Natuurlijk onthou je een passage  in het Sportpaleis. Maar ik speel net zo graag en zo intens in iemands huiskamer. Ook daar beleefden we met Aardvark fantastische hoogtepunten. Als ik iemand echt emotioneel kan raken met mijn verhalen. Dat maakt muziek maken zo interessant. Net als de vele ontmoetingen met klasse-muzikanten op mijn pad zoals Ht Roberts, Gijs Hollebosch, Niels Delvaux, Mario Vermandel en Jan Borré waarmee ik nu Aardvark & De Zandmannen vorm. Ik heb wat dat betreft al heel veel geluk gehad.” Geluk dwing je af.

Rios

Ik wil ook even het verhaal horen van Micha en Gabriel Rios. “Gaby?”, lacht Micha. “Dit geloof je nooit maar ik leerde Gaby kennen via de Evergemse rockformatie Fobia. Luce Beule van Fobia had een kleine Puertoricaan uitgenodigd om de repetitie bij te wonen. Gaby heeft ook effectief(heel eventjes maar) gespeeld bij Fobia.” Fobia is de Meetjeslandse groep die mag prat gaan op het hoogste ‘sex, drugs & rock’n roll’-gehalte vind ik zelf. Klassegitarist die Luce Beule, maar volgens de legende geen land mee te bezeilen. En Fobia, dat is veel legende, veel mythe, veel caféwijsheid in één band.

“Ik vond het wel tof om daarbij te spelen. Luce was mijn buurman in Belzele en ik vond hem te gek. Ik heb hem enkele keren op mijn eigen toilet teruggevonden, omdat hij te lui was om zelf om WC-papier te gaan naar de winkel. Zijn siersparren reikten tot in de blauwe Evergemse hemel. Als je van Spinal Tap wil spreken…” Tussen dat zootje ongeregeld ontmoette Micha dus Gabriel Rios. “Gaby was op zoek naar een muzikaal verhaal na Nothing Bastards, zijn eerste band. Ik werd toetsenist en percussionist bij L-Santo. Gabriel Rios was een supertalent. En dat is de jaren erna ook gebleken.” Nog zo’n topper waarbij Micha een muzikale rol speelde. Jasper Steverlinck, Aardvark, Gabriel Rios, Anton Walgrave, Tom Wolf, An Pierlé, Satellite City, Thou. Indrukwekkend rijtje voor een muzikant uit onze achtertuin. En dan ben ik nog iets met Roos Van Acker vergeten, denk ik.

’t Schoon Vertier

Die voortdurende samenwerking met klassebakken bracht Micha tot de conclusie dat hij ook zelf als songwriter meer aan de slag wou. Met ’t Schoon Vertier heeft hij de Gentse fanfaremuziek,l compleet dood,  nieuw leven ingeblazen tot een modern concept met topmuzikanten. “Ik speel graag muziek en de dienende rol is best leuk. Maar zelf schrijven aan je nummers en een muzikaal concept uitwerken is toch het allerhoogste. Bovendien had ik in andermans project soms het gevoel een geldspeler te zijn. Dat geeft ook druk want fouten worden niet geaccepteerd.”, aldus Micha. En kijk, ook daar bij ‘t Schoon Vertier ging Michel een tijdje de troepen versterken. “Leuk, maar ik heb van mijn focus op Aardvark dan toch op een bepaald moment een prioriteit gemaakt. Even goede vrienden weliswaar.”

Op de terugweg praten Michel en ik nog wat na. Of ik naar ’t Zesde Metaal al geluisterd had. Dat nummer ‘Ploegsteert’ over Frank Vandenbroucke. Mega. Ik hoor Aardvark. Meer bij Wannes Capelle dan bij andere ‘dialectrock’ zoals Flip Kowlier en aanverwanten. ‘Kleine’ Wannes vertelt ook echt. Net zoals de ‘Grote’ Wannes trouwens. En net zoals Aardvark. “Meen je dat echt? Allez bedankt.” Met een
Waalse ventenkus nemen we afscheid.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Niet lang na dit interview in 2012 besloot Michel Goessens om helemaal solo te gaan en kwam een einde aan de jarenlange samenwerking met Werner Dumez. Nu toert Michel als Goes (of Goes & De Gasten)  ononderbroken door Vlaanderen. In begeleiding met zijn zoon, de drummer Natan Goessens, kletst de magie bij wijlen van de muren in de diverse theaterzalen die zijn aandoen. Hij is zelf geen fan van Bob Dylan maar als er iemand zich de bijnaam ‘bard van het Meetjesland’ mag aanmeten, dan toch M’zel ‘Goes’ Goessens.