Nadenken over de energie van een kampioen

Regenachtige zaterdag voor Pinksteren

Eind mei 2021 slaat niet de droogte maar de vochtigheid toe op een zaterdag, niet de opwarming van de aarde maar de kilte van de schreiende landerijen tussen de stadskern van Eeklo en de Lembeekse Bossen. Ik kan er alleen maar met tranen in de ogen zitten naar staren. De renners zijn net de Zoncolan in de Giro d’Italia opgeknald en voor de tweede keer deze week zit de hele natie mee te luisteren en kijken op een slechte Italiaanse website om maar een glimp op te vangen van onze nieuwe kampioen Remco Evenepoel. Maar net als het weer, lost de Heilige Remco (of moet ik Rembo zeggen?) de verwachtingen niet in. Op hetzelfde moment host een zwaar bewapende soldaat in de Limburgse bossen rond op zoek naar aandacht en hij krijgt waar voor zijn geld, het nieuws gaat over niets anders namelijk het feit dat ze hem, korporaal Jürgen, niet vinden. Alweer een desillusie. En zo sleep ik mij door deze druilerige zaterdag voor Pinksteren.
Nog voor Remco deze week de eerste keer het hoofd moest buigen wegens een gebrek aan stuurkunsten, op de Brunello-grindpaden rond Siena, schreef ik een lied. Het is te zeggen, de tekst van een lied. Over Remco inderdaad. Maar vooral over onze verwachtingen in het leven. De verwachtingen van ons, de Belgen, de klagers, de zagers, de dromers en de werkers.

Ik schreef het lied omdat onze drummer Kristof een post plaatste over Frank Vandenbroucke, de overleden renner. Hij liet me nogmaals genieten van het prachtnummer ‘Ploegsteert’ dat Het Zesde Metaal hierover schreef. En hij vroeg zich af wie ooit over kampioen Remco zou schrijven, mocht ie ooit dezelfde verwachtingen niet inlossen die Frank niet kon inlossen. Ik besloot het dan maar zelf te doen, dat nummer schrijven. We zijn er nog aan bezig, het lied bestaat nog niet.

De Kampioen

De jongen klimt en volgt twee anderen / De adem stokt, de klim verandert / Het gaat nu echt wel razend snel / Maar Remco achterhaalt hen wel / Daar komt een bocht, hij even blind / De wereld stopt, hij vliegt gezwind / In de ravijn van Lombardije/ Hij kon niet verliezen, dit was het, zei je

Rustig maar, ik word kampioen / Ik beloof het écht, ik ga het doen
Rustig maar, ik kom terug/ In Italië, voorbij dezelfde brug

Ze hijgen en ze schrijven maar / Hij wint de Tour, ja was het maar / Laat ons eens dromen, weer een Belg / Laat hem groeien, onze jongste telg

Rustig maar, ik word kampioen / Ik beloof het écht, ik ga het doen
Rustig maar, ik kom terug / In Italië, voorbij dezelfde brug

De fiets schrijft onze geschiedenis / Eddy Merckx, de erfenis / En hoop doet leven, dat is waar / Maar ook de fabel, het gevaar

Rustig maar, ik word kampioen / Ik beloof het écht, ik ga het doen
Rustig maar, ik kom terug / In Italië, voorbij dezelfde brug

Discussie over de toekomst van energie in Vlaanderen

Wielrennen is een metafoor voor het leven. Voor mij is wielrennen nog meer het metafoor voor energie. Wanneer etaleert de kampioen dat hij energie over heeft op de rest van het pak? Wanneer spaart de kampioen energie? Hoe gaat het spel van de energie van een kampioen tegenover zijn concurrenten in het peleton evolueren en is dat allemaal perfect voorspelbaar? Heeft de kampioen een extra pilletje genomen om energie over te houden of gebeurt het allemaal mooi volgens de regels van het spel?
Diezelfde regenachtige zaterdag kom ik zelf ook in de arena van het gelijk en het ongelijk terecht: Twitter. Een discussie over energie. Op Twitter kan je debatteren over links en rechts, over korporaal Jürgen en de Giro, over racisme en ongelijkheid maar nergens wordt het debat smeriger en harder gevoerd dan als het over energie gaat, met name over kernenergie. Ik durf alleen maar te fluisteren. Is kernenergie het ‘extra pilletje’ of moet het behoren tot de regels van het spel? Ik neem jou even mee in mijn logica. Hier alvast een lied.

De Grote Leugen

Laat mij beginnen met een non-argument. Ik was nog 16 toen de reactor in Tsjernobyl ontplofte en dat heeft op hele generaties in het toenmalige Sovjetunie maar ook bij ons in Europa nogal wat indruk gemaakt. Ik heb dus wat achterdocht te verwerken wanneer iemand de loftrompet voor nucleaire energie bovenhaalt. Het is trouwens als gevolg van dat argument én omdat in Europa de vooraf ingeschatte leeftijd van de kerncentrales op hun einde begonnen te lopen dat Duitsland in 2002 besliste om de centrales te gaan sluiten en België een jaar later.

Ondertussen zijn de centrales dicht in Duitsland en bij ons zou het nu in 2025 gaan gebeuren. Bij ons zal het ook een extra dobber worden omdat de regering in 2014 er alles aan gedaan heeft om het proces van wat ze in Duitsland ‘Die Wende’ noemen, te vertragen en tegen te gaan. Vuile politieke spelletjes, zo kennen we onze pappenheimers. Daarom ben ik me hierin eens gaan verdiepen. En ik heb de link met koers gevonden. Deze strijd, het is een strijd, gaat over etaleren, sparen, het spel van de concurrentie, (on)voorspelbaarheid, evolueren, extra pilletjes, de regels van het spel, schaarste, vraag en aanbod.

Gas

Ik heb het idee dat wij in ons land een aantal troeven hebben die we in de strijd kunnen gooien. Als land aan de Noordzee met schitterend uitgeruste havens als Antwerpen, Gent, Oostende en Zeebrugge zijn wij in staat om op zee beheer te doen, vervoer te organiseren en grondstoffen te halen uit de hele wereld. Vooral die laatste haven heeft, samen met Rotterdam, de belangrijkste gasoverslag ter wereld in handen met een Europees netwerk aan leidingen. Een degelijk tegengewicht ten opzichte van Rusland dat met de dreiging van het dichtdraaien van de gaskraan al jaren op Oost-Europa, Frankrijk en Duitsland een belangrijke geopolitieke invloed heeft. Wij zetten daar als Benelux gas van Qatar of elders in de wereld (Indonesië, Venezuela, Golf van Mexico, Schotland, USA, Noorwegen…) tegenover. Dat is belangrijk. Ook in de wetenschap dat CO2-uitstoot momenteel heel veel schade aanricht maar dat daar oplossingen voor bestaan die momenteel heel erg in opmars zijn (hergebruik CO2-gas in de industrie en in onze havens, opslag onder de grond).

Wind

Ook windenergie is voor Vlaanderen een sterke troef. In de Noordzee beheren wij nu het grootste windmolenpark maar tot voor kort kon, ook door politieke spelletjes, niet al die energie aan land komen. Leidingen te zwak. Zie Balgerhoeke. Ook aan land heeft Vlaanderen in de havengebieden en op windrijke plekken een enorme inspanning gedaan. Groot nadeel van wind- en zonneënergie: soms is er te veel aanbod, soms te weinig. Met de kerncentrales van Doel en Tihange erbij betekent die dat we soms met energie-overschotten zitten waar groenestroomcertificaten worden voor betaald (welke lul heeft dat uitgevonden? Gemeenschapsgeld voor energie die de lucht in vliegt) maar ook momenten dat we te weinig energie hebben waardoor we in Frankrijk extra kernenergie moeten ‘shoppen’. Voor die pieken en dalen bestaat een oplossing: waterstof. Met piekenergie kan je waterstof maken, je kunt het vervoeren en je kunt er opnieuw (-40%) energie van maken. Hydrogen gaat zich op die manier als batterij gaan gedragen. Daar zijn de Vlaamse havens momenteel in aan het investeren. Dit moet voor ons land een oplossing bieden en het kan ons ook onafhankelijker maken van kernenergie-aankopen uit het buitenland, met name Frankrijk.

Zoeken naar alternatieven

Er is nog een hele waslijst aan alternatieven die een oplossing kunnen bieden. Golfslag, aardwarmte, beter nadenken over onze woningbouw, een kring vormen met andere Noordzeelanden en piekenergie uitwisselen, warmtekoppeling in havens en grote bedrijven en ook kernenergie moeten we niet afschrijven, met name voor de productie van bouwmaterialen (staal en beton) kan het nog een belangrijke rol spelen maar waarom gaan we daarvoor niet met Vlaamse knowhow (UGent is een wereldspeler) naar het buitenland voor een Europees verhaal? Ik zing het graag, er is energie genoeg. Maar economie wil schaarste creëren en ik prefereer een energie-markt in handen van heel veel spelers. Als er één speler uitvalt, heb je gauw een vervanger gevonden. Eén groot kernbedrijf die de hele voorziet zou de goedkoopste en meest efficiënte oplossing zijn. De bouwers van Tsjernobyl hadden dat model voor ogen. Maar in zo’n maatschappij waar 1 (of enkele spelers) de macht uitmaken, daar wil ik liever niet in leven. We hebben dat al mogen aanschouwen, hoe de Shells, de Totalfina’s en de Texaco’s onze wereld beheersten. Ik zou zeggen: thanks but no thanks.

Er is dus strijd. Er zijn coureurs die de eer willen opstrijken en zich blijven doperen om de boel te belazeren. Maar laten we dat extra pilletje uit het peleton weren en we gaan veel schonere koers krijgen. Remco zal niet altijd winnen. Dat hoeft ook niet. We moeten onze verwachtingen bijstellen. En nadenken, de handen aan de ploeg slaan, vertrouwen in onze bedrijven en Vlaamse havens hebben. En dan komt het wel goed, zeker? Of niet?

De Illustrata (Deel 2) Kunstschilders Georges en Leo Steel

Georges en Pablo Steel: bitterzoete woorden

Langzaam maar zeker liet Georges Beiroet achter zich en hij volgde de caravaan Noord-Europese kunstenaars richting Syrië, Jordanië,  Griekenland, Italië en Marokko om uiteindelijk in Andaloesië zijn stek te vinden. Toen hij er begin de jaren zestig terecht kwam, was het Franco-regime overal nog heel erg aanwezig. En op één of andere manier vond Georges dat comfortabel. Over politiek en alle miserie die de oorlog veroorzaakte, mocht in het franquistische Spanje niet gepraat worden. Strikt verboden. Hij kwam terecht op de Sacro Monte in Granada. Zijn buren waren zigeuners die nog op heel traditionele manier leefden. Het dictatoriaal regime liet de wijk links liggen. En hij vond er de onderwerpen waarmee hij bekend geworden is: vrouwen met kruiken, kruiers met ezeltjes, kindergezichten, appelsienbomen, yucca’s, lavendelvelden, cactussen en de weerbarstige landschappen van de Sierra Nevada. De Middellandse Zee.

De zigeuners van Granada

Le gitan, de kleuren en geuren van het Franse chanson, met een 2-pk’tje deed Georges de navette tussen Granada, Parijs en Brugge, waar hij ondertussen ook de liefde van zijn leven gevonden had. Tijdens die bloemrijke jaren zestig werd zoon Pablo geboren, die veel later poëet zou worden. Schilder van bitterzoete woorden. Georges verkocht schilderijen en uitmuntende tekenkunst. En dit aan een ruime kring kennissen in ‘zijn’ Vlaanderen, ‘zijn’ Meetjesland. Maar hij kon telkens niet snel genoeg opnieuw in Spanje zijn om te schilderen en te tekenen. In het Spanje van Franco wist Georges zich moeiteloos aan de huisregel nummer één te onderwerpen: blijf onder het maaiveld, dan krijg je geen gedonder. Hij kon er vooral genieten van schitterende zomeravonden en ook daar onderhield hij zijn buren en vrienden met prachtige verhalen over zijn dorp. Op tentoonstellingen in Vlaanderen wist hij dan weer kunstliefhebbers en zakenlui te charmeren met duizend-en-één-nacht verhalen uit de Moorse stad Granada, het witte bergdorp Mojàcar aan de kust en het onooglijke Capileira in Las Alpujarras, geplakt tegen de flanken van de Sierra Nevada. De perfecte harmonie in de warme, ooit Islamitische, onderbuik van het Avondland Europa.

De Arabische wijk Albaïcin

Het was in 1976, na het overlijden van Franco, dat Georges opnieuw in contact kwam met Hilda von Siegesar. Men zegt dat toeval niet bestaat, maar in dit geval spreken alle bronnen een andere oorzaak tegen. In de oude Arabische wijk Albaïcin gelegen tegenover het wereldberoemde paleis Alhambra liep hij haar tegen het lijf toen ze met haar man een wandeling aan het maken was, genietend van de eigen stad en wellicht ook op zoek naar nieuwe onderwerpen voor schilderijen. Deze ontmoeting was heel kort. Georges kwam te weten dat de Jom Kippoeroorlog in 1973 de verhoudingen in het Midden-Oosten helemaal aan flarden heeft geschoten en na enkele jaren reizen, was Hilda deels in Spanje gaan wonen. In het Cordoba van de wetenschappers Averroes en Maimonides zocht ze het vreedzame huwelijk tussen de Joodse, Arabische en christelijke cultuur op. Over hun dorp repten beiden met geen woord meer. De ontmoeting verdween tussen de plooien van de tijd.

In Cordoba staan twee beelden
Mensen die niet verdeelden
Maar iedereen doen denken
Over mensen en hun wensen
Een verschil van mening
Dat is toch niet zo erg?
Ik luister ingetogen
Naar de Zoon op zijn berg
De schilder in Granada
Tekent een leven lang
De ideale wereld
Waarom maakt die ons bang?

No Pasaran – Woesten (2020)

Georges Steel ontkomt in Spanje niet aan Sleidinge. Regelmatig bezoek van familie en vrienden laat hem toe mondjesmaat terug te proeven van dat dorp voor de oorlog waar hij zo graag kind was. Aan zijn zwembad in Granada kon hij er een hele compagnie van luisteraars onderhouden. Een verteller aan wiens lippen je hing. Een levensgenieter. Volle teugen. Zo vertelde hij vaak over zijn vriend Perejil in Alméria. Hoe die in de kuststrook een wel heel groene vorm van tabak kweekte, de verboden vrucht waar ze dan samen van proefden. Cannabis, natuurlijk. In Franco-tijden! Toen de Guardia Civil hem op het spoor kwam, maakte hij die mannen wijs dat het peterselie was. Perejil, peterselie, vandaar de bijnaam. Daar zat je toen echt als kind of zelfs als volwassen modaal brave Vlaming met zo oren naar te luisteren in de jaren zeventig. Een drugsverhaal verpakt in Jommeke. Later komt ook het besef door welk oog van de naald vriend Perejil was gekropen, want met de Guardia Civil werd in Franco-periode niet gelachen. Zulke stoten hoorde je dan, van deze levenskunstenaar op zo’n hete zomer in Granada of Mojàcar. Altijd een sigaartje erbij. Lekker hapje. Glaasje wijn of brandy. En op de achtergrond een koor van kirrende krekels, de opzwepende muziek van buikdanseressen in de Andaloesische nacht.

Leo Steel en Fra Angelico

Toen Georges geboren werd had zijn vader, de Waaslandse kunstschilder Leo Steel, zich al goed geïntegreerd in Sleidinge. Hij was er in 1904 op 26-jarige leeftijd komen wonen en maakte tien jaar later als nieuwe Sleidingenaar de Duitse bezetting mee in 1914-1918, de eerste wereldbrand. Hij maakte mee hoe Sleidingse jongens, niet zoveel ouder dan hem, omkwamen in een vierjarig nutteloos gevecht aan de IJzer. Hij zag het verdriet, voelde de trauma’s en met nauwgezet realistisch penseel zette hij het dorp en de mensen op doek. Toch zijn het geen koude portretten die Leo Steel maakt. Het is een nauwgezet realistisch verslag van een volk dat tracht te overleven en van een landschap waarvan de mensen moeten leven. De kunstschilder stelde zijn creativiteit ook ten dienste van kerk en gemeenschap. Zo zijn er in de Sleidingse Sint-Joriskerk nog steeds wat werken en versieringen van zijn hand.

Ook Leo Steel reisde zijn vormtaal achterna. Rond 1910 ging hij Fra Angelico bestuderen in Italië. Het is in zo’n creatief gezin, moeder Zulma was ook schildersdochter, dat Georges opgroeit. Met ogen van verwondering in een naoorlogse periode ontstaat er opnieuw hoop na de ellende van ’14-’18. Georges was de zoon van Leo, als bekend schilder een gerespecteerd burger in het dorp. De opdrachten die de ‘houten’ burgemeester Maurice Ghijsbrechts aan Leo Steel gaf, zorgden ervoor dat de Steels ook in een politiek kamp terecht kwamen, al wilden ze daar als kunstenaarsgezin liever niets mee te maken hebben. Zo schildert Leo een mooi portret van de burgemeester en kleedt hij het muzikantencafé Sanderus aan op Bruegeliaanse wijze.

De krulbolders van het Meetjesland

De kleine Georges ziet het allemaal gebeuren met de trots van een zoon en de onbevangenheid van een kind. Ook de broers Etienne en Albert hebben papa’s talent geërfd. Op Steelshof aan de Weststraat genieten ze van het landelijke leven, de buurmeisjes en de kwajongensstreken die ze op weg naar de jongensschool wel eens durven uitsteken. ‘Ezel’ naar boer ‘Kezel’ roepen. Of op te dun ijs gaan staan tijdens de winter en dan huilend bij moeder Zulma warmte komen zoeken.

Urenlang tijdens de zomer naar de krulbolders staan kijken, een steentje op de baan gooien om de curve van de bolle te beïnvloeden. Tot één van de spelers het ziet en dan in furie achter de schelmen aangaat. Zwemmen in ’t Sleins Vaardeken en puien vangen aan Café ’t Buisken. Het eerste pintje, de eerste zoen. En daarna, éénmaal opgegroeid, de artistieke aspiraties en bijna ter gelijker tijd, de komst van de Tweede Wereldoorlog aan den lijve ondervinden.

Interview met Ostrogoth in 2012, Rock ‘n’ Roll Niemandsland

Ostrogoth: “En toch komen we altijd weer bij The Beatles terecht”

Beetje zenuwachtig toch. Een afspraak metOstrogoth, da’s zo’n beetje een afspraak met de geschiedenis. Of toch, tenminste wat mij betreft, een afspraak met veel jeugdherinneringen. Tijdens mijn humaniorajaren, midden de jaren tachtig, had je new wavers en hardrockers. Je had The Cure of Iron Maiden. En in België had je T.C. Matic of Ostrogoth. Een middenweg was er niet. The Beatles of The Stones. Kiezen was gelijk aan verzaken. En verrassend genoeg is het voor de oprichters van Ostrogoth altijd The Beatles gebleven.

We hebben een afspraak op het industrieterrein langs de R4 in Mariakerke. De havenomgeving past Ostrogoth als een leren jekker. Ze ontstonden in de buurt van Sint-Amandsberg, repeteerden vele jaren in Melle maar ze hadden eind de jaren tachtig ook een repetitieruimte in Rieme. Zwaar metaal, noblesse oblige. In de schaduw van Sidmar. En tijdens de zomer van 2012, maanden na het interview by the way, treedt James Hetfield van Metallica op met een jeansvestje zoals we er allemaal ééntje gehad hebben, vol hardrockiconen. Ook op het vestje van Hetfield: het logo van Ostrogoth. Faut le faire.

Full moon’s eyes

Ostrogoth bestaat nog. ’t Is te zeggen, Ostrogoth bestaat opnieuw. En muzikaal brandt de ambitie. Al hebben pech en ziekte de ambitie voor hen een beetje uitgesteld. Maar de toekomst lacht hen opnieuw toe. Mét een nieuwe zanger ook, Josey Hindrix. Voor mij zitten drummer Mario ‘Grizzly’ Pauwels en Marnix ‘Bronco’ Van De Kauter. Zij stonden mee aan de wieg van Ostrogoth, in 1979 en eigenlijk al een poosje vroeger. Ook de fenomenale gitarist Rudy ‘Whiteshark’ Vercruysse is er van heel vroeg bij, van begin 1982. Nota bene via een advertentie
in de Humo. “Toen toch zeker het anti-metalblad bij uitstek”, merkt Mario op. Kort na Rudy vervoegde ook Marc De Brauwer de groep.
Ostrogoth had zijn frontman gevonden, want ‘Red Star’ werd in die tijd graag vergeleken met podiumbeest David Lee Roth van Van Halen.
Als ik trouwens mijn muzikale intuïtie volg en met mijn ogen dicht naar Ostrogoth luister, kan ik niets anders dan aan Van Halen denken. En dat is als compliment bedoeld. Met gitarist Hans ‘Sphinx’ Van De Kerckhove erbij, al van 1981 (voor Rudy en Marc) in de groep en dus ook één van de sterkhouders, was dit dan de meest succesvolle bezetting van Ostrogoth. Zij maakten samen drie platen. Uit diezelfde tijd dateert de trouwe medewerking van de roadies Tuur en Ludwig, die nog steeds voor Ostrogoth zorgen.

Van de originele bezetting zijn er nu drie in het repetitiekot aanwezig. Drie levende legendes. Whiteshark houdt zich een beetje op de vlakte en heeft voorlopig alleen oog voor de afstelling van zijn versterkers en zijn gitaar. Passie. Alle drie werkten ze mee aan de legendarische EP ‘Full Moon’s Eyes’ (Mausoleum, 1983). Het startschot. Ik daag je uit: tracht een vinylexemplaar op de kop te tikken via internet en de kans bestaat dat je je blauw betaalt. Net als de andere Ostrogoth-platen ‘Ecstasy and danger’ (LP, Mausoleum, 1984), ‘Too Hot’ (LP, Mausoleum, 1985) en ‘Feelings of Fury’ (LP, Ultraprime, 1987) behoort dit bijna standaard tot de platenkast van een beetje metalfreak die zichzelf respecteert en de pioniers het licht in de ogen gunt. Toch die van mijn generatie. Doe de test en surf maar eens op YouTube, lees de reacties en bekijk ook het aantal keer dat de Ostrogoth-fragmenten bekeken worden. Je staat versteld.

Om de hoek

“Wij kennen elkaar al heel lang”, klinkt het bij Mario en Marnix. Je voelt wederzijds respect. Beiden hebben dan ook al heel wat watertjes doorzwommen. “Mijn vader was ook muzikant”, vertelt drummer en drijvende kracht Mario. “De tijd van de big bands en de Amerikaanse crooners. De jaren vijftig. Muziek zit er bij mij ingebakken.”

“En toen kwam de tijd van The Beatles. Uiteindelijk keert voor mij muzikaal daar alles naar terug.”, vult Marnix aan. “The Beatles stonden er voor ons mijlenver boven. En daarna volgden eind de jaren zestig schitterende groepen als Uriah Heep, Deep Purple, Jimi Hendrix Experience en Steppenwolf.” Mario knikt. “Marnix en ik speelden eigenlijk al heel vroeg in groepjes. Nooit echt samen maar wel was er telkens een link van gezamenlijke vrienden of muzikanten die met ons allebei hadden gespeeld. We woonden bij wijze van spreken ook bij elkaar om de hoek: Sint-Amandsberg, Oostakker, allemaal niet zo ver. Ik zelf speelde echt bij heel kleine covergroepjes. We speelden op vriendenfeestjes en thuis vooral. We staken zelf nog onze versterkers met allerlei materiaal in elkaar. Marnix was daar echt een krak in. Hij heeft er als technicus ook zijn beroep van gemaakt. Onze eerste echte groep heette ‘Trash’. Toen zaten we nog in een experimentele fase.”

“Maar ik heb er nog opnames van”, merkt Marnix op. “Echt?” Mario bekijkt hem met grote ogen. “Dat wist ik niet. Tof.” Het wordt even
stil in het repetitielokaal. “Toen zijn we ‘Stonehenge’ geworden. Dat ging er al een stuk professioneler aan toe. We spreken dan al van 1979. We repeteerden in een café in Melle waar we echt heel lang hebben gerepeteerd. De hele tijd van onze ‘gouden jaren’, zeg maar. In 1980 werden we Ostrogoth. We vinden dat zelf nog altijd een fantastische groepsnaam. En we hebben hem eigenlijk uitgekozen uit een ellenlange
lijst van mogelijke groepsnamen. Op een blaadje papier, elk wat namen schrijven en dan maar schrappen tot er één overblijft.” En die naam prijkt nu op het jeansvestje van James Hetfield.

“Ook dat papiertje met die namen heb ik nog”, verrast Marnix opnieuw. “We zijn toen eigenlijk heel vroeg op zoek gegaan naar een platenmaatschappij en naar een kans om op de radio gedraaid te worden. Het was de tijd van Guy De Pré en Gust De Coster. We hebben toen een demo gemaakt waar we best tevreden over waren en dat is de EP Full Moon’s Eyes geworden. Met Mausoleum hadden we een platenfirma gevonden die in ons geloofde. En de bal begon te rollen.”

“Een klassieker, die EP, al zeg ik het zelf”, zegt Mario, “Zoek het maar eens op internet. Je komt in de Verenigde Staten terecht, in Brazilië én in Australië. We hebben daar ook echte fanclubs. En we hebben weet van Italiaanse en Spaanse groepen die ons coveren. Toen we in maart 2011 in Athene optraden stonden de aanwezige Grieken onze liedjes luidkeels en letter per letter mee te zingen. Een bevreemdende ervaring. We hebben daar piepjonge fans. Allemaal hadden ze platen en T-shirts van Ostrogoth. Hoe dat zit met de royalties is ons duister.” Een gevoelig punt. “Maar feit is dat Mausoleum ons wel wereldberoemd heeft gemaakt binnen het genre. Daar staan we telkens weer versteld van. Wij hebben er echt geen zicht op hoeveel platen er ooit van ons zijn verkocht. Langs de andere kant hebben wij ons ook altijd weinig moeten aantrekken. Alfie (van de platenfirma) regelde alles. We doken de studio in, namen op en we hebben enkele fantastische live herinneringen.”

1985

“Ik herinner me Heavy Sound Festival in Brugge”, vertelt Marnix, “We hadden daar zelfs een discussie met Golden Earring over wie eerst zou mogen spelen of niet. Gary Moore en Uriah Heep stonden er ook geprogrammeerd. We deelden het podium met Manowar, Loudness en Def Leppard. En we waren de opener op het allereerste Pukkelpopfestival in 1985.” We zoeken het op internet. Inderdaad. We lezen: “Pukkelpop
werd voor het eerst gehouden in 1985. Er traden toen slechts zeven artiesten op (Ostrogoth, La Cosa Nostra, Anna Domino, The Neon Judgement, Anne Clark, Front 242 en Jah Music International) en het festival duurde één dag.” Mario herinnert het zich als was het gisteren. “Ik weet nog dat ik immens veel zwart geklede mensen zag. En ik dacht dat het allemaal hardrockers waren.  In werkelijkheid waren wij de enige metalband die dag. Die zwart geklede mensen waren daar voor Anne Clarck en Front 242. Zo’n mengelmoes van metal en new wave, dat was echt nog ‘not done’ in die tijd. Nu ‘matcht’ dat gemakkelijker op festivals.”

“1985”, mijmeren beide Ostrogoth-pioniers, “Dat waren de hoogdagen. Er waren in België drie grote metalnamen: Ostrogoth, Killer en Crossfire. Killer was extremer, neigde meer naar Metallica. Wij zaten meer in het genre van Judas Priest, Iron Maiden, Black Sabbath.” Rudy Vercruysse voegt er nog iets aan toe: “Voor mij stopt het zelfs ergens bij Metallica. Ik hoor in de metal tegenwoordig te veel doemgeluiden. Voor mij is dat wel belangrijk, die positieve noot in de muziek. Eigenlijk behoren wij tot de school van de melodieuze hardrock.” Rush en Accept, daar zijn de drie rockveteranen het over eens. “Prachtig”. Al voegt Marnix er meteen aan toe: “En toch blijven voor mij The Beatles zo belangrijk.” Melodie, we knikken begrijpend.

In 1985 ‘boomt’ Ostrogoth. Dat gaat van schitterende festivals zoals Pukkelpop tot Zomerhit met Willy Sommers en de Star Sisters. “Met Patricia Paay”, zegt Mario met blinkende pretoogjes. “Ook de underground verkoop internationaal verliep heel gunstig. Dankzij het netwerk van Mausoleum. En het was de tijd van de vrije radio’s. Heel Vlaanderen hebben we afgereisd om in kleine studio’s interviews te gaan geven en mini-optredens te verzorgen. Het ging hard. Het ene moment zaten we in Limburg, het andere moment in de Westhoek. Interviews deden we over de hele wereld, maar dat gebeurde allemaal per brief. We hebben opgetreden in Duitsland en in Nederland. Alleen de USA, daar is het nooit van gekomen. Er is wel sprake van geweest. Maar het ging heel vlug en het was allemaal te perfect.”

Spinal Tap

Er kwamen barsten in het Ostrogoth-verhaal. Conflicten ook, leid ik af uit de reacties. Toch op zijn minst meningsverschillen. En andere levenskeuzes. “Ik ben er in 1986 mee gestopt. De periode van de kindjes.”, zegt Marnix. “En ook Hans ‘Sphinx’ Van De Kerckhove koos in die periode heel bewust voor zijn eigen vak, zijn eigen specialiteit op de unief. Hij was Egyptoloog en kreeg de kans om in Duitsland een leerstoel op te nemen. Zanger ‘Red Star’ zocht andere muzikale horizonten op. De goesting was over.” Het was de tijd dat er werd gerepeteerd in Rieme. De zanger van Crossfire, Peter De Wint, kwam over en Ostrogoth ging toch nog een tijdje door. Met het Braziliaanse gitaargeweld Junão Martins op gitaar, Pierre Villafranca op bas (later vervangen door Sly Cherotti) én last but not least de pianoen keyboardwizard Chris Taerwe, die laternog het mooi weer zou maken bij Mystery (en The Shakers uit Sleidinge!). Whiteshark en Grizzly maakten het mee tot op het einde. Het was de periode van ‘Feelings of Fury’. “In 1988 zijn we er dan mee gestopt, “ klinkt het zacht bij Mario. Er klinkt toch een zweem van spijt in zijn stem.

Bovendien kreeg de groep ook na de split nog een vreselijke klap te verwerken. Hans ‘Sphinx’ Van De Kerckhove overleed in 1989 aan een plotse hartaderbreuk. Niemand had dit zien aankomen. Het was een dramatisch einde van een gouden periode voor al deze muzikanten die toch een stukje vaderlandse metalgeschiedenis hebben geschreven.

Overdrijf ik als ik zeg dat Ostrogoth alles heeft meegemaakt? Ten goede en ten kwade? “Spinal Tap, bedoel je?”, reageert Mario. “Er is iets van. We hebben soms heel veel geluk gehad. Maar niets in het leven is ons ook bespaard gebleven. We zijn er alleszins niet rijk van geworden.” En hoewel Marnix, Rudy en Mario lessen getrokken hebben uit het verleden. “Ik zou het toch opnieuw doen.” Rudy relativeert. “We kunnen ook niet helemaal inschatten welke impact we gehad hebben. Zeker het internationale verhaal blijft dubieus. Het is zeker zo dat mensen ons over de hele wereld kennen. Maar hoe beperkt of hoe groot die kennis is, dat valt moeilijk in te schatten.” Ook al krijgt Mario nog altijd stapels brieven en interview-aanvragen binnen

Back in Town

In 2002 vierde Mausoleum zijn 25-jarig bestaan. Alfie, zo noemen de Ostrogoth-leden hem, belt Mario Pauwels op. Of hij gast wil zijn op het jubileumfeestje. Ja, hij wil meespelen. En of Rudy dat ook zou zien zitten. Of hij eventueel wist waar Rudy nog was? “Ik verbaasde Alfie. Want ik onderhield contact met iedereen. Met Rudy, met Marnix, met iedereen van de laatste bezetting. Ik kon eventueel zelfs een reünie
regelen. Doen, zei Alfie. En zo is Ostrogoth, zij het heel tijdelijk, opnieuw uit het rijk der doden opgestaan. In plaats van een All Stars Band kreeg Mausoleum de reünie van één van zijn paradepaardjes.

“Killer was er ook. En Crossfire. En Native Instinct. Er kwam ook een heruitgave op cd. Die deed het heel goed. We hebben in 2002 vijf optredens gedaan, waarvan ook ééntje in Athene. We hebben daar toen opgetreden  op vraag van een plaatselijke fanclub. Junão was erbij, Marnix, Marc, Rudy en ik”, vertelt Mario, “Daarna is het echter allemaal weer en beetje verwaterd. Tot vorig jaar. Op vraag van een plaatselijke fanclub zijn we naar Athene gereisd. Ondertussen lopen vragen van de hele wereld binnen. We kunnen optreden in Brazilië. De goesting is terug. Al is het nu vooral muzikale goesting. Gezondheidsproblemen en pech hebben onze zin in meer een beetje vertraagd. Maar we geloven er weer in. Dat we samen ‘iets’ moeten doen, daar zijn we het nogal over eens. Ik zie het zitten.” Mario is meer dan ooit de drijvende kracht. Je ziet het gewoon. Hij pakt zijn vrienden vast, kijkt hen in de ogen, pept hen op, vertelt honderduit. Ik word er zowaar lyrisch van.

Indianenverhalen

Tijd om er eens een ’jonge gast’ bij te halen. Glenn ‘Mr. Frodo’ Ployaert is 35 jaar en speelt gitaar bij het huidige Ostrogoth. Zomergemnaar, by the way. Hij speelde bij Ghiribizzi. En werd gevraagd door Mario ‘Grizzly’ Pauwels. Die man neemt geen genoegen met een ‘neen’ als antwoord. “Ik zat met Mario in een progrock-project. Zalige samenwerking was dat. Een drietal jaar geleden kom ik Mario op de Gentse Feesten tegen. Dat hij mij eens zou bellen. Zei hij. Heeft hij ook gedaan. Anderhalf jaar later.”

“Ik wist gewoon dat hij de man was”, zegt Mario. “Met Glenn wou ik Ostrogoth opnieuw op de kaart zetten. Het heeft wat tijd gevergd. Maar dat zat echt al een hele tijd in mijn hoofd.” Een hele eer, beaamt Glenn. “Tja, die mannen zijn legendarisch, hé? Ik ben daar mee opgegroeid. In de Belgische metalscene ontkom je niet aan de naam Ostrogoth. Bovendien denk ik dat er tijdens de jaren tachtig veel meer respect bestond in eigen land voor de eigen metalscene. Je hebt Channel Zero, maar daar houdt het op, vrees ik. Qua naambekendheid, hé! En die sound van Ostrogoth, machtig.” Ook het feit dat Ostrogoth werkt met tweegitaristen die op elkaar ingespeeld zijn, lokte de interesse van Glenn. “Dat is inderdaad een schitterende uitdaging. Zeker met Rudy. Klasse. Ik was eigenlijk zelfs al naar hun repetities gaan kijken tijdens de reünie in 2002, maar ze herinneren zich dat niet meer. Toen droomde ik hier al van. Bij Ostrogoth spelen geeft ook een enorm pioniersgevoel. Die mannen waren erbij toen het nog om de knikkers ging, voor de grote versplintering van het metalgebeuren. Zij zijn nog echt ‘hard rock’. Bovendien ben ik vooral gevallen voor de sfeer binnen de groep, welke indianenverhalen daar ook  mogen over bestaan. Het zijn gewoon heel toffe mensen om mee samen te werken.”

Rudy ‘Whiteshark’ besluit: “Dat is toch waar voor mij de ziel van Ostrogoth ligt. Geen geweld. Een positieve vibe. Het optimistische primeert.” En wij zitten erbij, we kijken ernaar en we vinden het schoon. Die dag waren mijn dochters getuige van het interview. En toen we naar huis reden, zei één van hen: “Het is echt mijn genre niet, ‘dienen hard rock’. Maar dat zijn toch hele lieve en verstandige mensen hoor. Die van Ostrogoth.” Een kind vertelt vaak dingen die zo dicht aanleunen bij de emotionele waarheid. Zoals de waarheid is. Of zoals ze zou moeten zijn.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Opgedragen aan Rudy ‘Whiteshark’ Vercruysse die zijn laatste concert speelde op 6 december 2014, de dag van de begrafenis van Luc De Vos (Gorki), in Zaal De Molen in Wippelgem (Evergem). Rudy overleed enkele weken later. Over dat concert bij volle maan (Full Moon’s Eye) schreef Woesten het lied Wintergem en maakte Michel Goessens een ontroerende foto.

Nadenken over zwart wit films en wat Europese steden

“Graaien in  het verleden als in de grijpkast aan ‘t luna park op de kermis”

Nostalgie en modernisme. Stephan Vanfleteren, ja daar staat een mens voor in bewondering. Hij is een leeftijdsgenoot van me, denk ik, en zijn fotografie staat al decennia als een huis, ze is onmiskenbaar. Eén van zijn klasgenoten en vrienden stierf toen hij en ik, 69’ers, 50 moesten worden. Kanker. Ook een fotograaf. ‘De Vanne’. Toffe pee. Ex van een nicht van mijn vrouw. Ik kom hier nog op terug.

De beeldtaal van Vanfleteren doet me terugdenken aan de film Rumble Fish met Mickey Rourke en Tom Waits. ‘Motorcycle Boy Reigns’ op de muren van uitgeleefde brugcomplexen en aan treinstations met halflege bars en nauwelijks herkenbare mensen. Ik duik heel graag in het verleden maar ik doe dat niet uit een soort nostalgisch verlangen omdat vroeger alles beter zou geweest zijn. Ik graai in het verleden als in een grijpkast van het luna park op de kermis, omdat het gekende materie is. Het is klei waar ik makkelijker mee boetseer en, ja, dan kom je al gauw bij Meetjeslandse klei terecht, of in Brussel waar ik op kot gezeten heb en vaak eenzaam was.

Maar ook in Amsterdam, hoor. Mijn Leen haar nichtjes woonden in Amsterdam omdat haar nonkel Guido er directeur van De Brakke Grond was. Ik voel me vlug ergens thuis. In mijn herinnering heb ik wel eens een week in Parijs, Cuenca of Salamanca gesleten. Of even verderop in Lissabon en Porto. In mijn fantasie dool ik met een vriend vrij denkend op de trappen en langs de smalle stegen door het hoofse Madrid dat alle soorten Iberië verzamelt en daarom net iets interessanter is dan Barcelona, Valencia en Rome waar exclusief de Catalanen en Romeinen de lakens uitdelen. Liggen die laatste drie dan weer aan zee en is het turen naar die oneindige horizon vanuit een kolkende stad dan weer prachtig voorrecht, al doe je dat meestal niet veel langer dan tien minuten.

Bij Vanfleteren duurt het maar die druk op de knop. Maar zijn timing is zo precies dat zijn beelden er zijn voor de eeuwigheid. Vanfleteren heeft De Ronde een ander gezicht gegeven. Hij heeft ons getoond waar het eigenlijk om draait. Verder dan de koers. Beyond is zo’n Engels woord waar ik geen degelijk Nederlands alternatief kan voor verzinnen. Dus ja, nostalgie is er maar ook de zwart-witfilm waar ik Koubaa zie in rondlopen en Brusselmans hoor in fulmineren. Ik las vandaag een artikel over Paul van Ostaijen in De Morgen en ik moest meteen aan deze conversatie denken. Boem Paukeslag.

Het gaat over niet veel en heel veel ter gelijker tijd. De lettertypes, de vormgeving, de zingeving. Wat wil je als zin er aan geven? Zin en onzin. Vorm of inhoud? Wat vinden de Dertigers? Van Ostaijen had een oorlog te verwerken en schreef in een taal die nog niet de wegwerptaal was van de heersende meerderheid zoals nu maar een diamant van de onderdanige meerderheid die luisterde naar kerk, kardinaal en een Frans sprekende elite die op de knoppen duwde op de lijn Liège-Louvain-Bruxelles-Gand-Ostende. Ken je de rapper Baloji, Luikenaar met Congolese roots? Ook zijn songs spelen zich af in Rumble Fish. Nostalgie, heel zeker. Alhoewel. Baloji is in België terecht gekomen. Kan er niet meer weg. Hij keerde naar Congo terug als artiest. Met opgeheven hoofd. Nieuwsgierig. Maar hij bleef er de zanger van Starflam, de straatrat uit Luik met de prachtige zinsneden en een kop vol vragen.

Het is allemaal niet veel anders voor een Luc De Vos of een Stijn Meuris die niets anders doen dan hun eigen leven trachten te torsen met verwondering van wat ze rond zich zien: ‘Panamarenko’, ‘Geef al je geld aan de arme kinderen’, ‘Engel’, ‘Alleen Elvis blijft bestaan’… Ik beschouw het als een voorrecht om over die gasten te mogen nadenken en u dit te schrijven. Meer zou ik er ook niet achter zoeken, maar het houdt een mens wel scherp om hier even tijd aan te besteden. Ik dank u daarvoor. Ik heb een beetje op mij laten wachten maar ik ben mijn dochter aan het helpen haar cursus Geschiedenis van de Wereldpolitiek, van de Weense orde tot heden, wat samen te vatten. Boeiend werkje. Zij studeert Russisch en kan elk duwtje in de rug gebruiken. Bovendien had ik net ‘Revolusi’ van David Van Reybrouck achter de kiezen. Hele kluif maar het doorworstelen waard. Wel vermoeiend. Nu ga ik wat gas terugnemen. Op naar de Ardennen met een boekje van Stefaan Degand in mijn valies. Dag liefje, met Mila gaat het goed en ik klungel lekker verder. Zo heet het boekje.

Hier nog een Woesten-tekstje over een verloren zanger.

Wintergem (geïnspireerd op de song Full Moon’s Eye – Ostrogoth) – Woesten

Ze staat boven De Molen, een zaal in Wintergem
En Ostrogoth zingt het met krachtige stem
Over legenden en sagen en ook over hem
Hoe hij ging in… november, november

De volle maan

Daar staat een man met een donkere kap
Hij kijkt schichtig om zich heen en hij lacht om een ironische grap
We lachen, we grijnzen, we dollen en hij vindt het fijn
Hij droomt ervan de drummer te zijn, van een liedje
Over legenden en sagen en ook over hem
Hoe hij ging in…. november, november

De volle maan

Ik reis door de nacht langs een kronkelende weg
Daar komen de emoties waartegen ik vecht
Over legenden en sagen en ook over hem
Hoe hij ging in…. november, november
De volle maan

Proloog van het boek ‘De Harmonie WSTN’

“De Soldaat-Facteur en Rachel”

Ken je zo’n bijna erotisch moment op café, wanneer alle geluiden wegvallen en nog slechts de focus ligt op dat ene gesprek? Het moment dat de passie van de muren pletst en de discussie zo hoog oploopt, dat je meteen nog een Papegaei-biertje bestelt om wat bandenspanning te lossen. Met mijn maat Peter Ysabie durft dat wel eens voorvallen. Vroeger al, toen we op kot zaten in Brussel. Maar deze keer in de Ventura op de Vrijdagmarkt in Gent was het dus weer prijs. Het ging over overgave en over hoe kunst de wereld kan redden. Zo van die kloterijen. Op dat moment komt een cafévriend van Peter onze tafel vervoegen en de mij onbekende man mengt zich vol vuur in het
debat.

Heerlijk. Meestal ook het moment dat ik, de wijsheid in de kan, in overdrive ga. Ik weet niet wie het liet vallen, maar plots kwam het theaterstuk ‘De soldaat-facteur en Rachel’ ter tafel. Prachtig stuk. De theaterwereld op zijn kop gezet eind de jaren tachtig. We waren het
er over eens. De goesting om met onze rijke geschiedenis aan de slag te gaan en onze eigen wereldse problemen af te meten aan een recent verleden waar alleen onze grootouders en hun ouders konden over mee vertellen. De Eerste Wereldoorlog die op die verhakkelde scène in het Nieuwpoorttheater in Gent plots in je gezicht openspatte. De kennismaking met dat Duivelse niemandsland tussen front en kazerne achter de linies, waar de soldaat-facteur brenger van nacht en ontij was voor doodgewone sloebers als jij en ik die gewis en zeker, was het niet vandaag dan toch morgen, gingen sneuvelen door niets ontziend oorlogsgeweld.

Of hij het gezien had, vroeg ik luid aan de onbekende man! Dat Arne Sierens met dit stuk het Vlaams vertelambacht
een andere dimensie had gegeven! “Jazeker”, antwoordde hij, “ik was er bij betrokken.” Ik viel even stil. “En wat moest je dan doen”, vroeg ik dom. “Meewerken”, klonk het. “Oh ja? En wat doe jij misschien?” Het werd even stil. Peter moest zijn enorme buik vasthouden van het lachen. “Ik bén Arne Sierens.”

De Marge – Woesten (2020)

Nadenken over de Spaanse Burgeroorlog

 

“Soldaatje spelen”

Mijn fascinatie voor de Spaanse Burgeroorlog is iets wat ik meedraag uit mijn kindertijd. In 1976 gingen wij naar Andaloesië. Het Franco-regime deinde er uit en wij gingen op bezoek bij een Sleidingenaar die als kunstschilder op de Sacromonte woonde tussen de zigeuners in Granada. Hij en zijn gezin leefden er een herenleven. Don Jorge werd hij er genoemd en ik heb nooit geweten of die ‘Don’ een geuzennaam was voor Georges of niet. Hij had er een zwembad en dat stak een jongen van zeven de ogen uit in die tijd en bij zijn verhalen ’s avonds, whisky en sigaar in de hand, kon Georges iedereen aan de lippen krijgen. Zijn verhalenschat uit mijn dorp Sleidinge en de Sierra Nevada was schier eindeloos. In de lagere school was ik ook gefascineerd door oorlog en soldaatje spelen. Op één of andere manier had ik zo een beetje mijn favoriete ‘slagen’. Pearl Harbour, Arnhem, Bastogne maar ook de Spaanse Burgeroorlog beleefde in telkens opnieuw in de tuin met mijn vriend Jan (Verplaetse, nu filosoof aan de UGent). Schieten en paffen, noemde mij mama het.

Toen ik film studeerde in Brussel ging ik heel veel naar de cinema en ik had het nogal voor de regisseurs Jim Jarmusch (Mystery Train, Down By Law) en Ken Loach omdat zij anders met kleur en anders met verhalen omgingen (zie ook de film Rumble Fish uit mijn jeugd). In die periode kwam Land and Freedom uit, over een Britse jongen die in de vreemde Spaanse burgeroorlog terecht kwam, en las ik verscheidene romans over het onderwerp, waaronder ‘From Whom The Bell Tolls’ van de onwaarschijnlijk goed schrijvende geile ouwe schurk Ernest Hemingway. Ik heb zo de indruk dat heel de schrijvende elite toen naar Noord-Spanje is getrokken om er het ‘front te beleven’. Ik weet niet of het allemaal zulke helden aan het front geweest zijn, Neruda en Hemingway, als de soldaat uit de film van Ken Loach. Ik durf dat zelfs te betwijfelen. Daar leg ik dan de link met de Joegoslavië-oorlogen waar ook verschillende leeftijdsgenoten en andere ‘bekende’ journalisten (Dirk Draulans o.a.) naar het front zijn getrokken om het geweld ‘te voelen’, om erbij te zijn.

Oorlog is iets des jongens en zelf zag ik het me in die periode ook wel doen, wat Vranckx nu doet. Ik had noch het lef, noch het talent en daarom speel ik nu in een nobel onbekende popband en zijn woorden mijn kogels om toch nog een beetje terug te schieten. Want niets nobeler dan strijden tegen onrechtvaardigheid. Samen ten strijde, die romantiek die zowel de communistische als fascistische leiders verkondigden, hebben vooral veel graven gevuld. Dan is rock ‘n’ roll een veiliger alternatief. Vinylplaten graaft in die sector van mijn brein.

Vinylplaten – Woesten (2020)

De Illustrata (Deel 1) Georges Steel, kleuren op de Sacromonte

“Het Libanon van toen”

Georges legt een foto op de krant. “Kijk,zo zag Libanon er toen uit”, toont hij. “Een paradijs. Het Zwitserland van het Midden-Oosten. Hier in de krant staat nu hetzelfde plein in Beiroet. Helemaal aan flarden geschoten. Weg, allemaal weg.” De laatste jaren van de kunstenaar in zijn Oedelems herenhuis nabij Brugge zijn mistroostig. Hoe zijn zoon Pablo, een uitmuntend dichter, aan zijn einde kwam. Geveld door verslavingen. Hoe zijn zuster Paula uiteindelijk nog zijn enige toeverlaat was. En hoe de kunst een richting op ging die de zijne niet was. De drang naar schoonheid, het impressionistisch vatten van de Zuiderse ochtenddauw in krekelmodus, het registreren van zon, berg en dal. Van de mooie zigeunervrouw of het onschuldige kind in Granada. Het moment van de impressieschilder die met lange halen verf op het doek een emotie vastpakt en vereeuwigt. Dat soort kunst ziet Georges Steel, een echte vakman, tijdens zijn laatste levensjaren verdwijnen. Rest nog het verdriet voor de poëzie van zijn zoon. De pen die niet meer schrijven zal. De tweedeling en de wrok in het Sleidinge na de oorlog was aan het oog van de jonge kunstenaar Georges niet ontsnapt. Maar hij wou, net als mijn grootouders Arsène en Maria, verder met het leven. Beetje vergeten wat er gebeurd was. Hij had het raam van mijn grootmoeders winkel aan diggelen zien gaan in de Weststraat en de volgende dag vastgesteld dat huisschilder Arsène het raam meteen hersteld had.

Kaalgeschoren

Hij had de verhalen gehoord over de meisjes die werden kaalgeschoren en wie weet erger. Nochtans had hij nog een prachtige oorlogswinter meegemaakt waarbij ze de Britse bevrijder Montgomery als sneeuwpop in het park van zijn eigen ouderlijk huis tot leven hadden gebracht. Monty, heel herkenbaar met zijn scheve klak en zijn flegmatieke Britse bevelhebbershouding. Volgens de dochter van toenmalig cafébaas Ivo Kassèj is Montgomery effectief op doortocht in Sleidinge gesignaleerd, voor een stop in het Sanderushuis. Dit zou Georges beïnvloed hebben om Montgomery af te beelden. De oorlog had de creativiteit van Georges niet aangetast. Wel integendeel. Hij had verder gestudeerd tijdens de oorlog en net als zijn vader na de Eerste Wereldoorlog had hij een doek gemaakt met een dorps tafereeltje en de namen van de Sleidingse slachtoffers. Je herkent de zwierige stijl van Georges en ook de kleurkeuze blijkt op dat moment al een stuk meer zuiders dan die van zijn beroemde vader Leo Steel. Het was een mooi afscheid geweest. De plechtige herdenking van de slachtoffers en de inhuldiging van zijn werk door het nieuwe gemeentebestuur. Maar de wrok, de botheid ende kilheid maakten zijn dorp kapot. Hij wou verder met een nostalgisch en humoristisch beeld van zijn jeugd. Het positieve onthouden. Weg van de kilte. Letterlijk. Maar ook figuurlijk. Er was nog iets. Tijdens de laatste jaren van de oorlog had Georges hoge ogen gegooid in de kunstwereld en won hij de prestigieuze Van Leriusprijs. Op academisch niveau koos de kunstwereld echter meer en meer voor modernere vormgeving onder impuls van de nieuwe meesters Constant Permeke en James Ensor. Georges surfte niet op deze nieuwe golven mee. Zijn verwerkingsproces van de donkere oorlogsdagen zou niet via de introspectie van moderne kunst verlopen maar via kleuren en het romantisch verlangen naar een wereld zonder grenzen.

We staan op de weide, met honderdduizend man
Zoekende zielen, we staan er op de rand
Van een niets ontziende afgrond
en het helse zomerweer
Leve de weide, ik weet het echt niet meer

De Opstand – Woesten (2017)

En zo werd Georges Steel een wereldreiziger. Als kunstenaar ging hij op zoek naar zijn verhaal. De impressionisten achterna op zoek naar de schoonheid van het moment, de blauwe hemel, het rode rood, het groene groen en het gele geel. Kunst die de zon heeft gezien. Waarschijnlijk was het op die manier dat Georges in het Libanon van de jaren vijftig is terecht gekomen. Beiroet was in eerste instantie een Arabische stad maar ook een smeltkroes van culturen. Veel Sjiitische moslims, maar ook Soennieten, toen nog een heel kleine invloedrijke Joodse gemeenschap en tot op de dag van vandaag een vrij grote christelijke gemeenschap. De Brits-Franse inmenging was overduidelijk maar Beiroet bleef vooral een Fenicisch knooppunt van handel tussen Oost en West. De schilderskwast van Georges stond niet stil. Hier had hij naar gezocht. Duizend-en-één-nachten, een sprookje na de nachtmerrie, mystiek. De muze, quoi. Met de sigaar in de mond en het glaasje whisky bij de hand kon hij ’s avonds zijn nieuwe kennissen verblijden met prachtige verhalen. Hij bracht hen naar het Vlaanderen van Pieter Brueghel zoals hij zich zijn kinderjaren voorstelde in het Sleidinge van de jaren twintig en dertig. Hij schetste met woorden volksfiguren die zijn geboortedorp kleurden.

Beiroet

Hij had het over ‘Kezel met zijnen Ezel’, over de coiffeur met een haarkapsel als ‘poddink’, over kwajongensstreken rond de meersen van Sleidinge, over schaatsen en fietsen, de heilige Sint-Joris en de heilige Godelieve en over Harald von Siegesar, de dichtende edelman die tot de verbeelding sprak. In enkele maanden tijd vertelde en schilderde kunstschilder Georges Steel zich een reputatie bij elkaar. Met Frans kwam je in Beiroet al een eindje weg. Maar Georges sprak na een tijdje ook een aardig woordje Engels en Arabisch. En als het Jiddisch van uit Europa gevluchte Joden traag werd gesproken kon hij ook wel verstaan wat bedoeld werd.

De Vlaamse verhalenschat en de grapjes van Georges gingen als een lopend vuurtje door de stad. En op een moment dat Georges dacht dat zijn dorpsverleden nog slechts dat bundeltje mooie herinneringen was, stond Hilda von Siegesar aan de deur. Georges kende Hilda als meisje in het dorp, een stuk ouder dan hij, poetsvrouw bij Van Damme, daarna verklikt en opgepakt bij een boerenfamilie. Nu woonde ze dus in de kleine Joodse wijk van Beiroet, bij verre familie. Ver weg van de holocaust. Gevlucht voor de haat. Hij wist niet dat ze de dochter was van Harald von Siegesar, een kunstminnende vriend van zijn vader. Hij kende haar achternaam nooit. Dat kwam hij nu pas te weten. Ze was dus
Joodse, veronderstelde hij. Ook dat kon Georges maar vermoeden, gezien de arrestatie tijdens de oorlog.