Interview met Luc De Vos uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Luc De Vos: “Je moet niet verkalmen, je moet ver’woesten’.”

Ter nagedachtenis…

Op zondag 17 juni 2012 krijgt Cirque Constance 17 bands op zes podia om de N9 te ondersteunen. 4N9. Vzw Driewerf Hoera is bijna vzw Driewerf Bye Bye. Ik weet niet of die actie 4N9 daarbij geholpen heeft, maar de N9 kreeg uiteindelijk toch zijn subsidies een week later. Wij spelen in De Blauwe Maan in Kaprijke. Ik stuur bijna achteloos een mailtje naar Luc De Vos om eens, for old times’ sake, te komen kijken. Daar zit hij dan aan de toog. Met een koffietje. Ik zo fier als een gieter. Hij, met uitgestreken gezicht: “Bart, je hebt me toch een beetje teleurgesteld. Je lag pas na het derde nummer op de grond te krawietelen. Je moet niet verkalmen, maar nog verwoesten.” Ik straal. Die woensdag gaan Dominiek en ik bij hem thuis in Gent voor het interview en de fotosessie. De afspraak was al gemaakt. Maar het kon al niet meer stuk.

De hippies

“Kom binnen, jongens. Het is Bart zeker?” Ja, en dit is Dominiek de fotograaf. We starten het interview in de keuken, maar zoon Bruno en het buurvriendje zetten net de speelkamer op stelten en we voelen ons verplicht de rust van het stadstuintje op te zoeken. “Man, die klootzakken maken nogal lawaai”, klinkt het. Een lach op zijn gezicht. Vos is in vorm. Laat dat duidelijk zijn. We gaan meteen op zoek naar het moment dat hij wist dat muziek en performen centraal zou staan in zijn leven. “Niet de eerste keer dat ik die vraag krijg. Maar dat was wel al heel vroeg. In mijn kleutertijd. 1969.” Topjaar. Voor de wijn. En ook de kinderen die toen geboren werden, kunnen er mee door. “Je kent het wel. Die eerste zwart-wit televisie. Ik stond daar als heel klein kind verbouwereerd naar te staren. Naar die hippies. En die popmuzikanten. Ik, de vijfjarige kleuter, met mijn plastieken kamionnetje in de hand.” Zoals hij het vertelt, lijkt het wel een liedje van Gorki.

Veronica komt naar je toe

“Ik vond dat zo ‘wijs’. De hele lagere school lang keek ik naar Toppop en Radio Veronica. Dit lijkt wel de middeleeuwen zeker? Ik word er vijftig dit jaar. Neen, serieus, ik wist toen al dat ik ook zoiets wou doen. Ik zocht maten om een groep mee te starten. Ik wou popmuzikant worden en op achttienjarige leeftijd speelde ik al in een band. Illusieloos, hoor. Ik had toen niet het idee om ermee door te breken. Dat heeft toen nog tien jaar geduurd. Maar ik meende het wel. Ik speelde heel veel op mijn gitaar. ‘Tsjinke Tsjanken’ zoals ze dat in Wippelgem zeggen. Ik was mijn skills aan het ontwikkelen. Alle respect voor de duizenden die ook ooit in een band speelden en niet doorbraken. Maar ik wilde het zo hard, dat het ook gelukt is. Ik was overtuigd van mezelf. Toen al.”

Die laatste dans

Wat is er dan zo belangrijk bij het ontwikkelen van talent? “Een vraag die me nog niet is gesteld.” Glimlach. “Het graag doen. Hard werken. Al is dat bijna hetzelfde. Als je iets graag doet, doe je het veel en werk je dus hard. Luisteren en lezen is ook belangrijk. Ik heb een heel brede culturele belangstelling. Altijd veel platen gekocht. Ik ben een fan van de radio. Ik luister naar Stubru, maar ook naar Klara. En hier in Gent vaak naar UrGent, radiozender voor Gentse studenten. Heerlijke muziek draaien die. Ik laat me onbewust beïnvloeden. En ik zuig op als een spons. Ik ga veel gaan wandelen. Veel gaan bekijken. Groepjes, kunstenaars. Het interesseert me allemaal. En ik erger me ook niet te veel. Dat is misschien wel een belangrijk geheim. Ik kan naar Willy Sommers luisteren en het machtig vinden .” Anja, die laatste dans moet je mij nog schenken. “Precies, onze eerste single verwijst naar de zangeres Anja die in 1968 nog een hit had met ‘Die laatste dans moet je mij nog schenken’.” Hij begint de sixties hit voor te zingen. “Een typisch voorbeeld van beïnvloeding in mijn werk”, klinkt het.

De kleine Gentse podia

We schakelen over naar de wonderjaren. “De kleine Gentse podia en de jeugdhuizen rond Gent zijn voor mij een belangrijke leerschool geweest. De Houla Balou, The Cover, Frontline, noem maar op. Het was ook de periode van de Zes Van Gent. Als je twee man en een paardenkop kunt ‘onderhouden’, dan kan je het met vijfhonderd man ook. ‘Onderhouden’. Entertainment. Het Engels heeft daar een schitterende term voor. Als je dan zo’n zaaltje in Ertvelde of Waarschoot wilt inpakken, dan moet je voor ambiance zorgen en fantastische liedjes spelen. Dat is het geheim. Iemand die doet wat ik doe, is een aandachtsjunk. Sowieso. Je schrijft voor 50% een nummer voor jezelf. Die andere 50% is communicatie.” Hou van me? “Precies.” Met de Zes Van Gent staat een generatie muzikanten op in Gent. Een scene. “Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig. In Gent was er niks. De eerste optredens in de Vooruit dateren van 1982. Je had wel Chirofuiven. Maar dat was huilen met de pet op. Vanaf eind de jaren tachtig kwam daar verandering in. En nu zitten we met onze muzikanten overal ter wereld. Netsky en Gotye die maken nummers op hun slaapkamer en veroveren de hele aardbol. Er is veel veranderd, hoor. En met de Zes Van Gent waren wij een beetje de eerste generatie die de Gentse motor in gang heeft gezet.” De Zes Van Gent waren Les Charmeurs (uit Evergem-Belzele), Gorky (nog met ypsilon), The Pink Flowers (met Bruno De Neckere), The Laroids (met Armand Bourgougnie), De Candy Dates en De Vrienden van Lieven Tavernier (rond Koen Wostyn).

Mia

Is Mia nu het beste nummer dat hij ooit schreef? “Ik heb ondertussen zo’n 200 nummers opgenomen. Die liedjes zijn mijn kinderen. Soms denk ik wel eens dat ik enkele van die nummers eens opnieuw moet opnemen en een andere wending geven. Ik heb soms het gevoel van een gemiste kans. Maar als ik heel eerlijk ben, is het beste nummer voor mij datgene wat ik laatst op plaat bracht. De nieuwe nummers doe ik het liefste. Een nummer tot stand brengen, is een heel aangenaam gevoel. Dat komt ook niet op één, twee, drie. Dat groeit tijdens repetities en als het ‘af’ is, ben ik er ook verliefd op. Het liedje ‘Mia’ is een eigen leven gaan leiden. Dat was onvoorspelbaar. We namen het op maar het was geen single. Tijdens de eerste concertreeks waar we het nummer speelden, werd het wel woordelijk meegezongen. Dan voel je dat zo’n nummer toch is blijven plakken bij de mensen. Toen me in 1995 gemeld werd dat er een nummer van ons in de Top 100 Aller Tijden stond, dacht ik aan ‘Lieve Kleine Piranha’. Het bleek Mia te zijn. Fans gaven hun topdrie door aan Studio Brussel met op één het nummer One van Metallica, met het nummer Suds ’n Soda van dEUS en met Mia van ons. Dat vond ik te gek voor woorden. Zo’n zacht nummer tussen harde rock. Heel eigenaardig was dat.”

De perfecte popsong

“Ik heb deze week nog een discussie gehad met mijn vrouw Sandra over wat je nu een perfecte popsong is”, vertelt Luc. “Ik zal een voorbeeld geven: ‘Time tot pretend’ van MGMT. Dat is voor mij de perfecte popsong. Dat zit leuk in elkaar. De tekst doet er niet doe. Maar je voelt vreugde en humor. En het nummer start met een catchy lijn. Een ‘hook’ zoals wij dat noemen. Da’s de perfecte popsong. ‘Penny Lane’. Of ‘Daydream Believer’. The Monkees. Machtig. Het moet ook altijd een heel zomers gevoel geven. Een gevoel waar je beter van wordt.”

Vos ken ik al lang. Ik was getuige van ‘zijn’ Rockrallyfinale in 1990. Op het einde van de set gooide hij zijn gitaar hoog in de lucht en kon ze pas ternauwernood redden van de ondergang. Toen wist ik dat hij een hele grote zou worden. Luc De Vos en Wippelgem. Hij heeft een tweeledige relatie met de streek waar hij opgroeide. Hij doet er vaak lacherig over. Maar hij kan ook zo ontroerend lyrisch zijn. “Ik ben geboren in Gent. Opgegroeid in Wippelgem. Op mijn twaalfde naar Gent op internaat gegaan. En eigenlijk nooit meer de stad losgelaten. Maar ik ben een jongen van een kanaaldorp. Wippelgem, een dorp zoals Ertvelde, Rieme, Langerbrugge, Doornzele.” Het wordt stil. “Iedereen in mijn klas was zoon van een werkmens”, vertelt Luc. “Van de eerste tot de laatste ging zijn brood verdienen een drietal kilometer verder in de grote bedrijven van de haven. Mijn vader ook. Hij werkte bij Sadaci. Zo’n draak van een fabriek op de grens met Evergem. Ben er nooit in geweest. Mijn vader stierf op zijn 59ste. Ik was toen acht jaar. Ik groeide op in een groot katholiek arbeidersgezin. In een zeer beschermde omgeving. Dat heeft me geleerd om in mijn liedjes positieve zaken te belichten. Die achtergrond, Wippelgem, vind je zeker in mijn werk terug.

U2 in Deinze

“Maar diep in mijn hart ben ik een stadsmens. Op mijn twaalf jaar ontnomen aan die toen nog zeer landelijke omgeving. Maar als ik er nu kom, denk ik altijd: ‘den buiten is weg’. Alleen verkavelingen. Nee, voor mij is de stad de oplossing. Ik zie dat Gent vol komt wonen met West-Vlamingen die ‘den buiten’ ontvluchten. Ik juich dat toe. De stad moet groeien.” Je weet nooit wanneer je hem vast hebt. Zijn songs stralen van naïeve positiviteit. Tegelijk doen ze tasten naar het diepste buideltje in je hart. Je hoort weemoed, verdriet maar ook veel bitterzoete humor. En de spons blijft al die invoeden opzuigen. “Ik ben een echte Rockrallyfanaat. Ik volg zowat alle preselecties. Hier ook in Gent doe ik niets liever dan jonge groepjes spotten in de Video of de Kinky Star. Je weet maar nooit of de nieuwe U2 staat op de planken. Of het nieuwe dEUS. Of The Beatles uit Limburg. Een nooit stoppende ontdekkingstocht. Ik heb trouwens U2 als onbekend groepje nog gezien in de Brielpoort in Deinze. De tournee ‘October’. Zulke ontdekkingen, daar doe je het toch voor?”

Terug thuis

Ik kom thuis en vind een mail in mijn box. Cirque Constance. Of ik Pornorama ken? Het vroegere Dr. Pepper Family. Uit Gent, met muzikanten uit Assenede. Ik zoek het gelijk op. Geniaal. Of ik ze ook wil interviewen? Ik zou wel willen, maar Vos is porno genoeg. Het boek nadert zijn einde. Maar inderdaad, zoals Pornorama nu gensters begint de slaan, stond Luc De Vos mee aan de wieg van een Gentse generatie. Een Gentse scene. En ik ben zo blij dat ik het als verre observator mocht meemaken. Ik heb het nieuwe U2 gezien in Gent. Verschillende keren zelfs: Gorki, Arid, Soapstone,The Pink Flowers, Kremlin Cowboys… En nu Pornorama, The Van Jets, Das Pop, … Allemaal kerels met verschrikkelijk veel talent die ik in mijn achtertuin wist beginnen. Maar heel eerlijk, Luc De Vos was toch één van de merkwaardigste van dat legioen merkwaardigen. Dat verandert niet.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Nadenken over voetbal, de Racing en de Gantoise

“Hoe een held als Léon ‘Trouet’ Mokuna nog geëerd werd?”

“Great sportmanship”, zegt de edele vader tegen zijn voetballende zoon van Old Ethonians die voor de eerste keer als rijkeluizen amateurteam tegen het professionele arbeidersteam Blackburn, nu The Rovers (?), uit het Noorden van Engeland verloor in de jaren tachtig van ook al weer twee eeuwjaartellingen geleden. Het moet nu de vijfde keer zijn dat ik de volledige serie ‘The English Game’ van Netflix bekijk en ik zit Godverdomme nog steeds met tranen in de ogen de capriolen van sterspeler Suter en zijn tijdgenoten te bekijken. Hoe kun je straffer de vinger op de wonde leggen van mijn eigen textielstreek hier in het Meetjesland? Hoe zeer kun je terugkeren naar het stamnummer 7 en stamnummer 11 van het Belgische voetbal, wetende dat het puur op leeftijd omgekeerd had kunnen zijn want dat ‘De Racing’, zwart en wit, net even ouder is dan ‘Ons Gantoise’, mijn blue white army?

Rugby, soccer, the English Games

Kijkend naar The English Game en mijmerend fier als ik mijn dochter rugby zie spelen met RC Meetjesland aan de sporthal van Eeklo, besef ik nu meer en meer hoeveel ik van voetbal en ‘het spelletje’ hou. Daarom vind ik rugby zo magisch, daarom speel ik zelf nog minivoetbal met The Mini Maple in Ertvelde. “Voetbal, voetbal, viva wit én blèw, voetbal, voetbal, ‘k bènder mee getrèwd”, zongen we toen de Hollanders Koudijzer en even later Schapendonk de koningen van het Ottenstadion waren. Ik herinner me nog mijn eerste bezoek aan het stadion met mijn grootvader, pépé Arsène, tegen Lierse aan de Brusselsesteenweg in Gentbrugge. De jonge Ceulemans stond nog op het plein bij geelzwart voor hij voor jaren naar Bruhhe vertrok, ploegspeler. Aan de betaalhokjes pronkten nog de letters ARAG en wat ben ik blij dat De Witte en Louwagie toch hun huiver voor de Buffalo Mars en de fanfaremuziek hebben laten varen, want hoe kwamen steeds tot op de dag van vandaag de haartjes op mijn arm omhoog toen alle Buffalo’s “Wie èst die op de kop marchee-eert…” begonnen mee te zingen. Het is nog steeds mijn favoriete hymne, boven de Vlaamse Leeuw en de Brabançonne.

Twee kanten aan de brug van Gentbrugge

Ik herinner me ook nog de rit terug, met mijn pépé zijn bruine Ford Taunus, onder de nieuwe en nu reeds afbrokkelende brug van de autostrade en het stadion van dat ‘andere’ Gent waar mijn grootvader over vertelde. Het Gent van de Ratjes waarmee de blauwwitte Gantoise tijdens de jaren ’50 samen in de eerste klasse speelde. Hij vertelde me hoe hij met zijn vrienden met de trein, lijn 52, vanuit station Sleidinge naar ‘Den Derby’ gingen kijken. Hoe Pélé ooit nog met Santos naar Gentbrugge kwam. Hoe een held als Léon ‘Trouet’ Mokuna, Gantoise én Sporting Lissabon, nog geëerd werd door de oudere generatie? En hoe voetbal een feest kon zijn, een feest dat generaties mensen en plekken verbindt. The English Game. Ook in textielstad Gent en omliggende, dat stuk Vlaanderen waar ik mijn hart heb aan verpand. Lyrisch ben ik over de Gantoise. Het is mijn jeugd en ook nu als ik er even bij mag zijn in de Ghelamco ben ik zo blij wanneer de Buffalo-mars weerklinkt en de bakkerszoon-indiaan Ben Bundervoet het veld betreedt. Wat een dynamiek, wat een schone club.

Eer & strijd

Maar ik herinner me ook de supportersclub van ‘De Racing’ op Sint-Jacobs aan de Vlasmarkt, ongeveer waar nu al eeuwenlang de Charlatan regeert. Die zwart-witte kleuren en die roemrijke geschiedenis zoals ook periodekampioen Royale Union en bijvoorbeeld Cercle Brugge die torst. En dan vraag ik me, als Buffalo, af of we in Gent niet de eer moeten bewaren om die tweede club, de oudste van al met stamnummer 11 (hoe mooi is dat niet?), in stand te houden en, ja zelfs, een duw in de rug te geven? Ik weet het, dit heeft niets meer met rock ‘n’ roll te maken. Maar ‘great sportmanship’, The English Game, verbondenheid, fair play, dat is toch alles waar rock ‘n’ roll mee te maken heeft? Ivan? Michel Louwagie? Just saying…

Naschrift: ik vind het raar dat hier nog niemand op gereageerd heeft maar, ik schrok er zelf van, Jan Ceulemans is in 1978 al van Lierse naar Club getrokken. KAA Gent kwam in ’80 maar in eerste klasse terecht. De topspeler die ik in het Ottenstadion zag spelen, zal dus niet de Caje geweest zijn maar Erwin Vandenbergh die nog tot 1982 bij geelzwart bleef voor hij naar die Brusselse deelgemeente vertrok. Datzelfde jaar ’80 speelden  de Rode Duivels de EK-finale. België had toen potentieel de beste voorlijn van Europa met Jan Ceulemans, Erwin Vandenbergh en Swat Van der Elst. Tien jaar later stond Ceulemans nog aan de top. Was Van der Elst na mooie jaren bij West Ham United weg gedeemsterd en zocht Erwin Vandenbergh zijn tweede adem bij ons, de Buffalo’s. Drie prachtige voetballers. Ik weiger dan ook de Caje uit mijn tekst te halen, aan zo’n speler raak je niet.

Een attente Gantoise-supporter liet me nog weten dat het café op Sint-Jacobs met de supportersclub van de Racing, café Tramway heette en ik denk dat dit klopt! Bedankt daarvoor.

Margriet prachtige bloem (deel 2) En dan naar Marche-en-Famenne

“Geen harmonie als het klikken zonder botsen is”

Geen vrede zonder een heel klein beetje oorlog, zingt Meuris al eeuwen. Met Georges en Walter moet Peetjens oogappel Margriet Van Renterghem één van de weinigen geweest zijn die nog van het bestaan van Hilda von Siegesar afwist na de oorlog. Hilda, de onechte dochter van Harald, die uiteindelijk ook zijn erfenis kon claimen, zijn geestelijk erfgoed zowel als zijn centjes. Margriet had nog de wieg geduwd van Arsène Van Damme en heel zeker die van Hilda von Siegesar. Als tiener kon deze jonge madam al eens een knipoog of een centje bijverdienen door eens op de kinderen van buren in de Weststraat te letten. Als jong kind had ze geen idee van de dorpsintrige die schuilging achter de onschuld van een baby in de wieg. Later zouden verhalen mythes en sagen worden en kreeg Margriet als volwassen vrouw lucht van wie Hilda werkelijk was. Dat kind dat toen niet de naam von Siegesar droeg, maar wel de voornaam Hilda. Dat kind ontmoette Margriet op een zomerse dag ergens tijdens de jaren zeventig in Marche-en-Famenne waar houtzagerij Cornelis bossen kocht en waarmee ze als stammoeder en boekhoudster dus rechtstreeks in contact kwam.

Poolse edelman

In een dorpje vlakbij Marche, Heure, had een familie een pied-à-terre om zaken te kunnen doen met de lokale boshandelaars. Monsieur Liégeois regelde er de zaken en regelmatig ter plaatse gaan, bevorderde welvaart en vooruitgang. Het China van toen lag in de Ardennen voor de Vlaamse zakenvrouw. In Marche-en-Famenne was een vrouw het dialect van de familie opgevallen. En in een intiem gesprek tussen nonkels en tantes viel het woord Weststroade waarop Hilda als wildvreemde voorbijganger had ingepikt. Het leidde tot een gesprek over Sleidinge en haar verleden. Over Harald von Siegesar. Over het huis met de toren. En nu wil toeval dat Hilda von Siegesar al enkele jaren getrouwd was met een Poolse edelman en woonde in Rue de Givet in Heure. Recht tegenover de pied-à-terre van de familie Cornelis-Van Renterghem, tussen de dorpjes Netinne en Baillonville. Toeval bestaat niet. Of toch? In ieder geval volgden regelmatig ontmoetingen tussen Margriet en Hilda. Het moeizame opzoekingswerk van Walter Verplaetse om meer over de Von Siegesars te weten, werd daar tijdens gezellige salonontmoetingen teniet gedaan. Margriet Van Renterghem wist alles. Maar niemand zou ooit inzage krijgen in deze geheimen. In Hilda’s zwerftocht door Europa en haar getormenteerde ziel, gekwetst door een oorlog die ze niet meemaakte en een andere oorlog die ze aan den lijve moest ondervinden. En quasi alle andere conflicten die sinds Churchill ons continent teisterden. Want als Hilda reisde, vond ze geweld op haar pad. En Margriet Van Renterghem nam als luisteraar van sterke verhalen dit allemaal mee in het graf.

Nadenken over zwarte zondaars

“Boogschutter die draken doorklieft”

Ik vond het raar, laatst, om bij een begrafenis van mijn vriendin haar mama niet zomaar de kerk binnen te mogen komen en de mannenvleugel rechts op te zoeken, waar ik altijd mijn bidplekje vind. Gelukkig waren de glasramen met verhalen er nog en Sint-Joris, die ridder die draken doorklieft en bij me blijft tot op de Olymposberg daar in het Noorden van Griekenland. Sinner’s Day aan de vooravond van 1 november komt er aan. En The Arch zal er spelen. Zelf verfoei ik het Halloween-idee want 1 november is voor mij een Heilige Dag, Allerheiligen.

Vader

Ik bezoek mijn vader, die ster in de hemel. Mijn pépé, bomma, mémé en die grootvader die ik nooit kende. Nonkels, één tante want al die anderen leven nog en moeten eeuwig bij me blijven, samen met mijn mama. Maar voor New Wave maak ik een uitzondering. Ik snap het wel, die sacrale ode aan de dood en donker denken. New Order. Revolting Cocks. Ian Curtis. Echo & The Bunnymen. The Sound. Front 242. Sisters. The Cult. The Mission. Wayne Hussey. Jawel, The Arch. Namen op mijn pennenzak. Waarvan die laatste een zanger was, uit mijn klas, in Brussel. Ysabie en ik liepen Centraal Station uit richting onze nieuwe school, het Rits. Op de metro tot in Studio Sonart liep voor ons een punker. Dat was hij. Gerd Van Geel. Onze klasgenoot en stem van The Arch. Toen al. 16 jaar en een platencontract. Faut le faire. 36 jaar ouder en ik maak nog steeds mijn platen zelf. Of niet. Maar het kwam er dus van. Vonk en Reu vroegen me om mee te gaan naar The Arch. Natuurlijk wel. Ribdancer zat nog wel ergens in een ver geheugen. En veel van wat Gerd me ooit vertelde, bleef ook in mijn hersenen dwalen. Vooral dat van Wayne Hussey die op zijn kot bleef slapen. En zijn ongedwongen visie op beeld en geluid.

Hemzelve

OK, daar staan we dan. In Sint-Niklaas, in De Casino, waar ik ooit zelf nog op het podium mocht staan, voorafgaand aan God, Stijn Meuris, Hemzelve. Met Vonk en Reu, twee schone maten uit mijn ver verleden. Maar liefde blijft. Ik luisterde, ik zag. Ik was verblind door Nel Mertens. Natuurlijk wel, de vrouw is een spiegel. Maar Gerd op dat podium. Dat was een andere sidder. Doorleefd, toch? Ja! Ongelofelijk. Eerlijk. Veel registers. En een knuffel om de prachtige avond af te sluiten. Hij was blij dat ik er was. Vonk vertelde me dat hij me een beetje vergeten was. Wat zou het? Natuurlijk! Ik heb die avond te veel gebabbeld. Tegen hem, tegen Ivan (de gitarist). Mijn fascinatie voor Luc De Vos. Misschien had ik daar beter over gezwegen. Soms kan ik mijn dwaze muil niet houden, moet het misschien te veel over mezelve gaan. Maar ik ben gelukkig als een kind naar huis gereden, langs de Expresweg. Met Vonk en Reu. En ik heb nog dagen geluisterd, op de CD-speler van mijn auto. Naar die plaat van The Arch, net uitgebracht voor of tijdens corona. Zoals Woesten dat heeft moeten doen. Heb ik het al over Gerds registers gehad? Die plaat. Hele schuiven registers en emoties zitten daar in.

Iets met kloten

In zijn stem. Ik beheers als kleine zanger uit ‘t Meetjesland nauwelijks 1 register. Gerd trekt elk blik registers en emoties open wanneer en waar hij dat wil. Ik wil maar zeggen. 16 jaar, de platenfirma’s hadden het reeds (‘al’ klinkt niet plechtig genoeg) gehoord. Jawel, The Arch is internationale klasse. Een band die er staat. En neen, het slijm loopt niet langsheen mijn grote muil. Ook niet langsheen mijn kloten of Brusselmansiaanse flamoes. Maar waren The Arch geen Belgen slash Vlamingen uit het Duvelse Breendonk geweest, dan waren Werchter en Pukkelpop regelmatige klanten. Net als Glastonbury. Gelukkig is er dus Sinner’s Day. Ik was er al, met Bollock Brothers, ‘muurbloempje’ Anne Clark en Front 242 in Hasselt, maar dit jaar zal ik niet komen. Casinoir, die zwarte nacht in De Casino van Sint-Niklaas met Vonk, Reu, Nel, Gerd en Ivan, dat is een cadeau voor het leven. Dat pakken ze Van Damme niet meer af. Dat krijgt een plekje in de hemel mijner herinneringen. Babbelaar, grote muil of bedeesde sukkel. So be it!

Margriet prachtige bloem (deel 1) van Calcutta naar New York

Margriet, dochter van peetjen uit de States

Peetjen Van Renterghem vertelt. “Jij hebt een muil om kak op te sorteren.” Ze keken weeral in mijn richting. Omdat ik als enige op de wereld Miele ben blijven geloven. Ik ken Miele. Dat is geen moordenaar. En dat komt nu uit! Er is Godverdomme alweer een oorlog moeten overgaan. Maar zo dachten ze er in mijn dorp Sleidinge niet over, in 1925. Iedereen geloofde dat Miele haar vermoord had, dat poppemieke die de kop van al die jonge gasten zot maakte. Juist getrouwd was ze, Zulma. Maar in de fabriek zag het er anders uit. Tussen de vier muren van een weverij. Wat wil je? 21 jaar en in de jaren van hoop na de oorlog, een andere tijd dan de miserie die wij moesten trotseren in het jaar nul. Allez, ik ga dat kind nu niet afbreken en ik versta dat een gezonde vent zot is van parmantig vooruitstekende borstjes die door het bloesje prikken. En van een uitdagende lach waar je dagen later nog over fantaseert in de vroege morgen. Ik versta dat heel goed. Iedereen in onze fabriek Calcutta was zot van dat wijf. En ze draaide elke vent rond haar vinger. Ik vond dat ook een schoon wijveken, die Zulma, al was ze zo oud als mijn dochters. Ik keek ook eens naar haar gat. Waarom daarover liegen?

Nog voor de bisnummers mag je me bijten
Mijn vriendin staat erbij maar ze zal niet kijken
Ik zie het licht in jouw triestige ogen
Kan ik je troosten? Ik wil niets beloven
Want niemand danst, niemand danst, niemand danst met twee

Verklaar je me zalig voor de eerste kus?
Dan loop ik weg voor je mijn lippen lust
Je speelt met gevoelens en dat is niet fijn
Weet je nog hoe wij mannen zijn?

Knop omgedraaid

Maar Miele? Neen, die was altijd met zijn werk bezig. Die zag zulke dingen niet en had zijn knop al lang omgedraaid toen hij omtrent de leeftijd van dat textieldelletje had, vele jaren daarvoor. Miele zat bij Baas Dobbelaere in de zak. Die ging zijn domme smoel niet meer open trekken. Of stoten riskeren. Goudeerlijk was Miele. Een jong meisje vermoorden? Echt niet. En ik geloofde dat een jaar lang, toen hij in de bak zat. En met mijn franke toot kon ik daar niet over zwijgen. Ik ga niet veel op café. Nu ook niet. Ik heb nochtans tijd. Toch, ik blijf daar weg. Maar hoe ging dat in die dagen? Je kwam dan toch eens aan de toog de één of de ander tegen. En dan zei ik het recht af: “Miele? Vanzeleven niet.” En dan keken ze in mijn richting. “Bol het maar weer af, Van Renterghem, ge zijt het gewoon.” En soms kon ik me dan weer eens niet houden, zoals 25 jaar daarvoor. Altijd een beetje opvliegend geweest. Gelijk mijn vader, zeker? En dan gaf ik er één een koek op zijn oog. Om dan snel weer een paar weken uit het zicht te blijven op Sleidinge. Alleen bij de pompiers, daar lieten ze mij gerust. Daar vertrouwden ze mij en zagen ze mij graag. Dat was mijn eiland. En in de fabriek moesten ze ook schone zwijgen, ik wist te veel. Over iedereen… Dacht ik.

Ruiten ingeklopt, einde oorlog

Nu, na twee oorlogen, heb ik minder last van dorpse vooroordelen. Iedereen respecteert mij. Mijn dochters hebben het ver geschopt, zakenvrouwen en goed getrouwd, en mijn zoons zijn harde werkers. Binst den oorlog heb ik niemand een strobreed in de weg gelegd. Integendeel. Ik heb mensen geholpen en ik heb er mijzelf nooit mee op de borst geklopt. Niet gelijk die sossen in dat café op de Motte. Maar wie het moet weten, weet het wel. Dat ik dat gedaan heb. Wat ik niet gedaan heb: mensen hun ruiten ingeklopt en gevels beschilderd na de oorlog. En meisjes hun haar afgesneden of bespuwd. Er zijn er hier zelfs verkracht in ons Heilig Dorp. Veel van die slachtoffers hadden nul komma nul met de zwarten te maken! Smeerlappen. Dat is hier wreed geweest op Sleidinge. Ge moogt dat gerust opschrijven. Dat ik dat gezegd heb.

“Zwijg toch ne keer, Pa!”

Maar van heel dat affaire zijn wij gelukkig met onze familie bespaard gebleven, dat spel van die ‘zwarte’ en die ‘witte’. Ik was niet voor ‘den Duits’, maar ik wou ook geen kloterijen en blinde wraak toen die vervloekte oorlog achter de rug was. Geen lafaardstreken. En ik wist ondertussen al 45 jaar wat massabijeenkomsten en volksfurie allemaal teweeg brengen. Genoeg is genoeg. Elk zijn kot. Elk zijn gezin. Rust laten waar rust is. Zeker als het over de oorlog gaat. Maar in de jaren voor de tweede oorlog, en zeker tijdens de jaren twintig, werd ik dus wel nog altijd met een scheef oog bekeken in het dorp. En al helemaal toen ik Miele zijn kant koos. Ik was de enige. De roeper in de woestijn. Mijn Leonie kon daar kwaad voor zijn. “Moar zwijg toch ne keer, pa!” Ze wou niet dat de kinderen dat hoorden. Daar kon ze zich daar vreselijk in opwinden. Nochtans, anders hadden wij echt nooit ruzie. Leonie is mijn alles. En mijn dochters natuurlijk. Maar als ik gelijk heb, heb ik gelijk. Dan kan ik moeilijk zwijgen. Toen niet en nu niet. Ik ben een koppige ezel. Gelijk mijn vader, zeker? Leonie wachtte dan maar, tot het overwaaide. Ze doet dat nog altijd zo. Twee koppige ezels samen.

Amerika!

En dus keken ze in 1925 in Sleidinge weer in mijn richting. Ik was het al eens op een lopen moeten zetten in ’t dorp. Dat heeft mij tot in Amerika gebracht. Een hele poos ben ik daar geweest. Wat een avontuur was dat. Zal ik het eens van naaldje tot draadje vertellen, hoe ik daar in Amerika terechtgekomen ben?

Het was al in de herfst voor het jaar nul dat er in de fabriek heel wat miserie was. Boel met Baas Dobbelaere. Tot en met. Van een koppige ezel gesproken. Dat had hij van zijn vader, zeker? Nochtans was hij eigenlijk de kwaadste niet. Van de liberalen in de textiel, ook in Gent, Waarschoot en Eeklo, werd gezegd dat ge veel beter af waart om in zo’n fabriek van een Goddeloze te werken. Mij was het eender. Ik wist niets anders. Als kloefkapper had ik te veel concurrentie en de boeren hadden geen geld. Slechte aardappeloogst. De textiel betaalde nog iets of wat. Dus ik mocht starten bij Dobbelaere. Wij werkten op stukprijs. Wat wij weefden, werd per stuk betaald. Maar door de crisis rond het jaar nul kwamen er minder bestellingen binnen. Minder bestellingen betekent minder werk. Minder afgewerkte stukken betekende: minder geld voor ons. De wevers brachten in het geheim zelfs hun kinderen mee om ook te werken, zoveel honger was er bij de textielarbeiders in die dagen. Kinderarbeid was pas afgeschaft. Maar bij ons, zoals in de andere fabrieken, moest er regelmatig eens zo’n jonkie in kleerkast worden verstopt om de controles te vlug af te zijn.

Kinderarbeid

En Baas Dobbelaere? Die was daarvan op de hoogte, ja. Maar toen interpreteerden wij dat als een toegift van hem, dat kinderen ook een centje konden bijverdienen om het gezin te helpen. Bazen waren, op zekere hoogte, ‘heilig’ voor ons. Maar zelfs het laten werken van kinderen was niet genoeg om je boterham te verdienen. Het werkvolk had honger. Ik ook. Maar ik was wel wat gewoon. Ik kwam uit een kloefkappersgezin. Met de eersten die begonnen te zagen in de fabriek was ik totaal niet akkoord. Maar toen tijdens de winter de honger genadeloos toesloeg in Sleidinge, kregen de stakers en grootste lawaaimakers plots veel steun. Ik ging daar als vanzelf in mee. De meeste Calcutta-arbeiders eigenlijk. Behalve die gasten die speelgeld kregen om ons te verklikken. Maar je wist niet altijd wie je kon vertrouwen en wie niet. Als ze van Diermans kwamen, moest ik ze niet. Diermans, de fabriek aan het station, daar zaten wat klootzakken samen. Echt krapuul. Je had daar de sossen zitten, kun je nagaan. Tuig van de richel. Brakgasten, zoals wij dat zeggen.

Sossen

Je wist, ze komen van Diermans en ze moeten bij ons de sossen introduceren. De Internationale Gedachte. Goddelozen, Godverdomme. En die kerels vielen dan nog al bij al mee, achteraf bekeken. Al had Dobbelaere dat heel vlug door. Als het geen échte sossen waren of vuile communisten Godbetert, bleven zulke overlopers van Diermans ‘aan de stoasse’ bij ons voor enkele weken en dan wist je: dat is verdacht, ze kwamen gewoon spioneren in opdracht van de bazen, om al wie kritiek had gewoon buiten te laten pieren en hun plaats in te nemen. Die ‘elementen’ werden in het geheim door het patronaat gesneukeld, geld toegestopt. De fabrieksmuren hadden ogen én oren. En ik ben er altijd in geslaagd om op het werk te luisteren maar niet te veel te zeggen. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Je moest je bek houden op de werkvloer, dat was het slimste.

Het jaar nul

Zelfs tijdens de Grote Revolutie zoals wij het noemden, in het jaar nul, was ik zeker niet haantje-de-voorste. Wel integendeel. Ik was nog zo jong, net geen 20. En die oudere mannen in de fabriek zouden niet lang wachten. Een klop op uw façade, daar werd in die tijd niet te lang over nagedacht. En een mes was rap getrokken. Je kon beter voorzichtig zijn.
Onze Miele stond daar als heel jonge kerel boven. Hij was niet direct mee met de stakingsgedachte en hij was als de dood om Baas Dobbelaere iets in de weg te leggen. Hij speelde zelfs in de baas zijn ‘blauwe fanfare’, de Goddeloze Godverdomme. Maar de winter van het jaar nul was er zoals gezegd voor iedereen te veel aan. Mijn collega Miele ging aan de kant van de stakers staan. En toen Miele sprak, luisterde iedereen. Zelfs de oude garde. Mijn kameraad, mijn wijkgenoot. Ik was heimelijk fier op hem. Dat hij met zoveel vuur ‘voor de zaak’ ging. Prachtig. Maar dat was niet zonder gevaar. Smoezelen met Dobbelaere gaf je al gauw het etiket ‘verrader’ bij het werkvolk, babbelen met die van Diermans het etiket ‘onbetrouwbaar’ (je zou zomaar een sos kunnen zijn) in heel het dorp en opkomen voor de rechten van alle arbeiders in de fabriek gaf je bij de bazen het etiket ‘communist’, sowieso. Dan mocht je nog wekelijks de eucharistieviering bijwonen. De pastoor, de koster, de fabrieksbaas, de schoolmeester en alle notabelen van het dorp spuwden jouw naam uit. Je stond in een rijtje met alle brakgasten en ze deelden je zelfs in bij de sossen van Gent! Bij Miele gleed het af zoals water bij een eend. “Het pad van de rechtvaardigheid”, noemde hij het.

Eigen portemonnee eerst

Miele vloog over alle aardse problemen. Als een jonge Griekse god. Door zijn persoonlijkheid. Door zijn welsprekendheid. Hij kon het verdomme goed zeggen. Pas 25 jaar later zou hij het deksel op de neus krijgen. Maar dat wist hij toen niet. Hij werd bewonderd en aanbeden. Door jong en oud. Door de snelste wijven. Hij kreeg de kutjes nat. Miele kaartte de onrechtvaardigheid aan bij de bazen, Miele praatte met de oude garde om hen wat te bedaren, Miele kreeg zijn jonge lotgenoten zo ver om mee te strijden met de oude garde voor meer rechtvaardigheid. In het begin geloofde zelfs baas Dobbelaere in de praatjes van Miele. Tot hij alles liet narekenen door de boekhouder. En toen begon het conflict pas echt. De situatie zat muurvast. Dobbelaere dacht vooral aan zijn eigen portemonnee. De werknemers hadden honger. Veel honger. Tot eind november 1899. De Calcutta-werknemers hadden er genoeg van. Het was het begin van een staking die tot diep in april zou duren. Een sociaal conflict dat het dorp generaties lang zou tekenen en verdelen.

Kaarters

Er is hevig gevochten in Sleidinge, die wintermaanden van het jaar nul. Er waren bijna constant tweeëndertig rijkswachters in het dorp op post om de gemoederen te bedaren. En langs beide kanten werden de gemeenste trucs bovengehaald. Niet alleen werd door de patroons bij de Sleidingse textielconcurrent Diermans gezocht naar stakingbrekers, maar ook collega-textielfabrikanten uit Waarschoot en Eeklo brachten arbeiders aan om de staking in Sleidinge teniet te doen. Dobbelaere had connecties. Veel connecties. Omgekeerd stelden de stakers zich op langsheen de spoorweg om diezelfde ratten te bedreigen. Ze gooiden stenen, er werden messen getrokken, dochters en vrouwen werden belaagd. Er werd gedreigd, gevochten, gezopen, geneukt én verkracht. De stakers kwamen in het geheim samen op het hof van August Criel op Daasdonk en daar werden, van arbeiderszijde, de lakens uitgedeeld. Wie in de fabriek werkte en tegendraads was, had het geweten. Daar werd ook het voedsel voor de gezinnen en arme mensen verdeeld. Er heerste een cultuur van angst. Je was bang om in het dorp rond te lopen. Het was niet de familie Dobbelaere maar de arme man die maandenlang het onderspit moest delven en honger lijden.
Op een zaterdag in februari gebeurde het. Een caféruzie in de Weststraat ontaardt en het morrende volk slaat aan het muiten. De rijkswachters grijpen in en rekenen zelfs op hulp uit Evergem en Gent. Ik, al een tijdje getrouwd maar nog een jonge papa, zit ook in Café ’t Spiegelhof. Ik ging daar regelmatig heen. Om iets te drinken, eens te ontspannen in het weekend maar ook om te helpen. Joris Van Hulle, cafébaas en mijn verre neef, houdt een oogje in het zeil en ik mocht me er veilig voelen. Maar die dag staat heel het dorp in brand, iedereen is kwaad op iedereen. En om God welke reden komen tien Gentse rijkswachters plots ’t Spiegelhof binnen. Tien gewapende dienders en ongeveer vijftig zatte Sleidingenaren, dat is geen goed idee. Hier komen problemen van. Ik hou me van de domme en ik blijf in de buurt van enkele kaarterstafeltjes.

“Gij moet hier weg”

Tot één van die rijkswachters mij herkent. Ik had enkele dagen daarvoor mee betoogd met kameraad Miele. Ik was mijn hevige zelf geweest. Opvliegend. De borsten bol en de vuisten gebald. Ook toen werd er gevochten. En veel geroepen. Over hun moeders die voze hoeren zijn en zo. Dat was die rijkswachter niet vergeten. “Van Renterghem, eens kijken of ge nu zo fel zijt.” Hij was van Evergem en we hadden ook nog een andere openstaande rekening, iets met Leonie van enkele jaren geleden. Ik ga niet in detail treden. En dat kalf slaat dus met zijn geweerkolf in mijn richting. Ik spring weg. De kaarters waren ondertussen braaf tegen de muur gaan staan. Behalve Domien Tichelbaut. Die was rustig blijven zitten. Beetje dronken. Hij was nog de pak kaarten bijeen aan het scharten en had echt geen zin in gedoe. Tichelbaut, boerenknecht, was er zo één die dacht dat als hij deed alsof er niets gebeurd was, er hem niets kon overkomen. Verkeerd gedacht natuurlijk. De geweerkolf van die Evergemse gendarme kwam terecht op de achterkant van Domiens hersenpan. Het bloed spatte overal, tegen de muur. Tichelbaut was op slag dood. Iedereen keek met afgrijzen naar het tafereel. Alleen kozijn Joris Van Hulle reageerde vliegensvlug. “Hier gij”, snokte hij mij bij de mouw. “Kom mee achter de toog. Gij moet hier weg.” In een mum van tijd stond ik in zijn tuintje en stopte hij mij in een berghok, tussen zijn toebak en sigaren. “Blijf hier.”

Gekloot tot over de oren

Die dag werden dertig van mijn werkmakkers op Calcutta gearresteerd en naar De Nieuwe Wandeling in Gent afgevoerd. En ik zat in het toebakkot van Joris Van Hulle. Iedereen zocht mij. De boeren in Sleidinge om op mijn muil te slaan want Tichelbaut was populair, de flikken omdat ik volgens hen de eenendertigste was die achter de tralies thuishoorde en mijn vrouw omdat ze ondertussen alles van horen zeggen had. Ik was gekloot tot over mijn oren.

Mijn verre neef Joris liet mij een nacht zitten in zijn kot. Voor dag en dauw kwam hij het kot binnen. Heel kalm. Hij legde mij van naaldje tot draadje uit, hoe ik te voet in Ruiselede moest geraken. Café New York. Daar moest ik zijn. Een goede dertig kilometer van mijn dorp. Voorbij Aalter zelfs. Hoe Joris dat allemaal wist? Cafébazen horen van alles. En Amerika was de droom van velen in Sleidinge. Het goud hing er aan de muren, als je sommigen mocht geloven. Joris deed toen iets wat heel mijn leven zal bijblijven. Zonder iets te zeggen, stopte hij me geld toe. Veel geld. En hij keek recht in mijn ogen. Ik mocht niet weigeren. We namen geen afscheid.
De volgende dagen zou de rust wat terugkeren in Sleidinge. Baas Dobbelaere kwam met een eerste toegift: een vast daguur voor de arbeiders. En begin maart zou in Café ’t Buisken aan het Vaardeken de eerste Sleidingse afdeling van de Kristelijke weversvakbond ‘Recht en Plicht’ worden opgericht. Maar de details daarover hoorde ik pas maanden later. Er was geen tijd te verliezen. Ik heb ook mijn gezin niet meer gezien. Joris ging Leonie verwittigen, zei hij. Ik verdween als een kat in de nacht. Café New York in Ruiselede, dat was dus geen succes. Ik was daar al vrij vlug al mijn geld kwijt geraakt, had ik dat gewild. Messentrekkers. Schorremorrie, ik heb er geen ander woord voor. Geld verdienen op andermans kap. Mensensmokkelaars, aftroggelaars.

Het ruime sop

Ik ben direct verder gevlucht. Naar de zee, naar Oostende. Met de naïeve gedachte dat ik daar ook wel op een boot zou geraakt zijn. Daar in de stad Oostende heerste veel armoede. Maar wel goudeerlijke mensen, die vissers. Ze kenden de troebelen in Sleidinge, dat had overal in de gazet gestaan en bij alle werkmensen in Vlaanderen liep dat nieuws als een lopend vuurtje . Die arrestaties hadden van de Calcutta-arbeiders bijna nationale helden gemaakt en ook in andere textielsteden als Gent, Verviers, Ronse en Eeklo was de kwestie van de daguren en de stukprijs op de tafel gekomen. Die vissers geloofden mij meteen, dit was nieuws geweest over heel België. Ze geloofden mij op mijn woord, dat ik een gevluchte Calcutta-arbeider was. Ik kon zo maar wat verzinnen ook. Maar ook de dood van Tichelbaut was hen ter ore gekomen. Die dag was er nog iemand vermoord door de rijkswacht, voegden ze er aan toe: Ivo Meire. Ivo kende ik vrij goed. Ook doodgeslagen. Heel erg van geschrokken. Mijn aandeel in de dood van Domien, daar hadden de vissers niets over vernomen. Mijn nauwkeurig verslag had hen blijkbaar vertrouwen gegeven. “Wieder kunnen joen noar Antwerpen voaren”, klonk het. “We moeten toch geirnoars op de Honte gon vangn.” Zij zouden mij op de Westerschelde brengen en me op een vrachtschip loodsen. Dat kostte mij geen frank. Maar ik zou wel moeten werken op de boot. Eerst op hun garnalenschuit én dan op het vrachtschip. Maar van werken is nog nooit iemand doodgegaan. En behalve voor wat pinten en prachtige nachten in de Oostendse Langestraat kon ik van Joris zijn geld zo veel mogelijk afblijven. Weken na het incident in ’t Spiegelhof en na dagen corvee op de Oostendse vissersboot ‘Maria van Vlaenderen’ werd ik ter hoogte van Vlissingen aan boord gehesen op een Hollands vrachtschip naar New York. In plaats van naar Antwerpen meteen naar Amerika, mijn God! Ik moest meteen aan het werk op dat schip: het dek zwabberen, patatten schillen, gerief versleuren om de matrozen te helpen. Hard werk, maar ik werd dagelijks uitbetaald. Meer dan ik op Calcutta verdiende.

Werken op de boot

De eerlijke mensen werken op het water. Diegenen op de boot die ik begreep, de Nederlanders, die kon ik niet aanspreken. Officieren en stuurmannen praten niet met dekzwabbers en de mannen van het vuile werk. Maar het was wel handig om hun instructies meteen te begrijpen. Zo kon je vaak een klap op je kop vermijden. Want die Hollanders lachten er niet mee. Eén kapitale fout en ze zouden je overboord gekieperd hebben ook. Gevaarlijke kerels. Machtswellustelingen.
Dat was bij de matrozen helemaal anders. Daar heerste solidariteit, een beetje zoals bij het werkvolk in de fabriek bij momenten. De taal van die Indiërs, matrozen en mannen van het vuile werk, daar begreep ik geen snars van. Maar de Indiërs hielpen mij wel, op hun manier. Het Nederlands en Belgisch geld konden ze inwisselen voor Amerikaanse dollars bijvoorbeeld. Of voor wat extra eten. Of voor pijptabak. De Indiërs wisten werkelijk alles te regelen op de boot en op de kaaien van de grote wereldhavens. Bankiers. Commerçanten. Gouden kerels. Diepgaande gesprekken hebben we nooit gehad, kon ook moeilijk. Maar er was wederzijds respect. Voor mij was het de allereerste kennismaking met mensen die een andere huidskleur hadden. Maar zij namen mij voor wie ik was, en omgekeerd ook. Dat ben ik sindsdien blijven doen, en dat heeft me geholpen. Zoals tijdens mijn kort verblijf in Amerika waar ik plots tussen de zwarte mensen terecht kwam.
Toen ik de boot af kwam, had ik meer geld dan toen ik er op stapte. En ik had geen angst voor het vreemde. Geel, groen, rood of zwart: niets kon me deren. Alleen het gemis van mijn vrouw en kinderen. Dat knaagde heel hard. Ik had er op dat moment ook geen benul van dat Leonie voor de vierde keer zwanger was. Gelukkig maar, dat ik dat niet wist. Die pijn was niet te harden geweest, en ik had het nu al moeilijk. In de haven van New York botste ik op een man terwijl ik warrig aan het rondkijken was. Het was toch wel een Vlaming zeker, van Zulte. Hij heeft maar weinig woorden met mij gewisseld maar wel één belangrijke zin tegen mij gezegd: “Blijf van de Belgen weg. En ook van de Italianen. Ze gaan je pluimen.” Die boodschap heb ik ter harte genomen. Ik knikte en wandelde verder, de New Yorkse nacht binnen. Met mijn dollars van op de boot kon ik terecht in een slaapzaal met veel zwarte mensen, veel mensen zoals ik, op zoek naar een betere toekomst maar ook naar lekkere warme soep. In de buurt ging ik soms een pintje drinken in een duister café, altijd op dezelfde plek. Ver weg van de Belgen en Italianen. Niet in de buurt van Ellis Island, niet aan de poort van de miserie. Want daar heerste de misdaad. Het was op aangeven van de Indiërs op het Hollandse vrachtschip dat ik op het dok al na enkele uren aangesproken werd. Of ik boten kon helpen lossen? Dat was niet heel ver van waar we aangemeerd waren. Ik had werk. Ik voelde me vrij.

In dat kleine café aan de haven

Eerlijk? Ik ben mijn tijd in New York nooit veel verder gekomen dan die buurt aan de haven waar ik was gearriveerd. De slaapzaal, het werk op de dokken, hetzelfde café met zwarte dokwerkers… en rondhangen in het nabijgelegen postgebouw. Want daar heb ik meteen, bijna dagelijks, brieven op de post gedaan voor Leonie en de kinderen. Ik smeekte hen per brief om over te komen. Na vele dagen hard labeur in de haven kreeg ik antwoord. Ja, ze had mijn brieven gelezen. En ja, ze zou komen. Over de zwangerschap heeft mijn Leonie niets geschreven. Ik stuurde het geld op, al de Belgische franken die ik niet had gewisseld bij de Indiërs.
Weken later kreeg ik op de slaapzaal het bericht dat ze aangekomen was met de Red Star Line uit Antwerpen. Maar al gauw vernam ik dat ze teruggestuurd zou worden vanaf Ellis Island omdat ze zwanger was en de drie kinderen heel ziek waren. Het Beloofde Land had alleen sterke en gezonde mensen nodig. Ik heb zo snel mogelijk alles in het werk gesteld om op Ellis Island te geraken. Dat was niet evident en dat heeft me heel veel geld gekost bij die Italianen, echte smeerlappen. Ik ben Leonie in de armen gevallen en ik heb gezegd: “Het staat mij hier niet aan. We gaan naar huis.” Het arme mensenkwartier op de Red Star Line was quasi leeg bij het terugkeren, in de plaats daarvan werden katoenbalen en kisten vol suiker in de kajuiten gezet. En hier en daar een teruggestuurd gezin. En zo zijn we terug in Antwerpen beland, bestolen en bedrogen door die Italiaanse mensensmokkelaars in New York, zonder geld, met mijn hoogzwangere vrouw en drie zieke kinderen.

“We gaan terug”

Terug in Sleidinge, in het Moederhuis, is ons Margrietje geboren. Ik heb mijn stoute schoenen aangetrokken, ben naar Baas Dobbelaere toegestapt en op aangeven van Miele mocht ik opnieuw starten in de Calcutta. Miele die als stakingsleider op het einde van de winter baas Dobbelaere zo ver had gekregen dat alle gearresteerden opnieuw mochten beginnen in de fabriek en dat mensen een eerlijker loon naar werken uitbetaald kregen, was ondertussen gepromoveerd tot meestergast. Hij bleef zijn leven lang één van de trouwste bondgenoten van de baas. Hij was wel nog een vooraanstaand lid van de vakbond en Dobbelaere wist dat. Eén vingerknip van Miele was genoeg om de boel weer plat te krijgen.
Achter mijn rug werd misschien nog geroddeld op Sleidinge maar in de Calcutta zelf viel over mijn vlucht geen onvertogen woord meer. Ook bij de pompiers mocht ik meteen weer starten. Men aanvaardde mij zoals ik was. Er zijn daarna nog stakingen en discussies geweest in de Sleidingse textiel. Maar een conflict zoals in het jaar nul, dat hebben we nooit meer gekend. En Leonie? Die heeft over dat Amerikaanse avontuur nooit één slecht woord gezegd, we droegen het beiden als een geschenk. Telkens ik ons opgroeiend Margrietje zag, toverde dat kind een glimlach op mijn gezicht. Zij was voor altijd in mijn hart en in mijn geest ‘mijn Amerikaantje’. Mijn oogappel heeft het dan ook ver geschopt: ze werd boekhoudster van twee houtbedrijven. Met haar man André Cornelis bouwde ze een succesvolle zagerij uit. Trotser kan een vader niet worden. Mijn Amerikaantje…

De waarheid dooft uit

En als er op café vragen over gesteld werden, op duistere en zatte momenten, dan liep ik weg. Opnieuw de nacht in, maar wel huiswaarts. De boeren lieten mij gerust. De blinde wraak, waarvoor ik nog jaren angstig was, kwam er niet. De opengespatte hersenschedel van Domien Tichelbaut werd stilletjes vergeten. De Evergemse rijkswachter van de dodende geweerkolf zat nu zelf in Amerika, hoorde ik later. Ik weet zelfs niet of er nog veel mensen over mijn rol op de hoogte waren. Ofwel had neef Joris Van Hulle één en ander toegedekt? Ik weet het niet. Eén ding weet ik wel: als Joris me riep, kon hij op mijn hulp rekenen. Joris en Miele zijn de beste stille vrienden die ik ooit had. Maar in 1925 laaide ‘ons verhaal’ plots weer hevig op. Wie met Miele een openstaande rekening had, kon nu in de handjes wrijven. Toen vloog Miele de bak in op verdenking van moord en ik was wellicht de enige in heel het dorp die hem geloofde. Ik alleen. En misschien Baas Dobbelaere, maar dat weet ik niet zeker. Maar mij werd het alleszins keihard aangerekend. Ik moest mij niet te veel buiten vertonen in ’25.
“Jij hebt een muil om kak op te sorteren.” Dat had die jonge sloeber van dertig jaar tegen mij gezegd. Op café. Zo zat als een Zwitser. Tegen mij, die nog de opstand van het jaar nul had meegemaakt en samen met Miele de fabriek had recht gehouden tijdens de Eerste Oorlog. Net te oud voor de wapens, waren we geweest, Miele en ik. Maar dat snotjong was net te jong geweest om naar het front te gaan. En van de generatie die er wel was geweest, waren er in de fabriek niet te veel mannen overgebleven. De meeste van die jongens waren in de loopgraven gesneuveld. Sommigen waren in 1925 nog niet zo heel lang terug uit Duitsland en waren totaal uitgeblust. Zombies, eigenlijk. Niets kon die jongens nog schelen. Die huilden en riepen ’s nachts luidop in hun bed om moeder. Velen werden ziek, verschillende jongens pleegden zelfmoord na de oorlog.

De moordenaar van Zulma

Nu had de uiteindelijke moordenaar van Zulma net na de oorlog wel in de troep gezeten en wist iedereen wel dat dat geen lieverdjes geweest waren die in Duitsland moesten dienen na de oorlog, want berucht vanwege roof en verkrachting in het Saarland. Misdadigers had de troep er van gemaakt. Maar toen dat kereltje in 1926, een jaar na de moord, naar Amerika trok, had ik die deugniet nooit verdacht van de moord op Zulma. Voor mij was dat een broekventje met een te grote mond, meer niet. Maar ik herinner me wel die ene zin op café toen ik met de mannen aan het discussiëren was over de onschuld van Miele. Dat was hij geweest. “Je hebt een muil om kak op te sorteren.” Ondertussen is ook de Tweede Oorlog gepasseerd, nog eens twintig jaar later. Maar dat moment herinner ik me nog heel goed. Ik ben boos. Heel zeker. Nu ik verneem dat hij het was, dat hij de moord op Zulma bekend heeft op zijn sterfbed in Amerika. En dat niemand dat gemerkt had. Dat hij tot zoiets in staat was! Moord en aanranding. De tering waaraan hij stierf, verdiende hij, daar doe ik geen sikkepit van af. Het lucht mij op te weten dat het goed was om altijd in Miele te blijven geloven. Als enige in het dorp. Nu de waarheid na al die jaren is komen bovendrijven. Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel. Peetjen Van Renterghem… Zijn verhaal. Zijn oogappel. Zijn dochter: Margriet.

 

Interview met Pablo Smet uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Pablo Smet (Jazzenede / Debuutrock / A Flying Kiwi Experience)

“Wat als er geen zotten meer zijn?”

Waar ontmoet je Pablo Smet? Strandpaal in Assenede? Had gekund. Maar ook Café Passé, op een zucht van de Rode en de Grote Geul in de weidse Asseneedse polders, is een echt biotoop voor Pablo. Je stapt er, nochtans midden in de natuur, een heel klein beetje New York binnen. Met een beetje geluk tref je er -ik zeg maar iets- Guido Belcanto, een andere kunstenaar of zelfs een professor aan de toog. Op zoek naar warmte en genegenheid.

Het is een eigenaardige winteravond. Al in de Bosstraat in Waarschoot, ruim 15 km daar vandaan, aanschouw ik in de verte al een rode gloed in de lucht. Aan Café Passé kun je het nog veel beter zien. Een reusachtige gele vlam die de hele omgeving rood kleurt, als Soddom en Gomorra: Dow Chemicals in Terneuzen ontbindt al zijn duivels. We drinken een thee en schakelen over naar het onderwerp van de dag: muziek. Pablo’s muzikale geschiedenis is een dubbel spoor, een parallel pad.

De Eeklose academie

Hij schetst eerst het pad van ‘Pablo, de muziekliefhebber’. De muziekkenner, als je het mij vraagt. “Als manneke van 6 jaar bezocht ik vaak mijn grootmoeder die conciërge was in de Academie van Eeklo. Waar nu de bib is. Daar was een grote mediatheek met honderden platen. Naar het schijnt, was ik gefascineerd door de viool- en pianoklanken die je in de academie kon horen. Ik herinner me daar nog flarden van. Ik herinner met ook mijn eerste cassetjes toen ik tien jaar was. Van Elvis Presley, gekregen van diezelfde grootmoeder. En ‘Thriller’, van Michael Jackson. Het was ook de tijd van de Top Dertig op de radio. Zaten we op zaterdagvoormiddag niet allemaal klaar met de vinger aan de ‘record’knop, om de tofste liedjes en zo weinig mogelijk stem van de presentator mee op te nemen?” We herkennen het. “In het derde en vierde middelbaar, in Zelzate, ging het dan de foute kant op”, glimlacht Pablo. “En bij de Chiro van Rieme. Ostrogoth is me dus niet onbekend. Vrienden uit de jeugdbeweging die vaak iets ouder waren dan mij, brachten me vrij vroeg in contact met The Doors, Patti Smith, Led Zeppelin, Jimi Hendrix, … . Daarna volgde de new wave en alles wat daar van subculturen bij hoort: The Mission, Sisters of Mercy, The Cure, Front 242, Neon Judgement, … Daarna heb ik daar ook de punk aan toegevoegd: The Ramones, The Stooges, The Exploited, Crass, …”. Pablo wijst op de ferme kloof die er toen bestond tussen de rockers (met gitaar als heilige koe) en de ’dance-adepten’ (met elektronica als heilige koe). “Dat waren als het ware twee verschillende werelden. Het is in 1991 dat mijn ogen en vooral mijn oren open zijn gegaan, tijdens het Mind The Gap Festival op de terreinen van Hengelhoef. Dat festival werd georganiseerd door Gonzo (Circus), een toen nog obscuur fanzine (maar ondertussen een schitterend tijdschrift over vernieuwende muziek en cultuur. Een aanrader voor de ‘meerwaardezoeker’, volgens Pablo). Een festival lang surfte ik er tussen de rockgroepen en alternatieve elektronicabands, lang voor Underworld en The Prodigy. Ik was onder de indruk van bands als Pitchshifter (een echte crossover van metal en samples) en Astralasia (psychedelische trance & ambient dub). Sindsdien wandel ik rond in een muzikaal veld van 360 graden. Alle genres bekoren me, maar ik zoek altijd de underground, het voorgeborgte, waar muzikaal talent in veel gevallen op de rand van de doorbraak staat. Midden de jaren negentig botste ik dan via de muziekcafé ‘De Strandpaal’ in Assenede ook nog op de wereld van de jazz. Daar en toen werd misschien wel de kiem gelegd voor het latere Jazzenede… Thuis heb ik een muziekverzameling (langspeelplaten en singles, maar ook CD’s en DVD’s) die ik opgedeeld heb in genres, waarbinnen alles dan nog eens alfabetisch én vervolgens chronologisch gerangschikt staat. Kwestie van toch het overzicht te bewaren en de weg te vinden. Maar mijn muzikale smaak is zo divers dat ik weiger nog te denken in hokjes. En dat ondanks de vele hokjes in mijn platenkast.”

Passie

Iemand met zoveel passie voor muziek? Die wil daar ook iets mee aanvangen. “Da’s het tweede spoor”, knipoogt Pablo. “In 1989 richtte ik samen met vrienden de in Rieme lichtjes legendarische groep De Storsn op. Lang voor De Dolfijntjes speelden we andere nummers na en zetten daar onze eigen grappige teksten op. We hebben ons daar enorm mee geamuseerd, maar het trok op niets.” Pablo bulderlacht. Hij komt op dreef. “Dat was voor mij een fantastische periode. In Rieme had je toen het café ‘Mioritza’, met achteraan een zaal. Het gebouw was tevens een soort opvanghuis voor Roemenen die naar België kwamen. In ‘den Mio’ gebeurde van alles. Dat was echt heel tof. Er werd veel gerepeteerd. Wist je trouwens dat Ostrogoth tijdens hun repetities ongewild de eucharistieviering in de Sint-Barabarakerk infiltreerden? Door één of andere technisch mankement aan de klankinstallatie van de kerk, schakelde het systeem in de kerk af toe over op wat er in het repetitielokaal van Ostrogoth gebeurde. Hilarisch gewoon. Het was ook de tijd van jonge groepjes als Proza, The Stoneage Romeos en Less Than Zero. In die tijd was al twee keer een editie van Debuutrock doorgegaan.” Vincent Welvaert was de drijvende kracht achter Debuutrock en heeft trouwens nu nog steeds een succesvol muziekcentrum Goedleven in Gent. “En ik had Debuutrock al twee keer meegemaakt. De derde keer heb ik wat meegeholpen. En de vierde keer werd ik gevraagd om in het bestuur te komen. Het was vooral onze bedoeling om groepjes kansen te geven. Ons voordeel was dat we zo gek waren om heel Vlaanderen af te reizen, om in de repetitieruimte zelf de groep te gaan beluisteren en bekijken. Waanzin, maar zo kwamen we wel tot een indrukwekkend palmares.”

Lijstjes

We lopen samen, bij wijze van een quiz, het lijstje af: Soulwax, Metal Molly, A Beat Band (met Stef Kamil Carlens, later Moondog (Jr) en Zita Swoon), LoopLizard (met JP De Brabander uit Waarschoot, later Delavega, Girl Named Wolf en Café Londres), The Nothing Bastards (met Gabriel Rios), Word (later Ozark Henry), Thou (later met Micha Vandendriessche uit Evergem, nog op Werchter gestaan), Sioen, Zornik (toen nog Zornik Breknov), Admiral Freebee, Dubtales, Venus in Flames, … “En dan niet te vergeten het talent dat we gespot hadden, maar dat reeds bij een platenlabel terecht kwam alvorens we hen op Debuutrock konden plaatsen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Arid. Waarvan ik toen al vond dat Jasper Steverlinck een schitterende stem had. Hun geluid balanceerde tussen Kyuss en U2. Maar Double T Records tekende hen en dat was voor ons dus net te laat om ze nog op Debuutrock te plaatsen. We zijn toen ook begonnen met Mandala Productions vzw, we gaven nette albums uit met groepen die bij ons op het podium stonden. Luister nog maar eens naar de versie ‘Kill Your Darlings’ van Soulwax op ‘onze’ CD. Ik vind dat nog altijd heel straf. Beter dan de latere versie van dat nummer die op hun debuut-CD terecht kwam, vind ik persoonlijk.”. Debuutrock verhuisde naar Gent en Mandala kreeg ook het Oost-Vlaams Rockconcours (nu Oost.Best) in handen. Samen met Debuutrock organiseerde Mandala Productions ook nog ‘Dichter bij Rock’, ‘Cartoondebuut’, ‘Jong Geflitst’ en MOVe! (Muziekdag Oost-Vlaanderen). Tussendoor organiseerde Pablo ook nog enkele ‘Culinaire Concerten’ (op vraag van CC de Herbakker) en ‘OnderStromingen’ (op vraag van CC Evergem). In 1999 riep hij A Flying Kiwi Experience in het leven, onder meer een manier voor Pablo om aan platen van independent labels te blijven geraken toen ze zelfs in de beste platenwinkels niet meer lagen. “Ik heb dan maar zelf mijn Underground Music Store opgericht, mijn virtuele platenwinkel (zonder fysieke winkelruimte). Dan hadden we ook nog Tour ‘n Avise, waarbij het de bedoeling was groepen aan concerten te helpen. Ondertussen werd er meegeholpen op andere festivals en werd er veel muziek gedraaid (onder andere onder de noemers ‘Listening Sessions’, ‘Trax to Relax’ en ‘Nacht van (de) Compost’). Ik was acht maanden roadmanager van Ozark Henry. LoopLizard lag me heel nauw aan het hart en heb ik van heel nabij gevolgd. En dan vergeet ik misschien nog te vermelden dat we op een bepaald moment met Debuutrock gingen samen zitten met o.a. Vers Geweld (drummer Steven Van Havere van Arid, West-Vlaanderen), Limbomania (Limburg) en Debutantwerpen om Poppunt Vlaanderen op te richten. Dit om te wegen op het rockbeleid in Vlaanderen, wat later de clubs ook hebben gedaan met het Clubcircuit. En nu is er al enkele jaren (sinds 2003) Jazzenede, dat Pablo samen met zijn kompanen organiseert.” Ik weet niet goed waar te kijken. Wat een boterham. Hoe krijg je dat in die enkele jaren voor mekaar? Er brandt me één vraag op de lippen en ik moet Pablo onderbreken om de vraag te kunnen stellen. Waarom? “Ik weet het niet.” Opnieuw bulderlachje.

Geen axioma’s

“Ik zal het zo stellen. De dag dat er geen zotten meer zijn die dit willen doen, gebeurt er niets meer. Bovendien, ik stel me gedurende het proces van organiseren, altijd dezelfde vraag. Waarom doe ik dit toch? Wat is dat allemaal waard? Maar als het er is, dan krijg je kippenvel. Ik denk nu spontaan aan een recente ontdekking: Rape Blossoms. Schitterend is dat. Ik verwacht daar heel veel van. Dat is toch de rode draad, hoor. Die ontdekkingstocht. Als Alice in Wonderland op zoek gaan naar schitterende muziek. Ik opereer in het voorgeborgte. Puzzelen met dingen die andere mensen (nog) niet kennen. Vroeger was ik ook DJ op deze manier. Maar als ik nu draai, tracht ik toch meer rekening te houden met mijn publiek en minder als missionaris aan het werk te gaan. Maar het kriebelt toch altijd om er eens een plaatje tussen te gooien van ‘luister hier eens naar’. Wat zo boeiend is aan muziek, is dat er geen formules voor bestaan. Er bestaat geen axioma van ‘doe dit, doe dat’ en je hebt een hit. Bij mij komt het er op neer: het moet me iets doen. Daarom ben ik thuis ook nog af en toe bezig met soundscapes en geluidseffecten combineren. Ook circuit-bending (het openbreken van bestaande apparatuur, met de bedoeling er nieuwe geluiden uit te halen) fascineert me mateloos. ” We kijken hem vragend aan. Dan toch nog muzikant? “Tja… niet echt… meer een knutselaar met apparatuur en geluiden…“ Wie geluiden combineert, is muzikant. Punt. “Ja, eigenlijk, het is waar. Toen ik in 2007 papa werd heb ik een beetje gas moeten terug nemen. Maar ik ben nog behoorlijk actief: Jazzenede, ik werk aan een boek over elektronische en experimentele muziek en er zijn nog tal van zaken die me drijven om bezig te zijn. Want, Bard, wat als er geen zotten meer zijn?”

Vinyl

Het afscheid nadert. Maar Pablo is niet meer te stoppen. “Ik geniet hiervan. Allez, vinyl, dat is nog zo iets. Iedereen weet ‘zogezegd’ dat vinyl geen andere, aparte klank heeft dan een CD. Althans dat heeft men toch wetenschappelijk vastgesteld. Maar toch geeft vinyl volgens mij meer warmte aan muziek, een warmte waar ik enorm aan gehecht ben. Hoe komt dat dan? Het is een beetje zoals regisseur David Lynch die bij de mix op het einde van zijn films nog stilte opneemt in een kamer en dat toch nog onder de film heen steekt. Dat is toch geweldig? Niemand kan bewijzen dat dit de film een upgrade geeft. Maar ik denk ergens toch van wel. Vinylplaten bepalen ook mee de manier waarop je naar muziek luistert. Een plaatkant duurt gemiddeld iets meer dan 20 minuten en dan moet je de plaat omdraaien. En ondertussen genieten van het artwork op de hoes en de geur van vinyl…”.

One to many (12”)

“Van vinyl gesproken. Ken je Patrick Bastien, klankman bij muziekclub N9? Die heeft ooit een elpee met Vibø opgenomen. ‘One to Many’ heette deze 12”-plaat. Te vinden op internet, maar nog beter: op vinyl! Opgenomen in 1983. (Belgium) staat erbij vermeld. Het moet gezegd, The Game is een beklijvend nummer. “Ook een gast uit de buurt, hoor. Geweldig toch? Zo’n elpee daar betaal je nu meer dan 55 euro voor. Als je de elpee nog vindt, tenminste.”, zegt Pablo met stralende ogen. We praten nog wat en hebben het nog over Steven Janssens (van The Whodads , The Revelaires, Daan, Mauro, …). “Die gaat nu touren met Mark Lanegan (ex-Screaming Trees). Het gaat soms hard, hoor. Of de Soulwax-broers die met 2 Many DJ’s echt over de hele planeet zitten. Chapeau, toch?” Pablo kan blijven doorgaan. We nippen nog even van onze thee. “Ik vond het gezellig. Echt.”

*Mioritza betekent welkom in het Roemeens
(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

 

 

Interview met Piet Notteboom in 2012, Rock ‘n’ Roll Niemandsland

Piet Notteboom (Summerbummerdownerfolk): “Geloof het zelf, da’s al een hele stap”

Dieter Van Meulebroeck vertelt ons een spannend rock’n rollverhaal van aan het Schipdonkkanaal: “We organiseerden met Angst een concert onder de brug van Balgerhoeke. We deelden toen flyers uit met datum en uur van het geheim concert van Angst, men moest zich inschrijven via een mailadres. Geheimzinnigheid troef. Die bewuste dag stuurde ik de locatie door. Net als Nirvana in de Democrazy op 2 december 1989 was half Belgie daar.” Een brugconcert in de stijl van Manchester eind de jaren tachtig. Geniaal eigenlijk. “Het aanwezige publiek had gelijk”, vertelt Meullie. Een verhaal dat ons meteen bij Piet Notteboom brengt.

In de Meton in Eeklo, ook eind jaren tachtig, is zanger Piet Notteboom van Summerbummerdownerfolk nooit geweest. “Beetje te jong”, vertelt de Adegemnaar zacht bij een heerlijk glaasje Kriek Girardin bij me thuis. “Maar ik ben wel nog naar een fuif geweest in Eeklo waar ‘de tijd van de Meton en de new wave’ uitvoerig werd herdacht. Dus ik ken het fenomeen ‘De Meton’ wel. Ik weet ook wat er mee bedoeld wordt. Ik ben nochtans helemaal niet zo’n fuifganger, hoor. Ik speelde 9 jaar bij de fanfare ‘Verenigde Vrienden’ in Adegem. Trombone, bariton en tuba speelde ik. Het was mijn doel om het instrument zo goed mogelijk onder de knie te krijgen. Ik kreeg les van een zeer strenge leraar. Ronny Derk, van de Zeeuwse marine en de Gidsen. Taaie leermeester was dat. Niet geoefend? Na drie minuten had hij dat door en kon je gaan. Eerst oefenen en dan de volgende les. Ik heb daar toch heel wat van opgestoken: harmonieën, spelen met nuance, de kleur van klanken. Na 9 jaar vond ik het niet tof meer en ben ik ermee gestopt.”

Fanfare

Uiteindelijk bracht de fanfare in Adegem Piet Notteboom richting rock’n roll. Met Summerbummerdownerfolk lukt het goed. We zijn fan. Wij horen Tindersticks, Cave… Piet onderbreekt. “The Gun Club, is ook al gezegd. Ik krijg die opmerking ontelbare keren. Nick Cave ken ik natuurlijk wel, maar van al die andere groepen die op ons geluid worden geplakt, ken ik vaak de muziek niet. Laat staan dat het me zou beïnvloed hebben. Ik zoek dat ook niet op of zo. Ik heb ook geen zin om als kloon van een andere groep door het leven te gaan. Het lijkt me weinig nuttig om alles in hokjes te stoppen. Mijn vader durft dat ook te doen als we naar muziek luisteren. Hij hoort Anna Calvi en dan meteen een stempel daarop.” Een gulle lach. We herkennen het. “Ik begrijp dat wel, hoor, maar ik wil ook dat men dat genuanceerd doet. En dat men niet uit het oog verliest wat echt van de muzikant zelf komt. Het persoonlijke.”

Geloof

Wat is het geheim van Summerbummerdownerfolk? “Als je zelf gelooft wat je op het podium brengt, dan is dat al een hele stap. Mijn ambities zijn vooral inhoudelijk. Ik heb met een song vaak een basisidee en ik wil op het einde van het proces, na het schrijven en het arrangeren van de muziek, nog altijd hetzelfde basisgevoel hebben dan toen ik, helemaal in het begin, aan de basis van de song stond. Op dat vlak ben ik een beetje een despoot in de groep. Het moet kloppen. Ik heb wel geleerd om meer inbreng te aanvaarden en het is niet meer zo dat we drie of vier songs op een uur repetitie ‘als nieuw’ inblikken. Er wordt stevig aan gewerkt door al onze muzikanten. Zo brengt Naomi die bij ons zingt bepaalde kleuren in de songs die enorm verrijkend werken.”

Donkerte

“De inbreng van de muzikanten (Bert Cambier, Jeroen Naert, Naomi Symons en Mathieu Laridaen) ten opzichte van mijn inbreng als songwriter is gegroeid. Mét die inbreng is ook de groep zelf gegroeid. Ik heb het geluk dat ik kan werken met vier muzikanten die er meer dan 100% willen voor gaan. Dat is al een een serieuze stap. Dan is de missie eigenlijk al geslaagd. Waar ons dat dan overal brengt, dat zien we wel. Maar als het op die manier hier rond onze kerktoren kan, kan het in principe overal.” Missie? “Zo zie ik mijn pad wel. Het gaat over meer dan muziek alleen. Ik ben ook bezig met schrijven en toneel. Muziek is slechts een kanaal. Het gaat mij om balans en nuance.” Al kan je de donkerte en de toon van Summerbummerdownerfolk ook associëren met mensen die net balans zoeken. Is dat ook zo bij Piet Notteboom? ”Ik voel me niet meer of niet minder uit balans dan andere mensen”, glimlacht de zanger.

Joy Division of Neil Young?

We kennen Piet Notteboom van de rockgroepen Angst en Fun Department. Bij die laatste band kan de link met ‘zwart’ moeilijk ontkend worden, want ze speelden covers van Joy Division. “Ik heb die groep niet zelf opgericht. Tom Rys heeft me gevraagd. Omdat ze een zanger zochten. Ik heb daar wel wat van opgestoken. Maar het werd op de lange duur allemaal een beetje te letterlijk Joy Division. Zo kom je uiteindelijk in een doodlopend straatje terecht.” Het was trouwens niet Joy Division maar Neil Young die het licht deed schijnen bij Piet Notteboom. “In de humaniora leerde Niels Latomme van Penguins Know Why mij rock ’n roll kennen. Hij bracht me in contact met groepen als Tool, maar ook met Neil Young. Ik heb wel een jaar lang naar niets anders dan Neil Young geluisterd. Zonder dat hij me één seconde verveeld heeft. Muziek appreciëren gaat om één woord, één zin, één blik. Iemand die op het podium staat, moet zelf ‘gepakt’ zijn door wat hij wenst te vertellen.”

The Late Great Planet Earth Club

“Muziek doet grenzen verleggen”, besluit Piet Notteboom. “Zo stuurde ik al een paar nummers naar Rik Bracke uit Maldegem. Die mens werkt al vele decennia aan composities en dat bezorgde hem zelfs een contract bij R&S, een belangrijke platenfirma uit die tijd. We spreken 1997. Rik Bracke was toen 33. The Late Great Planet Earth Club, zoek het maar eens op.” De Morgen spreekt over de plaat ‘The Club Itself’ van ‘de eeuwige zoektocht naar het volmaakte geluid’. Hij krijgt schouderklopjes richting Zappa, Captain Beefheart en Tom Barman. Een genie op de zolderkamer. Voor zijn tweede plaat had hij geen tijd om de modaliteiten te bespreken met de mensen van R&S. Hij was patatten aan het koken en had een kleine op de arm. Toen heeft Rik ingehaakt en R&S heeft nooit nog iets laten weten. “Er kan veel”, zegt Piet Notteboom. “Maar alles moet als puzzelstukjes in elkaar vallen. En soms vind je een puzzelstukje niet meer terug. Ik heb met Rik een beetje samengewerkt en het is echt super wat die allemaal maakt.” Op Soundcloud vind ik fantastische zaken terug. Een trip. Notteboom en Bracke. Daar horen we misschien nog iets van.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Piet is naast gezinsman ondertussen die creatieve duizendpoot gebleven. Zijn pen staat niet stil. Theater is een passie. Muzikaal is het wat stil, maar dat gaat niet blijven duren. En zijn humor blijft even geestig, gortdroog maar prachtig. Een fantastische mens. Morrissey meets Ian Curtis meets Paul van Ostaijen. Ook nog in 2021. Voor hem, deze donkere song.

Arsène Zonder Vrees (Deel 2) De zoon van Jules van de klok

De zoon van de schilder-behanger trouwt met een molenaarsdochter

In die periode voor de Eerste Wereldbrand wordt ook de kleine Arsène geboren en het ging Jules voor de wind. In de nieuwe kasteeltjes langsheen de Weststraat mocht hij, op aangeven van Harald von Siegesar, verschillende gevels, kronlijsten en interieurs verzorgen. Soms was het werk te groot maar toen kon hij bij zijn familie terecht voor hulp, allemaal schilders. En ook de verfhandel floreerde. Maar toen 1914 naderde, bleek dat allemaal toch broos geluk te zijn. Ook de middenstanders in het dorp stonden vlugger opnieuw met hun klompen in de miserie dan bijvoorbeeld de boer van het noorden die voedsel produceerde en meer geld kon vragen voor vlees, graan en groenten.

Rollen keren

De rollen waren heel vlug omgedraaid. Met het groeiend conflict tegen de Duitsers daalde ook het aanzien van Harald von Siegesar. Zijn naam was daar niet vreemd aan. In eigen hoge Gentse kringen werd hij eerst de deur gewezen. Van de fabrieksarbeiders in het dorp kreeg hij al heel vlug een eerste steen in het
raam. Zij hadden immers nooit zitten wachten op die rijke klootzakken uit Gent, zoals zij het verwoordden. De boeren en middenstanders gingen als laatste overstag. Op het moment dat een opdracht niet doorging of zelfs Harald von Siegesar toch wat meewarig deed over de stijgende voedselprijzen op de markt, steeg de haat ook daar. De edelman bleef steeds meer in Gent en op een bepaald moment was hij plots van de aardbol verdwenen. Jules Van Damme was de enige die echt wist waarom.

Duitse naam hebben is gelijk aan  collaboratie tijdens WOI

De groeiende haat voor iemand met een Duitse naam was één ding. Maar in Café Rubens had de edelman tijdens een feestje ook een arbeidersmeisje zwanger gemaakt. Met groot geld en veel beloften krijg je arme meisjes moeiteloos in bed. In tempore non suspecto had de hele toog mee gebulderd van het lachen.
Mijnheer doktoor en enkele directeurs van de grotere bedrijven in het dorp konden er ook wel wat van. Men keek in die periode niet  op een bastaardje meer of minder. Even de portefeuille open, een vriendelijk bezoekje van mijnheer pastoor, mondje dicht en iedereen was het vergeten. De komst van de Duitsers
had de geheime tortelduifjes in hun prille geilheid niet tegengehouden. Maar na een jaar lag het voor een volwassen bronstige man met een Duitse naam en de jonge hitsige hinde lichtjes anders. Het zwangere tienermeisje en haar ouders verdwenen op hetzelfde moment richting Gent of verder. Jules Van Damme
beloofde zijn vriend dat hij het kindmoedertje en zijn vrucht zou helpen wanneer hem dat zou gevraagd worden, in de toekomst. Tegen
het einde van het eerste oorlogsjaar stond de Villa Von Siegesar leeg. Jules was de laatste geweest die hem sprak. In Sleidinge dacht men
dat Harald von Siegesar de vlucht vooruit had gekozen naar zijn vaderland. En het zwangere barmeisje en haar familie? Uit het oog, uit het
hart. Daar lag geen dorpeling wakker meer van. Die Grote Oorlog ’14-’18 was geen gemakkelijkenperiode voor de Van Dammes. Als stielman
konden schilders nog af en toe wat werk doen voor boeren die het zich konden permitteren.

Ziek als kind

En voor het Duitse leger schilderde hij de Villa von Siegesar opnieuw, om in te richten als hoofdkwartier. Daardoor kreeg hij ook enkele nieuwe opdrachten binnen. Maar het werken voor de Duitsers is hem net na de oorlog wel kwalijk genomen door de dorpsgenoten. Vooral die dorpsgenoten die ook fruit, fruitbakjes, metaal, geneeskunde en zielenheil uit de hemel aan de Duitse soldaten verpatsten. Het duurde, na 1918, nog maanden soms jaren dat soldaten
terugkeerden uit de hel die de Westhoek was geweest. Vele weduwen rouwden jarenlang voor hun helden die er achtergebleven zijn
en Sleidinge had na 1920 nood aan nieuw optimisme en aan vooruitgang. Langzaam maar zeker begon Café Rubens opnieuw te bloeien en
de jonge Arsène groeide op in een voorspoedig gezin, mét hondje en met een mooie tuin. De heropbouw had iets romantisch in Sleidinge. Von
Siegesar en zijn onechte dochter Hilda zaten al in een ver geheugen bij Jules en zijn echtgenote Madeleine. Mijn vader Hedwig mijmert over
zijn vader, de zoon van Jules. “Pépé Arsène ging naar het college in Merelbeke. Maar als tiener is hij heel erg ziek geworden. Hij heeft maanden in
de kliniek gelegen en het heeft weinig gescheeld of hij was overleden. Over de ziekte zelf werd thuis nooit gesproken. Ik weet daar niets over”, vertelt Hedwig. “Op oude kaartjes kan je wel de gesprekken met zijn mama lezen. Over hoe het met de hond is en hoe de familie, ook die uit Mechelen, zich heel erg bekommerde om enige zoon Arsène. Na zijn ziekte was de schoolachterstand wellicht zo groot dat hij zich inschreef in het Gentse Sint-Lucasinstituut en hetzelfde beroep aanleerde als vader Jules. Arsène werd, net als zijn verre neven in Sleidinge, schilder-behanger.” Toen Arsène trouwde met de molenaarsdochter Maria Taets uit Lembeke kon hij de zaak van vader Jules overnemen en begon hij te bouwen in de Weststraat. We sprekenjaren dertig. We spreken burgemeestersstrijd in het welvarende dorp Sleidinge.

De Belgen lijken wel met velen en ze
hebben echt niets meer te doen
Zie ze lopen daar in de Hemel, ze
kijken terug op de tijd van toen
Het voelt verlaten, de vinylplaten, de
groeven en de stilte van het stof
De helden zijn verraden, de vinylplaten,
verhalen zijn er nog maar klinken dof

Je kiest partij. Of je dat nu wilt of niet. In een dorp stop je jezelf niet weg. Was ook zo voor de jonge Arsène. Zijn vader had de rederijkerskamer. Hij wou zich cultureel manifesteren in de muziek. Hij werd klarinettist in de Harmonie Sint-Cecilia. In de volksmond: het ijzeren muziek. Door muziek
te spelen koos Arsène partij. Logisch, hij kwam terecht in de muziekmaatschappij van de ijzeren burgemeesterskandidaat Edgard De Paepe, metaalhandelaar en overbuur naast het voederbedrijf Velleman. Maar voor de houten burgemeester Maurice Ghijsbrechts en zijn aanhangers was dit dus een verkeerde keuze.
De Von Siegesar-kwestie, waar Arsène niets mee te maken had want toen vier jaar oud, kwam opnieuw ter sprake. Er werd lacherig over gedaan aan de toog. Een grapje aan de toog van een ijzeren café, werd een stuk scherper gesteld aan de toog van een houten
café. Zo scherp dat houten cafés gemeden werden. Behalve als het kermis was.

Veilig bosdorp Lembeke

Bij de familie van zijn echtgenote Maria Taets in Lembeke en Kaprijke had Arsène dat probleem niet. Heel verre nonkels en nichten kwamen ook uit deze buurdorpen. En de familie Taets had in deze dorpen overal een zegje. Als molenaar had Theofiel Taets, vader van Maria, goed geboerd. Hij kende de waarde van het geld, was een belezen man en investeerde in vastgoed. In tegenstelling met veel families in Sleidinge moeiden de Taetsen zich wel metpolitiek, er werd gehandeld. Boven en onder de tafel. En ook het smokkelgebied aan de Belgisch-Nederlandse grens lag niet ver. Een boer, een molenaar, een belegger moest alle kruimeltjes oprapen om te overleven. En veel kruimeltjes maakten een aardig stapeltje poen.

Dit gezegd zijnde, was Lembeke een totaal andere wereld. Buurdorp, dat wel. Maarmeer ingedommeld, afgesloten. Landelijker. En niet onbelangrijk: tussen Sleidinge en Lembeke liggen de bossen. Lembeke was voor Arsène en Maria ook de plek om op zondag alle besognes van de winkel en de
zaak eens te vergeten en aan de familietafel te genieten van de verhalen en de sfeer.

In Sleidinge hadden de kampen Hout en IJzer er voor gezorgd dat het kamp van de ijzeren oorlogsburgemeester meteen ook een eerder Duitsgezinde stempel op de kop kreeg. De oorlog was er met de Duitse ingekwartierde soldaten ook prominent aanwezig. In Lembeke nauwelijks. En het was in die context dat er, onder auspiciën van enkele Eeklose prominenten (enkele bedrijfsleiders en een pastoor), een actieve ondergrondse cel ontstond. Locatie?
Aveschoothoeve, vlakbij de Eeklostraat. In een waterput een radio en van die dingen. Af en toe iemand verborgen houden. Informatie doorspelen aan Radio Londen. Geen forse heldendaden. Van de meeste van die dingen was Arsène wellicht niet op de hoogte. De familie Taets wel. Maar als hij op pad ging
met de fiets werd al eens gevraagd om langs de haven de wachttorens te tellen. Ook de afstand ertussen. Of eens te luistervinken waar
de ingekwartierde soldaten mee bezig waren.Extra vriendelijk zijn tegen de officieren bij dokter Magerman. Enzovoort. Niets wereldschokkends. Geen heldendaden. Maar via Lembeke kreeg hij wel te horen dat Von Siegesar in Gent was opgepakt. Dat hij een Jood was, maar dat wist hij al. En ook de verklikking van Hilda, die na het inkwartieren van Duitse soldaten bij een bevriende landbouwer in de buurt kon onderduiken.

Verraad en tweespalt in Vlaanderen

Maar ze werd dus verraden. Door iemand op het dorp van Sleidinge. Die naam is nooit bekend geraakt. Maar Arsène ging er zich wel over beklagen bij de oorlogsburgemeester, ooit de patron van de ijzeren harmonie waar hij klarinet speelde. Een buur, een vriend. Dat dacht hij toch. Tijdens de oorlog heeft
hij er alleszins nooit iets van gemerkt. De Duitsers lieten hem gerust, ondanks de heel gerichte klacht. Dus heeft de burgemeester ook wijselijk gezwegen, dat staat vast.

Oorlogsburgemeester zijn, was dan ook geen pretje. Over burgemeester De Paepe in Sleidinge is weinig bekend wat dat betreft, maar zijn collega Van De Wiele in Waarschoot heeft na de oorlog de volle laag gekregen. De repressie was in beide dorpen even hard, maar na de oorlog heeft De Paepe gewoon de draad kunnen opnemen. Hij is toen wel uit de politiek gestapt. En de vete tussen IJzer en Hout is vanzelf opgehouden.

Dat brengt ons naar de Bevrijding. Het Belgische lintje op de vest tijdens de feesten en het smokkelen van Belgische driekleuren, voor de verkoop in de winkel, door de bossen van Lembeke naar Sleidinge in volle aftocht was nog het enige wapenfeit van Arsène want toen hij zag hoe de weerwraak ontaardde in het dorp
en de beperkte voorraad vlaggen in de winkel meteen uitverkocht was, hebben ze het daar maar bij gelaten. Dat, zo werd althans geroddeld, de knecht van de oorlogsburgemeester één van die feestnachten ook een lege metalen jerrycan door het winkelraam jaste, was er zeker te veel aan. Het dorp zat vol wederzijdse haat en hij kon zich als zelfstandige geen verdere stellingname permitteren. “Slecht voor de winkel”, noemde mijn bomma het. Als ervaren glassnijder kon Arsène het winkelraam meteen herstellen en de twee latjes in het vroeger volledige winkelraamzouden de enige getuigen van het voorval blijven. Na de oorlog werd dochter Lydia geboren, Hedwig werd groter en er waren andere prioriteiten, blik op de toekomst nu.

Ze is al jaren dood en toch weet ik het nog
De snoepen uit de kast en de mosselpot
Alles staat nog op zijn plaats in mijn hoofd
In werkelijkheid is alles daar gedaan

Nadenken over vriendschap en platonische liefde op de Vrijdagsmarkt

Honderd Liefdes Sonnetten

Ik zie hier het boekje Honderd Liefdes Sonnetten van Pablo Neruda in mijn kelderkantoortje thuis slingeren en ik moet denken aan een heel korte ontmoeting vorige vrijdag vlakbij de Gentse Vrijdagmarkt. Ik liep er na een etentje en een flesje Italiaanse rode wijn in de Carlo Quinto rond te struinen met mijn maat Peter Ysabie, vermoedelijk de ‘Rocky’ uit Luc De Vos zijn eerste columns. En na een koffie in de Barista aan ’t Groot Kanon hadden we nog meer lol dan drie kwartier tevoren. Tot ik een por in mijn ribben kreeg van Ysabie en een glunderende Elise Bundervoet, ja die van TV -prachtactrice-, voor onze neus stond. Wij kennen haar allebei want we zaten samen op school in Brussel. En ook zij kende ons nog, godbetert. Meer nog, die stralende blik betoverde ons allebei meteen want ze werd het gespreksonderwerp van de namiddag.

Rondstruinen in Brussel

“Hoe is dat nog met u?”, vroeg ik debiel. Wat is dat voor een vraag eigenlijk? Ik had net koffie gedronken. Dus “koffie?” was nog dwazer geweest. Maar goed, er was chemie en dat vond ik fantastisch. Ze kende ons nog, godverdomme! En toen ze tien minuten later opnieuw voorbij ons fietste, riep Ysa luid “je volgt ons, hé, Elise!”. ‘Rocky’, het kalf. En ik kan me voorstellen dat het ene korte moment dat ze over ons heeft nagedacht, het feit moet geweest zijn dat wij daar, meer dan 30 jaar na ons gezamenlijk niet geslaagd jaar filmschool in Brussel, nog steeds rondliepen als Peppi en Kokkie. Veel te luid zeverend, opscheppend en hopend dat iemand naar ons zou luisteren en ons aandacht zou geven. En dàt cadeau heeft Elise ons geschonken.

Café De Metro

En dan nu de link met Neruda. Het gaat om aandacht geven, liefde geven, met grote ogen naar iemand kijken, blij zijn dat iemand jou ziet en zij jou. Dat mag platonisch zijn, dat geeft niet. Voor een getrouwde vent moet het zelfs. Dat is minstens even sterk. Ik herinner me de eerste keer dat ik het ‘aan’ vroeg bij mijn huidige prachtige vrouw Leen, niet zo heel lang na mijn Brusselse periode (dus ook ongeveer diezelfde 30 jaar geleden). Ik stond in café De Metro in Waarschoot, het huidige Lievegem, en het zou moeten gaan gebeuren, toen. Ik ging haar mee uit vragen. Uiteindelijk heeft mijn vriend Nico het moeten doen, ik was te zenuwachtig. Er was ook die platonische klik en eens samen, na de eerste kus aan de Bevende Hazelaar een dag later, was de Nerudiaanse liefde, le coup de foûdre, een feit. De liefde die blijft duren. Met trouwen in de kerk en al. Heerlijk. Met euforische ups en hartverscheurende downs. Maar nog steeds mét vuur. En twee dochters.

Van min tot onmin

We moeten het niet altijd over het #metoo-roofdier Pablo Neruda hebben die vrouwen verslond en, ja, wellicht zelfs een verkrachter is geweest. Zo leert de geschiedenis ons. Ik onthoud liever Neruda’s geschreven woord. En dan zie ik het zo:

Uit: LXVI-Pablo Neruda
‘k Bemin je slechts omdat ik je bemin
Van min tot onmin kom ik aan bij jou
Ik wacht op jou als ik je niet verwacht
Zo wordt mijn hart verplaatst van kou naar vuur (pasa mi corazón del frío al fuego)

Platonisch graag zien

Vriendschap, platonisch graag zien en vleselijke liefde liggen niet danig ver uit elkaar. Maar er is wel een verschil. Grenzen zijn belangrijk. Peter Ysabie zit in zaal 1. Zijn vrouw Sandrijn in zaal 2, hihi. Mijn eigen madam zit in zaal 3 en zaal 3 is eigenlijk onze slaapkamer, daar komt anders niemand. Elise zat 30 jaar geleden in zaal 2, denk ik. Zo heb ik er nog wel een paar en het is altijd een heerlijk gevoel om dat beetje zaal 2 of zaal 1 in mensen nog te herkennen, ook als het lang geleden is. Ik heb dat met sommigen van mijn oude schoolkameraden, met toogvrienden, buur- of babbelmeisjes en vroegere medemuzikanten. Met anderen is die klik totaal verdwenen. Mensen vragen mensen om aandacht. En dat spinnenweb heeft draadjes die gespannen blijven en andere die verdwijnen of doorgeknipt worden. Dat is het leven en dat maakt het leven mooi. Daar moet ik aan denken als ik dat boekje van Neruda zie liggen op mijn bureau. En aan die heerlijke namiddag in de zon op het terras van de Ventura aan de Vrijdagsmarkt, bij het nakaarten over die wonderlijke ontmoeting met Elise en veel andere zever en hoogtepunten uit ons gezamenlijk verleden. Ik en Ysa, die van zaal 1. En dan met de elektrische fiets via de trambrug over de Gasmeterlaan en naast De Lieve welgemutst naar huis in Eeklo. Naar de keuken en naar de slaapkamer. Aan de voet.

Arsène Zonder Vrees (Deel 1) De cornisse en de oorlog

“Aan de andere kant, op de Vellemanstoren, zat een batterij Duitse soldaten. Zich te vervelen.”

“Ik zie mijn vader staan op de cornisse van dokter Magermans huis, naast de deur. Zeven meter hoog. Hij staat hij in de dakgoot zijn sigaretje te rollen. Ik krijg er koude rillingen van, als ik er aan denk.” Het is één van die zinnetjes waarmee Hedwig Van Damme de aandacht trekt, wanneer hij over bomma en pépé vertelt aan de ontbijttafel. “En telkens wanneer ik het huis passeer, kijk ik naar die kroonlijst en zie ik hem nog hangen terwijl hij het houtwerk aan het schilderen is. Hoogtevrees was aan mijn vader niet besteed.” Rond het huis van Magerman stond altijd een ijzeren hek en één van die spijlen was kapot. Ook daar bleef Hedwig graag bij stilstaan omdat het hem terug flitste naar zijn jongste jaren. “Op de toren van voederfabrikant Velleman aan de andere kant van de Weststraat zat een batterij Duitse soldaten aan de mitrailleur. Zich te vervelen. In Sleidinge was er als soldaat immers geen klop te beleven. De oorlog, dat was elders. Eén van die soldaten wou toch eens de mitrailleur testen en richtte zich op het hek van dokter Magerman. Die soldaat heeft meteen geweten waar elders was, een dag later werd hij op de trein gezet. Eindbestemming Stalingrad. Hij is nooit meer teruggekomen.” Zulke verhalen. Dat is toch echt om van te smullen?

De gedemonteerde fiets

Arsène Van Damme was schilder-behanger in Sleidinge, net als zijn neven Van Damme. Het was een beetje een familieberoep. En toen de schilder-behangers van Sleidinge midden de jaren dertig de Sleidingse Sint-Joriskerk aan het witten waren, had deze hele familie kunnen weggewist worden met één aardbeving. “Mijn pa vertelde dat hij die dag met zijn ladder de toren aan het verven was. Heel lang heeft het niet geduurd maar op de ladder stond hij wel gevaarlijk heen en weer te schudden. Dit had zijn laatste dag kunnen zijn. En ik zou nooit geboren zijn.” Nog zo’n sterke quote. Toch?

Maar het meest beklijvende verhaal is toch wel de aftocht van de Duitsers. “Op het einde van de oorlog hadden de Duitse soldaten één doel: zo snel mogelijk wegkomen. Dat was ook het enige moment dat ze echt gevaarlijk waren”, vertelt Hedwig. “Het is tijdens die aftocht dat ze onze winkel binnen te stormen om een fiets op te eisen. Pa maakte duidelijk dat er geen fietsen in huis waren maar in het magazijn ziet één van de soldaten enkele fietsonderdelen verborgen onder een schilderdoek liggen. Mijn vader had alles gedemonteerd en de wielen begraven in de tuin. Toen gingen ze op ons koertje met een geladen geweer staan en roepen om een fiets. Ik stond tussen zijn benen en kon zo de loop van het geweer zien. Ze zijn uiteindelijk toch afgedropen zonder fiets maar mijn vader heeft na het voorval al zijn haar verloren. Dat dokter Magerman daarna zijn hoofd met röntgenstralen behandeld heeft om de haaruitval tegen te gaan, zal daar niet aan geholpen hebben.”

En zo weten we meteen dat de oorlog wel degelijk een stevige stempel heeft gedrukt op de mensen, ook in een klein stil boerendorp net buiten Gent. Zo heeft elke familie zijn verhalen. Het vliegtuig dat vele tientallen jaren begraven lag in de weiden aan Hooiwege en waarvan alle waardevolle stukken uit de motor gewoon weg geroofd zijn door de buren voor de Duitsers er iets aan hadden, het bombardement op textielfabriek Calcutta en de levens die dat geëist heeft. “Ik zie nog me nog altijd staan, hand in hand met mijn vader naar het tafereel te kijken in de tuin”, biechtte Hedwig later aan de ontbijttafel op. Als je nu de afstand tussen de fabriek en de tuin ziet, dan besef je dat ze daar gewoon met hun neus op stonden.

Ik loop door grauwe straten van een veel te grote stad
Overal soldaten, veel verkeer en alsmaar wat
Ik loop aan De Brouckère, ik vraag me af wat doe ik daar?
Gehuld in machteloosheid in de donkere tijd van het jaar
Ik let nu op de dagen en op het jonge volk
Ik let ook op hun tranen, de oorzaak, het gevolg

Om marchandise naar Brussel

Droom mee met de gedachte aan de treinreizen die bomma maakte naar Brussel om marchandise op te halen voor de winkel. Hoe de verkoopsters hun Jodenster verborgen hielden om niet te veel in het zicht van Duitsers of collaborateurs te lopen. Hoe de handel moeilijker en moeilijker verliep. In de jaren dertig was de groothandel nog voor een groot stuk in handen van Joodse families en zicht op nieuwe investeerders had je tijdens de oorlog niet. Maar bomma was een zakenvrouw en had veel ‘gerief’ ingekocht op momenten dat het slecht begon te gaan. De winkel bleef open. En schilder-behangers hadden nog altijd werk tijdens de oorlogsperiode. Tabak kweekte Arsène Van Damme in eigen tuin en hij maakte zelf sigaren, die ook geld waard waren. De moestuin was een belangrijke levensader geworden. Een prei kostte in de stad nogal wat kluiten.

Die relatieve welvaart was ook de Duitsers opgevallen en toen beslist werd dat er ook soldaten moesten ingekwartierd worden, betekende dat kortelings daarna ook het einde van een poetsvrouw in huis. Hilda, de inwonende poetsvrouw, ging elders wonen en zagen we ook niet meer terug. Haar zorg voor de kleine Hedwig, de Duitse liedjes die ze zong, haar mooie tekeningen en het gezellig samenzijn werd plots een onderwerp dat in huis niet meer mocht aangesneden worden.

De Duitse jongens in huis waren over het algemeen heel beleefd en gedisciplineerd. Eén soldaat speelde heel veel met de kleine Hedwig. Maar in dezelfde periode schilderde er een weggestoken Antwerpenaar (van het huis rechtover) een portret van het kind, zonder dat die Duitse soldaten dat wisten. Het was allemaal heel dubbel. Pépé Arsène en bomma Maria hielden zich afzijdig en zorgden keurig voor eten en drinken. De jongens kwamen niets te kort. En toen hun sergeant het een beetje te bont maakte en ongevraagd de winkel binnenstormde en achter de winkeltoog de huiskamerdeur opende om de soldaten te roepen, schoot bomma zich naar het huis van dokter Magerman en liet ze de dokter aan de officieren vragen om die sergeant een lesje te leren. Aldus geschiedde. En zo werd de rust in huis ook hersteld. Maar het was ook ongeveer het moment dat Hilda wegtrok. Het verdriet voor de verdwenen Hilda was er, maar kon nog onmogelijk ter sprake gebracht worden. De Duitse soldaten begrepen ons Vlaamse dialect niet, maar op het moment dat er cruciale dingen gezegd werden dan bleken ze het hele verhaal wel degelijk te snappen. De stap tussen Duits en Dietsch was immers niet zo groot, zeker niet in die dagen.

Van het echte oorlogsverhaal over Arsène Van Damme en zijn echtgenote Maria Taets kreeg Hedwig signalen op het moment dat de oorlog heel ver weg leek en enkele jaren later de gezondheid van zijn ouders heel snel achteruit zou gaan. Op een familiefeest, jaren tachtig, kwam een medaille ter sprake. Eén van Binnenlandse Zaken, het ministerie. Netjes opgeborgen in een doosje, tussen de schilderdiploma’s in het hippe jaren dertig-bureaumeubel van pépé. Op deze tafel had bomma altijd de boekhouding van de winkel en van het schildersbedrijf zitten doen en schreef pépé met linkerhand zijn facturen in dat plechtstatig en mooi handschrift van hem. Aan dat bureaumeubel zat hij klaar toen stagiair-schilders op zondagmorgen hun pree kwamen ophalen. Niet zelden luisterde de stagiair-schilder naar de naam ‘Van Damme’, verre familie in de leer bij kozijn Arsène. Na het uitdelen van de pree, netjes voorgeteld en in het handje meegegeven door bomma, hield pépé nog wat over om op het dorp wat pintjes te gaan drinken met zijn kameraden. Nooit zat thuis, behalve op de koers. Dan zwaaide er wat thuis. De deegrol.

Harald

Het oorlogsverhaal kent zijn oorsprong op het einde van de Eerste Wereldoorlog. De Gentse edelman Harald von Siegesar had tijdens de jaren tien een schitterende villa laten bouwen in de Weststraat. Hij was één van de dertig rijke Gentenaars die hun buitenverblijf in deze straat ten westen van het driehoekvormige dorpsplein lieten neerpoten. Een buitenverblijf, weg van de onzuivere lucht die textielstad Gent teisterde. Weg van de sociale miserie die er heerste in de binnenstraten van de stad. De ogen dicht voor de opflakkerende strijd. Weggepest. Wie zal het zeggen? De wereldoorlogen blijken niet alleen een toneel van niets ontziend geweld maar zijn ook gespeend van klassenstrijd en wederzijds onbegrip tussen rijk en arm.

Ze keek naar mij er was niets te zien
Knotwilgen buigen over een gracht
In het gras graast een lama
Ze keek naar mij er was niets te zien

Ze keek naar mij die wandelaar
Die achteloos haar tent passeert
Vlaggetjes en vergane trots
Ze keek naar mij die wandelaar

Ze keek naar mij er was niets te zien
In een kooi grauwt een panter
Circus Magic op de dool
Haar zwarte ogen ik passeer
Vriend, zei ze, ik kies mijn vrienden zelf

Von Siegesar was een graag geziene persoonlijkheid in Sleidinge. Hij ondersteunde de rederijkerskamer, gaf graag centjes uit bij de lokale middenstand, had interessante en uitgesproken meningen zonder zich in de lokale politiek te bemoeien en hij was een dichter. Schrijvers en dichters hadden in die periode een sterke aantrekkingskracht op al wie zich uit de boerenklei hogerop trachtte te vechten door in de verkoop te gaan, door een café te openen, door als stielman zich te onttrekken van de moeilijke landbouwerstiel of de niets ontziende fabriek. Harald von Siegesar kwam vaak in Café Rubens. Het café van Jules Van Damme was het lokaal van de plaatselijke rederijkerskamer en verzamelde de dorpelingen van Sleidinge die het, naar eigen zeggen, gemaakt hebben. In werkelijkheid overleefden ze, net als de boer ten noorden van het dorp als de arbeider in het dorp. Ze overleefden door het verlenen van diensten aan de fabriek of aan de boeren. Jules Van Damme was schilder-behanger. Dat treft, met zo’n achternaam.

Peren als Keizerinnen

Hij leukte de kantoren van de textielfabrieken op. Hij verfde de deuren van grote graanschuren en koeienstallen in straten met mooie namen als Wittemoer, Volpenswege, Veldhoek, Zwaantje en Schroonhoek. In het café kwamen ook de bazen van de houtzagerij die overleefden op het maken van houten bakjes voor de populaire fruitteelt in het dorp. Vanuit Sleidinge en omliggend Meetjesland werden bruine kriekperen en keizerinnen (ook peren) getransporteerd tot op de markten van Londen, Brighton en Canterbury. Tijdens de oorlogen namen de Duitsers gewoon die lekkernijen over. Toen ging het richting Aken, Keulen en Mönchengladbach. Metaalhandelaars en lassers waren nodig zowel in landbouwbedrijven als in de fabriek. En verder: winkeliers, klompenmakers, mandenvlechters, metsers, cafébazen, ingenieurs, de directeurs van de melkerij en de voederfabriek, mijnheer doktoor, mijnheer pastoor en mijnheer de notaris. Dat volk dus. Von Siegesar stond daar als rijke edelman ver boven in die toenmalige klassenmaatschappij, maar hij voelde dat niet aan als te gemeen. Op dat vlak vormde hij zelfs een uitzondering bij de Gentse rijke immigranten die de Weststraat kwamen volbouwen met hun maisons de plaisance. In die kringen had men liever niets van doen met het ratjetoe aan Sleidingenaren. Voor hen waren dat allemaal boeren of, slechter nog, proletariaat. Von Siegesar, ook goed gezien in die kringen, trok zich daar niets van aan. Hij hield van de aandacht. Als mecenas van de rederijkerskamer leerde hij Jules Van Damme dus goed kennen voor de oorlog. Ze werden bevriend en Jules bewonderde Haralds dichtkunst. Een wereld opent zich.

Leven als een indiaan, leven als een Viking
Het leven is dan plots gedaan en nu komt de erkenning
Dichtbij een kalkoenenkweker op die groene hoek
Ga ik nu al duizend weken altijd maar zoek
Waar is de adelaar? Waar is de adelaar?