Nadenken over tweedekkers en torens zonder functie

“Zo’n platenzaak waar nog heerlijk aan de comptoir gekletst wordt”

Niet zo lang geleden liep ik door Bologna. Ik was eventjes alleen aan het ronddolen en kwam in een platenzaak terecht waar nog heerlijk aan de comptoir gekletst wordt over muziek, over producties en over vinyluitgaven vroeger en nu. Ik graaide er in de Italiaanse bakken en had al vlug een gele van Paolo Conte in mijn handen. Eéntje op 500 exemplaren en op één of andere manier kon ik het kleinood niet meer lossen. Even later stond ik opnieuw buiten met de gele van Conte in mijn beide handen. Een cappuccino later doolde ik verder.  Wist je dat de Kapucijnen hun naam gaven aan deze koffie met opgeklopt melkschuim? Ik link lekkere koffie nochtans niet met paters noch met nonnen. Maar dat zou me te ver leiden.

Cisterciënzerinnen

Leiden, inderdaad. Leuven ook. In Bologna hangt die voornaamheid van een universiteitstad. Dat plechtstatige en die door rood gedomineerde gebouwen. De Italiaanse drukte en een vriendelijke Parisien die me in het Engels bedient maar al gauw door de Franse mand valt en eens blij is om geen Italiaans en geen Engels te hoeven praten. Wij, Nordisten, verstaan elkaar n’est-ce pas? Dat ik in Florence 55 euro voor een dagje parking moest betalen? “Dat zouden ze zelfs in Parijs niet durven”, riep hij uit. In Bologna doet men dat niet. Ook dat verzekerde hij me. Ik geloofde hem op zijn woord. Ze hebben hier hun moment van Babel en pretentie al eens gehad. Rond 1200 moeten hier 180 vierkante torens in het centrum gestaan hebben, voor dezelfde onbekende reden als dat er nu nog in San Gimignano staan maar ook minder dan in de vroege middeleeuwen. Ik herken één zo’n toren. Scheef als die van Pisa. Schever zelfs. Maar niet zo welgevormd als de Pisaan.  Ik wandel ook binnen in de Sint-Stephanusbasiliek. Ik zie meteen hoe oud het ding is, niet zo oud als de mozaïeken in Ravenna maar toch heel oud. Een beetje als het kloostergebouwtje van de voormalige cisterciënzerinnen in Oosteeklo eigenlijk. Geschiedenis ademend. Wellicht een paar keer op de tocht gestaan voor definitieve afbraak en toch overlevend.

Barrière

Of zoals de tweedekkers die ik laatst over Wevelgem zag scheren bij het optreden op het terras van Cultuurcafé De Barrière. ‘Kaak, kaak, nen twiedekker!’  Ik, de kwekker. Waarom vertel ik dat allemaal? Ik weet het ook niet. Ik weet alleen dat ik graag vertel. Sommigen horen het liever niet, dat merk ik soms op zo’n terras. Anderen luisteren wel naar de woorden, net zoals ik zelf graag naar verhalenvertellers en hun woorden luister. Zoals Tom Lanoye me deze zomer boeide met ‘De Draaischijf’ en zoals professor Hendrik Vos me met zijn ‘Dit is Europa’ meeneemt door het labyrint met namen als Schuman, De Gaulle, Schmidt, Tindemans, Spaak, Monnet en zovelen meer. Tijdgenoten van mijn mémé, mijn ouders. De tijd vliegt, maar ik hoop dat onze verhalen blijven. Positieve verhalen, verhalen van hoop, ontroerende verhalen die ons toch iets leren. Dat we het over de frontnachten van de Eerste Wereldoorlog mogen en moeten hebben bijvoorbeeld. Maar dat we dat moeten doen met eerbied voor de gesneuvelden en ontzag voor de immense vrijheid waar wij momenteel in dit stukje Europa van Bologna tot in Watervliet en van Lodz tot in Nijmegen, Dundee en Belfast over beschikken. Ik noem maar zo wat steden, hoor. Dat we dat moeten koesteren. Daar denk ik dan allemaal over na, terwijl ik mijn gele van Conte nog eens draai, de knop 33 nog eens juist zet en zachtjes de naald op de vinylplaat uit dat winkeltje in Bologna laat dwarrelen.

Nadenken over oorlog en de Godverdomse zin ervan

“Dat Smeagol Oekraïne zou binnenvallen, hadden we niet gedacht.”

Op 24 februari is mijn zijn, mijn hebben én houden, door elkaar geschud omdat plots iemand uit Moskou moest terugkeren waar ik enorm veel van hou. Verder geen details maar het was een eng mannetje dat zich ergens schuil houdt in een afgelegen kasteel tussen Moskou en Sint-Petersburg dat hier, onder invloed van patriarch Kirill en nog enkele andere gekken, over beslist heeft.

Rechter bovenarm

Dat het enge mannetje een moordenaar was, had president Joe Biden al met zoveel woorden laten verstaan. We wisten het. Maar onder andere Tsjetsjenië, Georgië en Syrië zijn ver-van-onze-bed-shows en we hadden met al onze luxe hier wel andere katjes te geselen. Hoeveel pinten op zaterdagavond, hoe haal ik katje Lee terug uit Peru en de pijn die zo’n vaccinprik veroorzaakt in de rechter bovenarm bij het gestrekt groeten van de grote leider. Dat soort belangrijke dingen.

In elk geval, dat Smeagol Oekraïne zou binnenvallen en op alles en iedereen zou schieten, kinderen en vrouwen inbegrepen. Dàt hadden we niet gedacht. Die waanzin heeft op 24 februari voor ons allen de orde van de wereld door elkaar geschud en zoals die kadukelijk kwaadaardige kabouter nu bezig is, lijkt het niet alsof het op korte termijn alleen maar beter kan gaan. Wel integendeel.

De maskers!

Er zijn ondertussen wel wat maskers afgevallen. Filip De Winter, om er maar één te noemen. Cowboy Orban uit Hongarije ook. En een schare fans die in 1940 ook weinig moeite nam om zich te informeren over de échte bedoelingen van de führer, lees ‘De Opgang’ van Stefan Hertmans en u weet wat ik bedoel. Het Rode Leger, met het rood van bloedvergieten deze keer, staat nog niet in Arlon maar er hebben er wel al hun bloot gat gekeerd om direct door de bezetter ‘genomen’ te kunnen worden. In elk geval wil ik 2 dingen niet doen: de naam van het enge mannetje noemen en alle Russen over één kam scheren. Het is mijn heilige overtuiging dat het mannetje als Khadafi of Saddam kan eindigen en dat Rusland binnen enkele decennia kan deel uitmaken van de Euraziatische Unie, de EU, de grootste democratische ruimte ter wereld. Het kan. Dat hebben de Duitsers al eens bewezen.

Ik weet ook wel zeker dat de Russen, net als de Turken trouwens, daar ook toe in staat zijn. Er zal water door de zee moeten vloeien, er zullen nog helden nodig zijn zoals de Oekraïners die momenteel vechten als leeuwen. Misschien zullen wij zelf nog meer voor onze liberale democratie moeten strijden. Maar ik geloof er in. En dàt geloof heeft tussen 24 februari en nu een flinke knauw gekregen.

Vogel

In ieder geval, ik heb in die moeilijke periode die prachtige vogel ‘De Adelaar’ met mijn vrienden van Woesten, klank- en beeldtovenaar Johan Engels en mijne maat-kunstenaar Giovanni ‘GiO’ Declercq een nieuwe dimensie gegeven. Het beest is al zovele malen misbruikt door fascisten maar het stond ook op de rug van mijn kameraad Dirk De Muynck uit Waarschoot, want Lievegem bestond nog niet, die in 2014 in de USA plots de geest heeft gegeven maar altijd stond voor: vrijgevochten zijn, het hart op de tong, carpe diem… de échte Adelaar.
Meer nog, ik heb mijn woede en verdriet ‘weg’ geschreven met een reeks gedichten. En deze mogen wat mij betreft onthouden worden. Voor wie ze wil onthouden. Kus.

Slangeneiland – Woesten B.A.R.D. 25 februari

Dertien jonge soldaten op een eiland in de zee
Praten met een oorlogsboot en willen niet echt mee
Go fuck yourself tegen de kapitein en nog niet even later
Een bom, explosie, marsepein, hun dromen in het water

Dertien jonge soldaten, op een eiland in de zee
Dertien jonge soldaten en Europa wilt niet mee

Dertien jonge soldaten zitten met hun lief
Aan de Zwarte Zee, hun kind, hun hartendief
Go fuck yourself tegen de kapitein en nog niet even later
Een bom, explosie, marsepein, hun dromen in het water

Dertien jonge soldaten varen met de oorlogsboot
Ze vliegen in de nor, nog slechter dan de dood
Go fuck yourself tegen de kapitein en nog niet even later
Een bom, explosie, marsepein, heldendom voor later

Yelena Osipova – Woesten B.A.R.D. 3 maart

Ze zijn met vliegtuigen in de torens van New York gedoken
En toch zijn we recht blijven staan
Yelena heeft tiran na dictator na despoot moeten overleven
Toch is ze steeds voor de kunst gegaan
Met vier agenten, zwaar bewapend
Het oude vrouwtje van haar stoel getild
En toch heeft niemand in haar leven
Haar blijvende honger naar waarheid gestild
Omdat we weten dat er, meestal op het einde,
Toch een lichtje komt, een kans op wereldvrede.
En een straf voor de kampbewaker en moordenaar
Onder wie de mensen hebben geleden.

Roman Bezus – Woesten B.A.R.D. 7 maart

Roman scoort die laatste minuut, eenzame Gentse soldaat
Patriot, talentvol rekruut, wat hij ook doet, voor vrede te laat
Gantoise scoort en wint, maar ik voel verdriet
De smaak van een slechte pint, door de oorlog proef ik het niet
Ik weet dat we moeten vertrouwen en dat de waarheid naar boven drijft
Dat we op puin zullen moeten bouwen, maar het is de pijn die bij me blijft.

Vladimierke – Woesten B.A.R.D. 16 maart

Hoe ‘vernederd’ moet een man zijn om Kyiv te bombarderen?
Eén van onze Europese steden met een roemrucht vikingverleden.
Waar vrouwen en kinderen moeten vluchten, hun man en papa achterlaten.
Als ongewenste soldaten, in een moeras van een donker heden.

Hoe ‘aangevallen’ moet men zich voelen om zelf havens aan te vallen?
Aan de Zwarte Zee waar geen zinnig Oekraïner op u zit te wachten.
Hoeveel eer vindt een ‘krijger’ in raketten sturen naar appartementen?
In doodslag, kindermoord, plundertochten, een nieuwe natie verkrachten?

Is het niet raar dat velen onder ons de Russen toch nog naar waarde schatten?
Hen blijven koesteren en dat wij nu, via uw trotse volk, op vrede hopen?
U bent een mens, wij ook, wij zien u graag. Op de rechtbank in Den Haag.
Wie denkt nu écht dat uw militaire doelen niet op protest, op walging lopen?

Journalisten Mstislav Tsjernov en Evgeni Maloletka – Woesten B.A.R.D. 22 maart

De lafaard heeft hen op een hitlist gezet
Omdat het beeld niet liegt, omdat de waarheid kwetst
Maar zoveel minder dan een kruisraket

Ze zijn in Marioepol gebleven
Omdat de dokters huilen en de baby’s sterven
Hebben zij audiovisuele geschiedenis geschreven

Omdat na Ieper, Rwanda, Sarajevo en Aleppo dit niet meer mocht
Gebeuren in het zon- en ochtendlicht, het beleg van Leningrad, zo dicht
Hebben zij, die schrijvende helden, het ultieme gevaar opgezocht

Waarom? Why? (met de vallende Vietnam-soldaat)
Wir haben das nicht gewüsst
Wie het past, trekke het schoentje aan
Met géén enkel recht heb jij, lafaard, deze misdaden (‘militaire operatie’) begaan.

Boris Romantsjenko – Woesten B.A.R.D. 23 maart

Boris is dood. Waarover nog onderhandelen?
Vier nazikampen overleefd, bommen op Kharkiv stuurden hem wandelen
Waarover praat je nog met moordenaars?
We stoppen met negotiëren en branden een kaars

We wachten tot iemand van hen het ziet
Blind aanvallen en alles doden wat beweegt, dat doet men niet
Boris werd 96 jaar. In 1926 geboren en dus in volle strijd met Hitler al bijna 20 jaar.
Toen volgden Stalin, de Koude Oorlog, relatieve Oekraïense rust en kwam Smaegol klaar

Voor de rust van Boris wil ik graag bidden en zingen
Ik wil met de gewone Rus hierover spreken maar geen andere dingen
Boris is dood. Waarover nog onderhandelen?
Als dit afschuwelijke regime nog iets van ons wil, sturen we ze wandelen.

Van Lissabon tot Vladivostok – Woesten B.A.R.D. 9 april

Wel ja, ik ben een atlantist, van Lissabon tot Vladivostok
Ik verklaar me even nader, het hemd is nader dan de rok

Stel u voor, allemaal democraten, met vele kleuren en ook wel wat gaten
Dat maakt van mij, de atlantist, in Vladivostok meteen een pacifist

Sta me toe dat ik verdedig, wat me dierbaar is, een mensenrecht
Dat ik vecht tot mijn laatste snik, geluk voor iedereen maar dan écht

Von der Leyen, we moeten uitbreiden, alleen zo komt een einde aan het lijden
Van Lissabon tot Vladivostok, democratische ruimte tot het einde der tijden

Ik nodig hen uit. Ik, de atlantist. Van Lissabon tot Vladivostok.
Democraat tot in de kist. Want, mensen, het hemd is nader dan de rok

Dokter Joelja Pajevska – Woesten B.A.R.D. 20 mei

Joelja uit Marioepol verzorgt de kinderen, en soldaten, Oekraïners maar ook Russen.
Ze gaat voor levens en filmt intussen.
Wat een gruwel, wat een schande. Haar stad, waar plots het Kremlin landde.

Haven als het was, zo goed als verdwenen, nog slechts schaduw, plek om te wenen.
We kennen nu ook bommentapijt, lachend gedropt, geen greintje spijt.

Nu goed, enkele maanden verder, maar niemand weet waar Joelja is.
Ze gaf haar filmpjes mee in een tampon, haar beeld heb ik nu, het is zij die ik mis.
Ik blijf het maar volgen, en vragen staat vrij. Wie moet er nog sterven en volgen in rij?

Zanger Joeri Sjevtsjoek – Woesten B.A.R.D 25 mei

Hij stond op het podium, ik ken die plek
Hij moest iets zeggen over de gek
“Onze Julius Caesar”, riep hij luid
“A loaded question”, bezorgdheid geuit

“Het Moederland, bedelende oma in ’t treinstation!”
“Het Moederland”, schreeuwde hij uit toen het nog kon
Wat zangers doen, is vragen stellen
Stilstaan bij ’t leven, zonder lessen te spellen

“Napoleontisch” en “Mensen sterven”
Beducht voor de toekomst die hij als Rus zal erven.
Ze juichten hem toe, zijn band DDT
En even later namen de flikken hem mee….

Roman Ratushnyi – Woesten B.A.R.D. 17 juni

De jongen stond als 16-jarige held op het Maidanplein op de barricade
We zijn Kyiv 8 jaar later en de strijder van toen is nu oorlogschade
Een jongen van 24 met idealen, dood door één der grootste schandalen.
Ik zie zijn gezicht en ik moet denken aan wat zo een toekomst ons, mensen, moet brengen?
Een toekomst met wapen, gescheld en geweld
Een lijdende wereld wiens dagen zijn geteld
Waar zijn wij mee bezig? Wat doen wij verkeerd?
Zijn onze dromen begraven? Hebben wij lessen geleerd?

Nadenken over De Zes van Gent

“A hell of a bullet is gonna be shot”

A hell of a bullet. De nalatenschap van Koen Wostyn aan rock ‘n’ roll-land Vlaanderen mag niet onderschat worden. Zijn song blijft zich in mijn hoofd herhalen en, ja, ik ben tevreden dat ik er 32 jaar geleden enkele keren bij was toen De Zes van Gent als musicerende tegenhangers van hun mode-collega’s in Antwerpen op het podium kropen in de Vooruit en in de Lodejo, wat in mijn hoofd ‘het grootste jeugdhuis van Vlaanderen’ werd genoemd.

Leo Martin

Daar stonden ze dan. Gisterenavond. Op de plek waar Romain De Coninck het Gents volkstheater in leven hield en waar Leo Martin als orkestleider tussen de schitterende deuntjes jazz en Louis Armstrong door, zijn eerste moppen begon te vertellen. Al was hij, naar mijn bescheiden mening, toch beter altijd bij de jazz gebleven. Op deze sacrale Gentse artistieke plek wilden Geert Bonne en Peter Ysabie de magie van toen, 1990, nog eens over doen.

Splinter

En dat het gelukt is, jawel. Het was ontroerend mooi. Het was heerlijk eerlijk. En bij momenten ijzersterk. Ik denk dan altijd aan Bruno Deneckere en The Pink Flowers. Maar toen bij Cobus & Splntr plots een gitaar ten tonele verscheen midden de eerlijk Gentse hiphopbeats, Froze met papa Lieven Tavernier en Bruno het veld pakt of Air Mines me bij wijlen terug brachten naar The Grateful Dead en rockgoden van de jaren zeventig, toen wist ik het wel zeker. Er zat magie in de lucht.

De filmplekken

Die film die Geert en Peter maakten met Lieven Vanoverbeke. De plekken en de gezichten van al die mensen. Ik ga dingen vergeten maar was van mijn sokkel geblazen door de magie, alweer dat woord, of elektriciteit tussen Armand van The Laroids en Fred Maenhout van The Candy Dates. Les Charmeurs charmeerden door de bassiste, dochter van Beuntje, en bij Lieven dat vleugje Smiths dat nog steeds aanwezig was. Tom Wolf pakte heel kort en krachtig met een Nederlandstalige tekst de hele zaal in zoals hij dat vanouds deed, bijvoorbeeld op het Stemme Festival in Sleidinge toen ik nog piep maar piepjong was. En Michel Goessens sleurde, symbolisch, die éne persoon op het podium die er had moeten zijn maar helaas eerder al een afspraak had met de hemelpoorten. De Boze Wolven jankten. Met bassist Wout en drummer Geert voor even herenigd. Ik denk dat hij zag dat het goed was. En de wijsvinger naar hierboven, voor Tiny Legs Tim, was meer dan op zijn plaats.

Pluche

Ik zat daar heel gelukkig te wezen in het rode pluche van een stukje Gentse kunstgeschiedenis. Mijn prachtige vrouw Leen ook. De hele avond met die betoverende glimlach van haar op de lippen. Toeschouwer zijn van zo’n spektakel, daar kan je alleen maar dankbaar voor zijn. Ik ben blij dat ik er bij was. Toen. En nu. En duimen omhoog voor het jonge talent dat ik nu leerde kennen en zal volgen zoals ik dat jarenlang met Luc De Vos en Bruno Deneckere heb gedaan, als fan, in mijn rol als stille toeschouwer. Da’s een dure belofte.

En, o ja, ‘we’ hebben met Woesten destijds ook al eens een film gemaakt, die het onderwerp even aansneed.

Interview met Willem Depraet (The Evil Pony’s) uit 2012. Rock ‘n’ roll Niemandsland

“Aan de toog van het jeugdhuis ontstaan de wildste ideeën”

Wat een prachtig zicht hier. Ik sta op het mooiste plekje van het krekengebied. In Kantijne, Sint-Laureins. Waar het Hollandersgat en de Blokkreek elkaar innig kussen. Op de Blokkreek doemt uit de mist het eilandje met riet op dat zich jaren geleden al van de oever afscheurde en heel langzaam in de kreek verder doolt op zoek naar liefde. En net achter dat eilandje zie ik beweging. Een koude stilte. Uit de nevelslierten doemt plots een middeleeuwse drakkar op. Het Vikingschip komt bedreigend dichterbij. De angst slaat in mijn keel. De Noormannen zijn terug. Maar ik vergis me schromelijk. Ik hoor vrolijke metaldeuntjes en geschifte slierten tekst. Uit de onderwereld is opperviking Willem Depraet opgestaan, één van de mannen achter Club Klunen en Meetjesland Rockt. Willem is een echte metalkenner maar ook gitarist van The Evil Pony’s en Heidrun. Zijn vervaarlijke metgezellen en ‘partners in crime’ zijn Tom Eysermans en Manu Vermeersch, die met hem ooit de gevaarlijkste schaatsclub aller tijden hebben opgericht. Ik wil er alles over te weten komen.

Elfstedentocht

Ik moet eerlijk bekennen: ik dacht dat er achter de naam Club Klunen één of andere gevaarlijke Scandinavische mythe schuilging met botergeile slavinnen, bebloede zwaarden en omgekeerde kruisen. “In realiteit is de naam verzonnen achter de toog en staat klunen gewoon voor ‘het wandelen met schaatsen op verharde grond’ zoals we het kennen uit het Friese schaatsjargon”, vertelt Willem Depraet lachend. Een ode aan de Elfstedentocht, dus eigenlijk. Een heavy metalgenootschap met de naam van een… schaatsclub? Het kan nog gekker in deze wereld. “Aan de toog van het jeugdhuis ontstaan de wildste ideeën”, bekent Willem Depraet droogjes. “De bloeiende rockscene in onze streek is ontstaan door het verenigingsleven in de dorpen. Bijna elke gemeente heeft hier nog een jeugdclub. En het zijn net de creatieve en alternatieve jongeren die jeugdhuizen opzoeken. Dat zorgt voor het voortdurend opborrelen van leuke initiatieven. Het is aan de toog van die jeugdhuizen dat die jongeren elk met hun passie voor gelijk welke muziek, hoe extreem ook, terecht kunnen.” Ziezo, de toon is gezet. Willem en zijn vrienden mogen dan al enige waanzin uitstralen. Er zit achter die waanzin wel een concept. Tijd voor een pintje.

Vader

“Als twaalfjarige ging mijn interesse vooral uit naar sport. Ik speelde basket. Maar het is via Aaron Overmeire, nu een triatleet bij SMO, dat ik Guns N’ Roses leerde kennen. We wisselden daar cassettes van uit en kochten een T-shirt. We richtten prompt de Fanclub Guns N’ Roses Eeklo op. Het was de tijd van Nirvana, het commerciëlere werk van Metallica, The Offspring en Ugly Kid Joe. Aaron is daarna meer naar de hiphop toegegroeid. Ik zou het later meer richting extreme metal gaan zoeken. Maar op dat moment werd ik me wel bewust van muziek en daarin had ik altijd een voorkeur voor het hardere genre. Rammstein heeft voor mij definitief de ogen open gedaan en me richting extremere metalgenres geduwd.” In de tijd van hun gezamenlijke 100 dagen kwamen Manu Vermeersch en Willem Depraet opnieuw met elkaar in contact. “We kenden elkaar van in de lagere school. Maar de korte begroeting ‘Yow Willem’ in de toiletten tijdens de 100 dagen, betekende de nieuwe inwijding van een vriendschap. We spraken af om verschillende festivals te gaan afdweilen. Heerlijk was dat. Zo nam Manu mij en Tom Eysermans mee naar het No Mercyfestival waar ze in de ene tent grote metalnamen als Immortal en Cannibal Corpse op het podium geplaatst hadden en in de andere tent mainstream rock zoals Gorki en Dog Eat Dog. Vooral die laatste kon ik in die dagen wel smaken. Maar toen Manu me naar de andere tent meenam, ben ik er niet meer buiten gekomen. Dat was hét van hét, voor mij. Het optreden van Vader heeft me de extreme metal ingetrokken. Dat crowdsurfen, die overgave van de groep en van het publiek, die sound,… Fantastisch.” Zijn ogen blinken.

Meetjeslands Metalfest

“En het was net de passie voor die muziek die niet compatibel was met de softe muziek die ze toen in de jeugdhuizen draaiden. We gingen heel graag naar het jeugdhuis, naar de Patjelli’s, ’t Kabêterke of naar The Lords. Maar ‘onze’ muziek konden we alleen thuis of in kleine groepjes beluisteren. We moesten zelf iets doen: Club Klunen. Ik weet totaal niet meer hoe we op die naam gekomen zijn. Maar onze eerste actie was de fuif ‘Klunen op het Strand’ in N9 Villa. Ik heb dat samen georganiseerd met mijn zus Jasmijn, met Manu en met Tom. Een succes, tot onze eigen verbazing. Blijkbaar waren er nog heel wat jongeren die nood hadden aan fuiven met extreme metal, met de muziek die ze in het traditionele jeugdcafé of jeugdhuis bijna nooit te horen krijgen. Het was om ter zatst en om ter hardst. Dit moest een vervolg krijgen en we droomden ook al van optredens.” Het wordt even stil. “Alleen zagen ze dat bij de N9 niet echt zitten om zich in de metalwereld te gaan begeven”, zegt Willem met een zachte glimlach. “Maar we wilden ook meer dan fuiven alleen. Zo is het idee van het Meetjeslands Metalfest ontstaan. In 2004 hebben we het voor de eerste keer in de toenmalige N9-zaal in Cinema Astrid aan het Station georganiseerd. We hebben vijf edities gekend. Belgische bands en buitenlandse namen. Op de eerste editie speelden alleen Meetjeslandse groepen. Aan alle edities hebben we fantastische herinneringen. Uptempo Bluesmachines met zanger Tim die het publiek bespeelde alsof het niets was. Een vernieuwend geluid. Het Nederlandse Goddess Of Desire met fakkels en een ‘specialist’ pyrotechniek die helaas nog nooit van een brandblusapparaat had gehoord. Het leek even alsof de gordijnen van de zaal ei zo na in de fik stonden. Muzikaal hoogtepunt was Blood Red Throne uit Noorwegen waar ik zelf nogal fan van ben. Ook de afterparty was dikke fun. Al heeft de band zich nog uitvoerig verontschuldigd voor een ‘rituele teruggave van etenswaren via de mond aan de grond’ in het hotel. Best grappig allemaal. En ik denk ook met veel nostalgie terug aan de drie optredens die de locale helden van Days of Betrayal er brachten. Het begin van een reeks optredens in binnen- en buitenland. Belangrijke band voor de streek!” Manu Vermeersch zet net als bloedbroeder Willem Blood Red Throne meteen op één. “Maar ik vond Garmenhord ook super. Vooral tekstueel heel interessant met ‘oud-Vlaamsche teksten’ over het Meetjesland. Magistrale songs ook: ‘Het Meetjesland Marcheert’ en ‘Al Onder Den Bevende Hazelare’. “ En wat dacht je van de hilarische songtitel ‘De Craekende Cwaedebosschen bey naghte’. Ik rij ’s nachts met mijn fietsje ook vaak door de Kwadebossen in Waarschoot. Ik kan er me iets bij voorstellen.
“Ik wil ook nog even mijmeren over Destruction. Niet omdat het een goed optreden was maar vooral omdat de zanger een ongelofelijke eikel was. Naar zijn fans toe heel vriendelijk allemaal, maar voor organisatoren een echte ‘pain in the ass’. Hij wou een driesterrenhotel in zijn contract, trad niet op alvorens zijn lichaam doordrongen was van bepaalde substanties. En hij vond het ook nodig om bij andere bands die dag allerlei eisen te stellen zodat hij er het beste zou uitkomen. Man…”

Drive

Maar Manu ziet het niet zwart/wit. “Er was ook de Limburgse metalformatie Desparation. Die mannen waren daar zo vroeg en hadden zo vlug opgesteld dat ze hun set wel drie keer na elkaar speelden waarbij het publiek alle kreten en refreinen van achter naar voor konden zingen.” Tom Eysermans zag op het Metalfest The Lucifer Principle spelen. “Een enorme drive en de allereerste metalband met contrabas”, zegt Tom. “Verder: Panchrisia. Wat mijn eerste kennismaking met death- of black metal betekende. Het verschil tussen beide is me nog steeds niet geheel duidelijk. En ook wat mij betreft: Garmenhord en Goddess Of Desire.”
“Naast het festival hielden we in die periode ook maandelijks Club Klunen Café in het zaaltje naast Patjelli’s, waar nu de frituur is”, vertelt Willem Depraet nog. “Daar konden we met zo’n 30 man binnen. Dat was altijd ambiance. We hadden er boormachines aan de muur gehangen en zo. Duistere sfeer, machtige muziek.” Belangrijke naam in heel dat Meetjeslandse metalgebeuren: The Difference. “We volgden die overal, met bussen zelfs, tot in Nederland. Dat waren heerlijke uitstapjes. Zuipen en flierefluiten à volonté. Die Nederlandse vrouwen waren gek op ons. Daar heb ik één en ander gezien. Ongelofelijk.” Ik hoor het. Ik heb iets gemist. “Je mag gerust zijn. The Difference is een fantastische groep. Muzikaal en ook qua aanhang. Ongezien en enorm belangrijk voor de streek.” Nog een pintje? Willem knikt. Mijn knieën ook.

The Evil Pony’s

En van het één kwam het ander. Aan de toog. Wat had je gedacht? Tussen pot en pint ontstond het idee om een eigen metalband op te richten. Na een CD-voorstelling van The Difference nota bene. “Met Steven Mervielde op drum en Manu als zanger. Het was onze droom om een Meetjeslandse schlagermetalband te worden. Manu had als projectnaam ‘Evil Monastery’ in zijn hoofd. Ik dacht eerder aan ‘The Pony’s’. Dat zijn dus The Evil Pony’s geworden”, grinnikt Willem. “Onze eerste nummers zijn op zondagmorgen gebrouwen. Stel je voor. SM Zolder. Ons eerste liedje. Toen nog zonder bassist. Ons eerste try-outoptreden deden we op een barbecue bij Manu. Meteen een schot in de roos.” De zoektocht naar een bassist verliep niet over rozen. “Een bloedmooie vrouwelijke bassiste, dat was de ultieme droom. Uiteindelijk zijn we terecht gekomen bij Sven Bauwens, sessiemuzikant, uitmuntend gitarist en uitbater van muziekwinkel Sonnor in Eeklo. Sven is ons toen ter hulp gesneld. Voor eventjes, had hij gezegd. Hij speelt er nog altijd bij. Het rare van The Evil Pony’s is dat het nooit serieus is geweest, dat we nooit optredens ronselen en dat we nooit promotie voeren. En toch, het loopt als een trein. Het enige wat we wel relatief ernstig nemen is de muziek zelf. Het moet ‘af’ zijn, het moet strak zijn, het moet in orde zijn. Ik ben daar een hele strenge in. Onze eerste producer van de eerste demo was een reggaefan. We hebben zeven nummers ingespeeld maar er schieten er maar vier meer van over. Dat was een ramp, we klonken verdorie ‘reggae’. We hebben dan de opnames kunnen recupereren en het boeltje zelf gemixt. En voila, onze eerste demo: ‘Obsceen, gemeen en vies van iedereen’. De 100 exemplaren die we ervan verdeelden waren in geen tijd uitverkocht.” En toen kwam de eerste CD ‘Mee een muile gelijk ons est altijd keirmesse’. Die hebben we opgenomen bij CCR in Zulte tijdens uren die we parallel gehuurd hadden met The Difference. We willen een catchy geluid en rechtdoor spelen. Muziek moet rollen. En het loopt als een gesmeerde ketting. Nochtans hebben we elk onze eigen smaak. Sven houdt meer van gitaristen die ongelofelijk goed en snel kunnen spelen à la Satriani en Steve Vaï. Steven is een progrocker. Manu verkiest grind, death en trash metal. En ik heb een brede interesse van Tool tot extreme black metal, eigenlijk. Maar dat lukt wonderwel. We leggen de lat voor onszelf vrij hoog. Want je kunt geen organisatoren teleurstellen, vind ik. Het moet goed zijn. Bovendien zorgt onze frontman Manu voor de nodige fun en show. Heerlijk. Het mooiste compliment dat we ooit kregen was na een akoestisch optreden in De Bakkerei in Eeklo, van een oudere man in het café. Hij zei dat wij ‘de moderne Tamboers’ waren. Blij als een kind, toen ik dat hoorde. ”
Maar Willem zoekt ook uitdaging in de genres waar hij zo verzot op is. “Om meer ‘mijn ding’ te doen, speel ik ook bij Heidrun. Alweer op café begonnen”, lacht Willem. “Met Bart Verhé van het ter ziele gegane Days of Betrayal, Tim Matthys van Devastation, zanger Andy Windels en Gio Matthys, later vervangen door Bart De Decker. “ Heidrun is echte black metal, uit de zwartste ziel van het Hoge Noorden, uit Vikingenland. “Veel technischer, zwaarder maar tof om te doen. Als het maar spelplezier uitstraalt! Ondertussen hebben we al leuke dingen gedaan.”

Namen noemen

We zijn nogal zot van lijstjes. Met Willem, Manu en Tom hebben we drie kenners te strikken die toch al heel wat talent zagen voorbij zoeven door het Meetjesland. Ik pols naar de toekomst. Willem heeft drie namen klaar. “Carrion is een jonge band met sterke muzikanten. Een zanger met een sterke strot en schitterende podiumprésence”, aldus Willem. “Nog een aanrader: Strych.Nine met Maldegemnaar Jeroen Foré die enkele ervaren rotten uit België en Nederland rond zich verzamelde. Een krachtige mix van moderne en groovende metal. Leden van Crimson Falls, Leaves Eyes, Morda, Polluted Inheritance en Spoil Engine zouden ons bijna de term ‘superband’ in de mond doen nemen. Anti-Icon ligt momenteel op zijn gat. Maar deze band of de bandleden ervan komen wellicht nog met heel interessant materiaal naar buiten. Metalcore en op grafisch vlak heel verzorgd.”

Brengt ons meteen ook bij de persoonlijke top vijf uit de streek ‘all time’. “Voor mij zijn dat The Difference, Bataklan, Headmeat, Garmenhord en Days of Betrayal”, zegt Willem. Bij partner-in-crime Tom Eysermans wordt dat dan: Grown Apart, Garmenhord, The Evil Pony’s, Uptempo Bluesmachines en Powerstroke. Bij Manu Vermeersch horen we gelijkaardige geluiden. Zijn lijstje ‘all time Meetjesland’: Grown apart, Bataklan, Devastation, Heidrun en Garmenhord.

“Het belangrijkste wat een groep moet doen bij mij is een glimlach op mijn mond toveren”, filosofeert Manu. “Mij zin doen krijgen in een spelletje ‘air guitar’ of ‘air drum’. En dat geldt voor gevestigde waarden net zo hard als voor beginnende groepjes.” We zouden het zelf niet beter kunnen omschrijven. Manu neemt ons meteen mee naar de essentie. Tom beaamt. “Muziek moet voor mij daarom niet direct goed gespeeld zijn. Ik kan daar geen oordeel over vellen. Maar een band moet mij wel nieuwsgierig maken en mij raken op een positieve manier. Dan kunnen we verder praten”. Glimlach op het gezicht. Een duivelse lach doet het krekengebied rondom ons plots verduisteren. Maar de duivel is een humorist. En hij steekt meteen opnieuw het licht aan. We mijmeren ook met Club Klunen nog eens over de voorbije Cirque Constance-jaren waarvoor zij altijd het metalgedeelte verzorgden, ideetje van Jurgen De Wever trouwens. “Ik vond Idealus Maximus, The Evil Pony’s en Alkerdeel de leukste Cirque Constance-deelnames”, zegt Tom beslist. Voor Manu waren het dan weer Alkerdeel, Devastation en Uptempo Bluesmachines. Bij Willem Depraet blijft vooral de moddereditie van 2010 hangen. Ik was er bij. Het was Parijs-Roubaix en toen net over de kreken even het licht uitging, dacht ik er al aan terug. “De normale locatie was volledig overstroomd”, lacht Willem uitbundig. “Maar ook bij de ‘alternatieve locatie’ bleek niet alles van een leien dakje te lopen.” Geef toe, iedereen in de streek die rillingen over de rug kreeg van de Pukkelpopramp in 2011, heeft toch ook even beseft hoe we daar in 2010 in Kaprijke door het oog van de naald zijn gezwommen als kleine maar hardnekkige spermatozoïdekes. Maar dit even geheel terzijde de ‘meninghe van den schrijver’. “Ik had toen de anciens van Damage Case gevraagd”, vertelt Willem er nog over. “Dat heeft me achteraf nogal wat pinten gekost. De enige manier om de instrumenten op het podium te krijgen was via een lange rit op de quad.” Rock ’n roll op zijn Constancekes zeg maar. “Het meest legendarische metaloptreden van Constance was Devastation. Zonder twijfel. Retestrak. Nog nooit zoveel vrouwen in de pit gezien als toen. En er lopen er nog rond met een blauw oog, vrees ik.” Een duivels lach doet het krekengebied opnieuw verbleken. “Zelf hebben we er met Heidrun, mijn eigen band, ook een fantastische anekdote beleefd. Onze zanger Andy had nog niet zoveel podiumervaring en een ‘steuntje in de rug’ nodig. Een fles Jack Daniels bracht soelaas. Hij strompelde na het optreden het podium af om in een kist kabels van de om allerlei redenen legendarische geluidstechnieker Luc Saté terecht te komen. Daarna was hij een uur vermist. We hebben hem in zijn korte mouwen gevonden, naast enkele auto’s waar hij in het koude gras zijn roes lag uit te slapen. Half onderkoeld hebben we hem aan het kampvuur gezet.” Een bliksemschicht jaagt doorheen de polderlucht van Sint-Margriete. Lucifer glimlacht en knikt. “Zo is het goed, jongens”, klinkt het vanuit de hel. En voor we het weten, vaart de drakkar van Club Klunen weer richting Friesland. Wachtend op de volgende Elfstedentocht.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Nadenken over adieu aux plus beaux

Elle adore le noir, pour sortir le soir

Mijn buurjongen Jan leerde zijn vlam Isabelle, roepnaam Isa, kennen op de Eeklose Kabouterfeesten toen T.C. Matic er kwam optreden. Isa ging er gisteren even vanuit dat ik dat spontaan nog wist maar aangezien Jan vroeger rijp was dan leeftijdsgenoot Bart, uw dienaar, zal ik er gewoon die late jaren tachtig niet bij geweest zijn. Jan keek in Isa’s ogen en koekenbak. Nog altijd. Koppel om van te houden. Ik zat ook in Gent op school, niet in Eeklo. Misschien is het dat. Wel herinner ik me T.C. Matic op de Korenmarkt voor een woensdagmiddagconcert van het Festival van Vlaanderen. Welke rechtse zak op Twitter beweerde ook al weer dat Arno geen cultuur zou zijn? Alleszins 10.000 keer meer mijn grondcultuur dan poesjesvlaggen zwaaien en van rechterarmpje doen op de weide aan de IJzertoren, mijn idee. Het zal aan mij liggen.

Rijen dik, echte vrienden

Even 10.000 keer meer: Henny Vrienten. De Sting van de Lage Landen en met Doe Maar één van de eerste keren dat een Nederlandse tekst écht rock ‘n’ roll kon klinken. De Bom is thans brandend actueel. Pa en Nederwiet blijven gewoon iconische hymnes vanwaar het poesjeslied van de IJzertoren hoogstens aan de hielen komt en me vlakjes helemaal niet raakt. Raymond, die wel. Hintjens, tuurlijk wel. En Doe Maar. Het kleur van mijn humanioratijd. “Als je wint, heb je vrienden. Rijen dik, echte vrienden.” Die tijd. Arno op de Gentse Feesten die zich in plat West-Vlaams afvraagt wat hij in Gods Naam op de Brueghelfeesten staat te doen. Een sneer naar onze Vlaemsche ziel van sauerkraut met braadworsten, halve literglazen bier en zat gelal op het terrasje van de Charlatan in Gent waar Paul Decoutere wel 1.000 keer opgetreden heeft en zich geen seconde verraden voelde door zijn beste vriend le plus beau die hoge toppen scheerde.

Bovenal bemin één vrouw

“Elle adore le noir.” Als het mooiste Arno-liedje speelt, durf ik wel eens denken aan Isa, het lief van mijn bovenste beste buurjongen. Ik weet dat het niet mag van de Heer. Maar ik denk ook soms eens aan andere vrouwen. Al koester ik het adagio ‘Bovenal bemin één vrouw’. Ik begrijp het ook, dat liefdesmoment op de Kabouterfeesten. Al vermoed ik dat Arno het nummer toen nog niet live speelde. “Dans les yeux de ma mère.” Deze ook. Prachtige track. Doe Maar zag ik nooit, Henny Vrienten zag ik nog met Bram Vermeulen in Brugge en Arno passeerde mijn leven live wellicht een tiental keer, misschien zelfs meer. Onder andere tijdens een try-out in het Aalterse jeugdhuis. Wat een knaller. Voor elk moment. Voor drie man of voor 30.000 mensen op een groot festival: Arnaud Charles Ernest gaf het volle pond. Ooit, toen ik nog bij Cats in the Attic speelde op een concert in Lovendonk, flatteerde de zanger van Jerry & The Toms me met het compliment dat ik op een podium zo wild als Arno te keer ga. En het is waar, ik geef ook altijd alles denk ik. Er is een verschil. Bij Arno was het altijd knal in de roos, nooit naast of over het randje. En mocht dat gebeurd zijn, ik heb dat nooit gezien.

Zelden dronken

Ik treed zelf zelden of nooit dronken op. Het is me wel eens overkomen. Laatst nog. Niet zo slim. Maar wat zeker wel is: altijd dronken van de goesting, stijf van de adrenaline en dat speelt me soms wel parten. ‘Er over gaan’, weet je wel. Het verkloten wanneer iets niet meer te verkloten valt. Dat kan ik goed. Ziedaar tegenover: de grote kracht van mijnheer Arno Hintjens, hij wist altijd perfect op die koord te balanceren en zijn energie te ballen tot het beste optreden ooit, altijd weer opnieuw. Keer op keer. Bij Henny Vrienten een gelijkaardige analyse maar dan vooral op het vlak van muziek schrijven en de ziel raken van mensen met mooie teksten en melodieën. Ook altijd op die smalle circuskoord, klaar om er af te tuimelen, maar telkens weer tijdens de song komt het goed. Zo goed dat je zegt: dit kan alleen Henny zijn. Of Arno zijn. Dat kunnen alleen de grote cultuurmakers. En dat zijn ze. Hun invloed op onze cultuur in dit stukje Europa (en dat noemen we dan in vakjesjargon de ‘Vlaamse cultuur’, ‘Belgische cultuur’ of ‘Nederlandstalige cultuur’, whatever) is onmiskenbaar. Ze hebben mijn jeugd geschreven. Onze jeugd. Ook de jeugd van Isa en Jan. En van vele anderen zoals wij. Zij hebben dat gedaan: les plus beaux. Zij niet alleen. Maar wel in heel belangrijke mate: die twee. Eén van Oostende en één van Holland.

Ik blijf luisteren, helden. De mens is sterfelijk, jullie liederen niet.

Nadenken over indianen en eer

“Nee, ik ga Mia niet spelen, nee.”

Een staalfabriek naar de kloten. In die van ons aan het kanaal werken er 6.000 mensen. Ik herhaal: mensen. Appartementen, huizen, wijken, een kunstschool, het theater van Marioepol. Na Sarajevo en Aleppo alweer humanitair leed gebracht als in een televisieserie. Ik herhaal: humanitair. Iets met mensen. Ik herhaal: mensen.

Wat voor een eer vindt een leider, een natie, een volk, in dergelijke ‘prestaties’? Ik loop er al 25 dagen niet goed van, zo lang is die ‘strijd om eer’ al bezig. Druk op de knop en honderdduizenden levens naar de zak. Het was Vic van de De Koperen Leeuw die me attendeerde op het belang van theater. Die Koperen Leeuw kan je percipiëren als een aftands zaaltje waar men de hoogdagen van de afgebroken De Gouden Leeuw tracht te rekken.

Je kan De Koperen Leeuw ook gewoon ‘de ziel en het geweten van Eeklo’ noemen. Die houten theaterstoeltjes, die bar, dat vele vrijwilligerswerk, die goesting die er aan de muren kleeft. De Gouden Leeuw is destijds niet gebombardeerd, maar de mensen die hem hebben afgebroken weten ook niet veel van eer en hoe eer te behalen voor het nageslacht. Ze dachten alleen aan geld. Op dat vlak zijn ze maar een hesp beter dan die psychopaat die zich ergens in een kasteel tussen Sint-Petersburg en Moskou schuil houdt en met een handvol ‘vrienden’ de hele wereld terroriseert. Breek niet af. Bouw op.

Vul de klak

Daar, op die veredelde bierbakken van een Eekloos goestendoenderstheater om trots op te zijn, kon ik even wegdromen bij de verhalen van Goes & Goes over mensen. Ik herhaal: mensen. Ook niet allemaal koek en ei, wat Michel Goessens daar ten berde brengt: beffen en hoereren op de biljarttafel van een marginaal café, indiaantje spelen in de bossen met een echtgenote thuis in de diepvries in zakjes van een kilo, snoepen en sigaretten stelen bij een arme man met schurft, scheidingen die faliekant aflopen, vrouwen die hun man mollen en dan bij Vermassen gaan aankloppen, de verpleger die de euthanasie te veel pleegde. De meeste van die liedjes en zelfs zijn grapjes er tussen heb ik al vele malen mogen aanhoren. En telkens opnieuw lig ik dubbel van het lachen. Omdat het écht is. Over mensen gaat. Ik herhaal: mensen. Er zaten er zelfs in de zaal, van die mensen uit zijn verhalen.

Voor mij was dit niet nieuw. Ik weet al sinds mijn 16de wat voor een talent Michel Goessens is. Hij is misschien wel de reden waarom ik zelf liedjes tracht te brouwen. De Heer moet zijn getal hebben. Wat wel telkens nieuw is: de uitvoering. Ook daar is hij een meester in. Inspelen op de omstandigheden. Een licht beschonken Marie-Jeanne die plots op het podium staat om de klak te vullen. Of dat ene zinnetje als antwoord op een evidente vraag in de zaal: “Nee, ik ga Mia niet spelen, nee.”

Onder de wapens roepen

Maar genoeg over Goes 1. Zal ik het nog even over Goes 2 hebben? Als ik in een band speel, ben ik een bijna bezeten bewaker van de song, de ziel van de song. Iedereen, van drummer tot violist en klarinettenspeler,  mag prutsen en experimenteren zoveel hij wil, maar de song moet er baat bij hebben. Het lied moet vooruit. Het verhaal moet verteld worden. Breek niet af. Bouw op. Natan Goessens kan dat als geen ander. Hij schittert in de ogenschijnlijke eenvoud waarmee hij, als drummer (en dat is niet evident), de songs van zijn ouwe heer nog eens opwaardeert tot pareltjes die binnen driehonderd jaar in het Goestenmuseum in Sleidinge te horen zullen zijn. En hij, Natan, zal er als ‘Pieter Brueghel de Jongere’ beschouwd worden. Het genie.

Natan prutst niet. Nooit. Alles klopt. Zelfs in volle improvisatie voegt hij met dodelijke precisie de juiste toets toe aan het lied en het concert. Ik verkoop als Faust mijn ziel voor één moment op het podium met zo’n muzikant! Een jonge gast, zeggen wij dan. Hij toert met een Amerikaanse blueslegende die al gauw had gezien wat in Natan schuilt. In Oekraïne en Rusland zouden ze zo’n jongen onder de wapens roepen. Een mens met grandioos veel talent zou er moeten sneuvelen in een zinloze oorlog zonder eer, voor de indianenspelletjes van een crapuul met te veel macht. Ik bid tegenwoordig elke dag dat de mens het uiteindelijk haalt van de grootheidswaanzin. En zingen gaan we blijven doen, Goes en Goes. De ene op zijn drum, de andere op zijn luit en, wie weet, nog een andere op zijn fluit. Oma Betty en opa Fernand zagen dat het schoon was.

 

Nadenken over klasgenoten en mensen op de vlucht

Klasgenoot Khoï: “De boot was niet zeewaardig maar we waren op zoek naar een beter bestaan”

Hij is een klasgenoot. Klasgenoten blijven klasgenoten, zo is dat. Hij is de klasgenoot die bij iedereen in het geheugen is blijven plakken. Khoi Vo Tung. We stonden ons als kleine schooljongens op de koer te vergapen aan de eerste Vietnamees in de geschiedenis van Sleidinge. Begin oktober 1979. En geen idee wat deze jongen al allemaal had meegemaakt op dat moment. Onze klasgenoot. Zijn antwoorden.

Khoï Vo woont in Perth, Australië. Hij is 51 jaar en dus een viertal jaar ouder dan ‘ons’, de klas geboortejaar 1969 in gemeenteschool van Sleidinge. Khoï is een succesvol zakenman en leidt zo’n honderd ondernemingen daar aan de andere kant van de wereldbol. Naar ik begrepen heb: nagelstudio’s en reparatiecentra voor smartphones. Een druk bezet man. Hij opent zijn hart in vier geluidstapes die ik mijn leven lang zal koesteren. “Ik ga je vragenlijst een beetje dooreengooien want ik wil mijn verhaal graag chronologisch vertellen”, gaat Khoï van start.

Vietnam

Dus we gaan terug naar 1965. “Ik werd geboren in een welstellend gezin in Zuid-Vietnam.  Mijn vader was een belangrijke officier in het Zuid-Vietnamese leger en een bondgenoot van de Amerikanen tijdens de oorlog met het Noorden. Wij woonden in de stad Saïgon en stelden het eigenlijk wel heel goed, ondanks de oorlog. In 1973 verlaat het Amerikaanse leger Vietnam en zal het Zuid-Vietnamese leger nog twee jaar alleen vechten tegen het communistische Noord-Vietnam. Bij de val van Saïgon in 1975 kwam mijn familie op de zwarte lijst te staan, wordt mijn vader opgepakt en in een concentratiekamp opgesloten. Hij kreeg de hoogste straf: 12 jaar. Mijn moeder en wij, de 13 kinderen, kwamen op het platteland terecht in heel armoedige omstandigheden. Wij waren stadsmensen, een gerespecteerde en welopgevoede familie en nu werden wij in één keer arme boeren. Wij wisten ook niet hoe we dat moesten doen, boer zijn en voor ons eigen eten zorgen. Ik heb daar leren planten en dieren eten.  Je houdt het niet voor mogelijk: muizen, hagedissen, bladeren, grassen,… Allemaal om in leven te blijven.”

Op de vlucht

Het leven op het Vietnamese platteland was voor de familie onhoudbaar geworden en het enige wat nog kon, was op de vlucht slaan. Samenblijven was onmogelijk en Khoï kreeg in 1975 als tienjarige knaap een opdracht, een missie: we slaan allemaal op de vlucht en als die nachtmerrie eenmaal voorbij is, zie we elkaar opnieuw en verenigen we de familie. Voor Khoï wordt dit zijn levensopdracht. “Ik heb mezelf toen inderdaad op een gammel bootje binnengesmokkeld en, zonder schrik, ben ik meegegaan op zee. Helemaal alleen. Die boot was voor vluchtelingen klaar gemaakt. Ik wist dat en ik ben stiekem aan boord gegaan. Die boot was zeker niet zeewaardig, maar we waren allemaal mensen in een uitzichtloze situatie die op zoek waren naar een beter bestaan. Wanneer je hopeloos bent, doe je van alles. Ongelofelijke dingen. In onze situatie ga je dan op die boot en op zee en…” Even stilte. Hij lacht even. “Wij dachten dat wij de zee konden trotseren, hé. Veroveren eigenlijk. Ik had geen schrik. Ik had geen enkele schrik. Kleine sprankeltjes hoop. Dat wel. Er was geen andere manier dan op die boot te springen. Daarna heb ik vernomen: 50% van de vluchtelingen heeft het nooit gehaald. We hebben piraten gezien, we hebben miserie meegemaakt, ik heb de ergste misdaden zien plegen…” Hij stopt even met praten. “Op één of andere manier was ik daar op dat moment immuun voor. Dat was ik niet, daar op die boot. Ik had geen schrik.” Hij accentueert het. “Het was alsof dat dit een deel was van de prijs die ik moest betalen om mijn levensopdracht te vervullen. Gelukkig was de zee kalm. Ik werd niet zeeziek maar velen van ons wel.” En dit bootje bracht Khoï naar een eiland voor Maleisië, Pulau Bidong. Een vluchtelingeneiland. Een blik op de kaart leert me dat dit over een vaarafstand tussen de 500 en de 1000 km moet gegaan zijn. Ter vergelijking: dat is een tocht op zee van Oostende naar Schotland! Khoi spreekt van drie dagen op zee. En de laatste dag was de diesel op.

België

“We werden daar op dat eiland gegooid met 20.000 mensen”, vertelt Khoï. “Daar was echt niks. Geen huizen, geen water, geen elektriciteit, niks. En daar werd ook niks voor ons gedaan. Een grote vuilnisbelt. Wel beter dan in Vietnam, want we waren er wel vrij. Niet te beschrijven met woorden van menselijkheid wat ik daar allemaal gezien heb.” Hij zet hoorbaar een punt achter dit onderwerp.

“Zo, ik ben uiteindelijk in de zomer van 1979 in België beland. Via Caritas Catholica konden alle kinderen onder de 16 jaar zonder ouders, het eiland direct als weeskind verlaten en zo werden we naar België overgebracht. Tijdens die zomer ben ik naar een school in Berlare gebracht waar we een tijd verbleven en waar onze pleegouders zouden toegewezen worden door de organisatie. En in oktober ben ik dan in Sleidinge terecht gekomen. De lagere school was pas begonnen. Ik ben in de Rerum Novarumlaan gaan wonen bij de familie De Wever. Bij Roger en Jenny. En de kinderen Maria, Linda, Patrick en Nathalie.

En daar ben ik dan toegekomen. Ik was blij dat ik een familie had waar ik opgevangen werd. Zo, daar ben ik gebleven. En dan ben ik ook op school geïntroduceerd. Ik herinner het mij nog: de eerste dag kwam ik binnen met meester Etienne Van De Velde en voor mij was dat een heel stijve en formele gelegenheid. Met zijn brilleke.” Khoi lacht. “Ik mag daar eigenlijk niet mee lachen. Later heeft hij mij met mijn taal heel veel geholpen en hij was een heel gecultiveerde en vriendelijke man.”

Sleins klappen

“Meester Etienne Van De Velde heeft me in de klas gebracht. Eerst zat ik bij meester Luc De Baets, die in het Akkerken achter het Jeugdhuis woonde. Maar ik ben al heel vlug terecht gekomen in de klas van Ghislain Van Daele. De leerstof was te gemakkelijk voor mij. Ik vond het beter daar bij ‘Gust’ omdat de wiskunde het enige was dat ik uit de school in Vietnam had onthouden en wiskunde kon ik heel gemakkelijk volgen.”

Juist. Zo herinner ik mij heel precies het moment dat Khoi de eerste persoon in mijn leven was die het toverwoord ‘pi’ (3,14…) voor de berekening van de oppervlakte en de omtrek van een cirkel uitsprak. Meester Ghislain, Gust dus voor de vrienden, stelde de vraag nog maar of Khoi lanceerde het woordje ‘pi’ door de klasruimte. We zaten allemaal stomverbaasd te kijken. Van die dag af wisten we allemaal dat Khoi een slimme, pientere gast was die we niet mochten onderschatten. Zijn naam was gemaakt. Een magisch moment waaraan ik later nog veel terug gedacht heb.

“Op dat moment sprak ik geen woord Nederlands en dat heb ik dan van jullie allemaal geleerd. En Sleins natuurlijk. Thuis spraken we ABN, Algemeen Beschaafd Nederlands. Ik begrijp dat dit nu Algemeen Nederlands heet, niet? En op school was dat Sleins, hé? Ik versta Sleins, geen enkel probleem. Maar om het te spreken …” Hij lacht luid. “Als ge met mij wil ‘klappen’ in ’t Slèjns dan moet je mij twee weken geven.”

Vastberaden

“En wat vond ik er nu van? Ik vond het allemaal nieuw en ongelofelijk. Maar het kon me eigenlijk niet veel schelen. Je moet begrijpen, ik was zoals een computer geprogrammeerd.” Hij herhaalt dit drie keer.

“Ik had een opdracht, een missie om mijn familie opnieuw samen te brengen. Ik was daar… tijdelijk, in Sleidinge. Er bestond voor mij niets anders dan de opdracht van mijn moeder die had gezegd dat wij als familie opnieuw moesten samen komen. “Hou u gedeisd. Wacht totdat wij komen en dan gaan wij opnieuw één familie worden.” Begrijp je? Dan kan het je niet schelen waar je zit, toch? Of je nu rijk of arm bent of in een concentratiekamp terecht komt. Het kan je niet schelen. Ik was heel…”

Het valt stil. Khoi zoekt een woord. “Determined,” probeert hij in het Engels. “Allez, hoe zeg je dit nu in het Nederlands?” Even stilte. “Vastberaden.” Gelach. “Dank u wel, meester Van De Velde en al de leraren Nederlands. Vastberaden, dat was ik.” Blij als een kind omdat hij het sleutelwoord vindt.

Oorlogskind in een pleeggezin

“De school was de enige ontsnapping voor mij. De school was de enige plaats waar ik mezelf kon zijn. Thuis had ik heel veel problemen. Die problemen moeten eigenlijk niet op iemand geschoven worden. Het probleem was begonnen in 1975, bij de val van Saigon. Ik denk dat iedereen die kinderen op de vlucht herbergt, diezelfde problemen ziet verschijnen. Psychologische problemen.” Hij zucht heel diep. “Wij waren getraumatiseerd. Zo getraumatiseerd dat wij niet normaal konden zijn. Wij waren kinderen, maar ik had de missie van een volwassene. En ik moest leven als een kind. Conflicten waren er altijd en jullie kunnen mij nog herinneren; ik was heel vastberaden. Alles en iedereen die in mijn opdracht paste, had ik nodig om mijn opdracht uit te voeren. Mijn vastberadenheid was grenzeloos. Soms voelde ik mij heel uitgesloten van de levensstijl van de mensen van dezelfde leeftijd. Jullie konden mij ook moeilijk begrijpen. Ik was heel gesloten, hé? Ik heb een opdracht en ik zie jullie spelen, een mengelmoes bij elkaar: verjaardagsfeestjes, liefkes, uitgaan, boeken lezen, Platoon gaan bekijken (lacht). Voor mij allemaal miserie, hé? Ik kon daar niet aan toegeven omdat het voor mij om een opdracht ging.” Hij valt even stil. “Dus 1979 en ik ben daar dan gebleven en ik had problemen met de familie. Maar ik ga dat dus niet op de familie De Wever steken. Het probleem was 1975 en iedereen die een oorlogskind in huis haalt, heeft problemen. Zelfs psychologen en psychiaters hebben daar problemen mee. Normale mensen kunnen dat niet begrijpen. De familie De Wever heeft dat eigenlijk heel goed gedaan. Ze hebben mij voedsel gegeven, ze hebben mij liefde gegeven, ze hebben me alles gegeven wat ze hadden. En misschien meer. Geduld. Maar ja, dat was niet wat ik wilde. Wat ik wilde was vrijheid en mijn familie. Dat begrepen ze niet. Maar ik heb nooit gezegd ‘hoe kunnen ze dat niet begrijpen?’.” Ook achter dit onderwerp wordt hoorbaar een punt gezet. Ik hoor een zucht, een traan.

De schoonste plaats van Vlaanderen

“De school was prachtig. Ik kan mij iedere dag van de schooldagen herinneren. In 1979, je moet dat eens opzoeken op Google, was er hevige sneeuw. Een harde winter in Vlaanderen. Ik deed niets anders dan door het venster daarnaar zitten kijken. Ik leerde elke dag nieuwe woordjes, ik vond het plezant om in de klas te zitten, om de kinderen te zien lachen, om met de knikkers te spelen.”

Khoi had een hele speciale techniek ontwikkeld om met knikkers te schieten. Hij gebruikte zijn vinger als katapult. Wat ik ook van hem leerde, was water spuiten met de beide handen op elkaar in het zwembad. En ook: applaudisseren met de handen als een kommetje gevouwen voor je mond als klankkamer. Ik doe dat soms nog als ik naar een voorstelling ga en dan zitten mensen raar te kijken want dat gaat heel luid. Dan voel ik me een echte Vietnamese deugniet uit Sleidinge.

“Voetballen. Van alles. Ik vond het ongelofelijk. Ik vond iedereen plezant. Ik vond iedereen zo vriendelijk. En dat was… echt. Er zijn altijd kleine dinges, wat jongens doen. Vrienden mogen wel eens kijven maar moeten vrienden blijven. Al bij al, terug blikkend, de lagere school was voor mij alleszins een zachte landing. Een zalf aan mijn wonde. Een prachtige herinnering. Het bewijs? Na zoveel jaren ben ik nog steeds nen Slèjnsen. Een ex-Slèjnsen mag je me noemen. Ik ben daar behoorlijk fier op. Overal waar ik kom in de wereld zal ik antwoorden op de vraag waar ik vandaan kom: ik ben van Vlaanderen. En als ze doorvragen en Vlaanderen kennen, zeg ik dat ik van Sleidinge ben. En als ze vragen ‘waar ligt dat?’ Dan zeg ik: Sleidinge is de schoonste plaats van Vlaanderen.”

Industriële Wetenschappen

“Vlaanderen was voor mij in het begin de Rerum Novarumlaan, familie De Wever en de gemeenteschool in Sleidinge. Daarna ben ik naar Glorieux in Oostakker gegaan en zo naar Gent op de Lindenlei. Ik heb daar Industriële Wetenschappen gevolgd. Daarna heb ik gestudeerd voor tandtechnicus en ik heb me gespecialiseerd in protheses. Ik maakte valse handen, valse armen en valse ogen.”

“Ik wil graag nog een beetje vertellen over mijn jaren in België. Over Sleidinge en over de vrienden daar. Ik vond dat ik me goed heb aangepast aan die Vlaamse mentaliteit. Toen ik aankwam in Sleidinge was ik, geloof ik, de enige vreemdeling. In heel Sleidinge.  Er was wel een restauranthouder met een Thaïse vrouw, als ik niet verkeerd ben. De enige twee vreemdelingen dus, die ik mij kan herinneren. Sleidinge in die tijd.” Stilte.

De broek

“Ik kan je een verhaal vertellen, niet te geloven. Aan het Jeugdhuis, het huidige Klokhuis, op de hoek was er een kledingwinkel. Ik zag, als onwetend kind uit Vietnam, daar een broek hangen. Een mooie broek, vond ik. Ik stapte er binnen om de broek te kopen, maar ik had geen geld bij. Ik sprak ook geen Nederlands. Vloeiend Vietnamees wel maar toen nog geen Nederlands.”

Hij lacht. “Ik ken de naam van die mijnheer niet meer (dat was Albert Spanhove – Maes, nvdr). Maar ik stapte dus binnen en ik duidde de broek aan met mijn vinger. Die mijnheer verstond het direct, hé. Ik sprak geen Vlaams en hij geen Vietnamees. Hij neemt de broek van het rekje. Mooie, dure stof. Ik mocht de broek passen. Goede lengte. Hij heeft me een riempje gegeven. Hemdje erbij ook. Een paar kousen. Hij vouwde het op, stak het in een pakje en gaf het in een plastic zakje aan mij. Ik dacht bij mezelf in het Vietnamees ‘mijnheer, hoe moet ik dat nu betalen?’. Hij keek naar mij. En hij begon te lachen. Hij begon echt te lachen. En ik begon ook te lachen.” Lacht nu ook echt. “En hij zei: ’t Is goed, manneke!” Stilte. “Ik kon niet begrijpen wat hij zei. ’t Is goed manneke. En ik dacht ‘wat doet hij nu? Ik kan dat niet betalen’. En hij zei nog altijd hetzelfde. ’t Is goed manneke en hij begeleidde mij naar de deur en ik stond daar met mijn vragende ogen. Hoe kan ik u terugbetalen? Wat zeg jij nu? Waarom doedegij da? Waarom doedegij dit?”

Het geluidsfragment valt compleet stil. Op de achtergrond hoor ik Australische kamions op een drukke weg en kinderen die spelen in een tuin. Khoï huilt. Het komt van heel diep. Dat hoor ik. Het duurt een hele tijd. “OK, een paar tranen weggeveegd.” Stilte. “Ik vond het ongelofelijk.” Hij herhaalt dat twee keer.

Krapullekes

“Die echte goedheid. Niet alleen in Sleidinge. In Vlaanderen is men heel open. Ik vind Vlamingen heel liefdadige mensen. Ik heb nooit in het dorp problemen gehad. Niemand heeft mij aangevallen. Niemand heeft mij lastig gevallen. Ik werd niet met de vinger gewezen. Ik ging naar de winkel, dingen kopen en de mensen gaven mij dingen gratis. De jongens van mijn leeftijd hebben mij nooit het gevoel gegeven dat ik minderwaardig was. Ik was anders, dat wel. Ik was ‘vreemd’. Ik was een ‘vreemdeling’ maar dat werd niet als negatief of slecht aanzien. ‘Vreemd’, ik associeer dat met de Driekoningen. Dat waren ook ‘vreemdelingen’. In mijn tijd werd ‘vreemd’ niet geassocieerd met ‘slecht’. Ik probeerde mij aan te passen, te integreren. Ik deed mijn best en de mensen waren zo lief. Ik kan mij zoveel leuke dingen herinneren.”

Khoï breit er meteen een verhaal aan van zijn kunsten achter de flipperkast tijdens de kermis. Hij kon wel een uur met 20 frank op de flipperkast blijven spelen. Toen een ‘zware gast’ uit Evergem al een beetje te lang stond te wachten om ook eens te kunnen spelen, kwam het hoge woord er plots uit. “Nu is het aan mij, kleine Chinees”, klonk het. “Ik was kwaad, hé”, zegt Khoi. “Ik wou vechten.” Alweer een lachje. Maar aan de toog zaten een drietal ‘zware jongens’ uit Sleidinge, zegt hij. “Krapullekes”, grinnikt Khoi deugnieterig. “Zo van die mannen met gescheurde jeansvesten en lederen broeken.” Ze namen het meteen voor Khoï op. “Is er een probleem, Khoi?” En enkele minuten later mocht de jongen uit Evergem de kermis verlaten. Niet meer gezien die zaterdag. Khoï: “Ook door die ‘zware mannen’ werd ik gerespecteerd en beschermd in Sleidinge.”

Johan Martens, altijd daar

“Met wat ik geleerd heb ik in Vlaanderen, wil ik ook iets terug geven aan mensen die het nodig hebben. Zeker nu ik het zeer goed doe hier in Australië. Vandaar mijn steun aan het Vietnamese St.-Francis Shelter in Dong Nai. Mensen die in nood zijn, wil ik helpen. Dat is één van die dingen die ik in Vlaanderen geleerd heb. Daar heb ik mijn vorming gekregen.”

Met enkele personen in Sleidinge zoals jeugdvriend Gino Pisonier houdt Khoï nog vaak contact. Toch is er één Sleidingenaar met wie Khoï een heel bijzondere band heeft: Johan Martens. Hij is peter van één van zijn kinderen. “Ik heb met Johan altijd contact gehouden. Dat is ontstaan in de Chiro. Zoals ik me kan herinneren was hij leider of zo. Ik herinner me het kamp in Opbrakel en een paar plaatsen die ik nu vergeten ben.

Zo heb ik hem leren kennen en hij heeft me geholpen in tijden dat ik het heel moeilijk had. Ik had psychologische problemen. En hij is op dat moment als een broer en een vaderfiguur voor mij geweest. Ik heb heel veel goede herinneringen met hem en Johan is mij altijd in al die jaren blijven bezoeken, heeft mij door dik en dun gesteund. Hij was altijd bereikbaar. Eén telefoontje en hij was er. Ik kon altijd bij hem aankloppen. Elk uur van de dag, elke dag van de week. Dat vertaalt ook de mentaliteit van de mensen van Sleidinge tegenover mij, vind ik. Ik ondervond dat ook bij de andere Chiroleiders, de pastoors die kwamen en gingen, de school, de jeugd… Ik vond het belangrijk om contact te houden omdat deze periode mij gevormd heeft. Dat heeft mij gemaakt zoals ik nu ben. Ik ben er trots op ook een Vlaming te zijn. Ik wil daar wel iets over vertellen. Tijdens een vakantie aan zee in Knokke-Heist had ik met een vriend contact met enkele meisjes. En op een bepaald moment kafferde dat meisje mij uit en ze zei dat ik ‘een Vlaamse boer’ was. Voor de meeste Vlamingen is dat een verwijt. Ik vond dat het mooiste compliment dat ik in Vlaanderen kon krijgen. Ik behoorde voor het eerst echt tot die maatschappij. Ik bekijk dat niet als een scheldwoord of een vernedering, maar een erkenning dat ik een Vlaming ben. En dat ik een boer ben!” Hij lacht heel spontaan. “Of ik het nu wil of niet, mijn mentaliteit is Vlaams.”

Wij Vlamingen zijn geen racisten

De vraag op mijn vragenlijst die hij helemaal naar achteren heeft geschoven, is de vraag over de ‘boat people’ die nu in Europa de Middellandse Zee trachten over te steken en waar ook heel veel mensen en kinderen bij omkomen, bijna 40 jaar na Vietnam. En wat hij daar bij voelt. “Mensen die in een oorlog leven in Syrië, in Irak, Iran. Ik was de eerste Vietnamees in de geschiedenis van Sleidinge maar waarom? Je wilt echt je land niet verlaten. Je wilt niet weg gaan bij je familie of weg van je geboorteplaats. Niemand wilt dat. Jullie zouden ook niet weg gaan, mocht je daar niet toe geforceerd worden in een uitzichtloze situatie. Hoe arm of rijk ook. In 5.000 jaar zijn er nog nooit massaal Syriërs naar België gekomen. Ze komen niet voor hun plezier.”

Khoï gaat daar in het derde geluidsfragment vrij gedetailleerd en lang op in. Het komt er ook hier op neer dat hij de mening van de meeste Vlamingen deelt dat gastvrijheid belangrijk is maar dat wie gast is, zich ook moet schikken en aanpassen naar het land waar hij terecht komt. “Ik mag dat zeggen: wij Vlamingen zijn geen racisten. Integendeel, we zijn heel open en vriendelijke mensen. Maar regels en gewoonten moeten niet opgegeven worden voor wie naar Vlaanderen emigreert.” Ook op dat vlak klinkt Khoï heel resoluut. En hij weet waarover hij spreekt.

Nog vragen?

Blijf ik toch met één belangrijke vraag zitten. Is zijn missie nu geslaagd? Heeft hij zijn mama, papa, broers en zussen allemaal kunnen verzamelen? Ik besluit hem via Facebook Messenger nog eens te contacteren. Zeven uur tijdsverschil, maar ik krijg al gauw een antwoord. Zijn woorden klinken als een gedicht:

In eerste instantie weet ik niet wat te doen met jouw vragen …. Alle beelden en verhalen en emoties komen op in mij…. zoals een tsunamigolf

Zo hoog vanuit zijn dominante positie, met al zijn almachtige kracht… Klaar om mij op te slorpen

Voelde mij zo klein en kwetsbaar…‘In mijn bare voeten’ stond ik op het strand  en keek op

Dààr, de immense golf van herinnering en gevoelens… Zonder vrees en twijfels dat ik zal opgeslorpt worden

Wervelende emoties, met een glimlach en een opgeheven hoofd

Met open armen ontvang ik de enorme kracht

Khoï Vo, Perth, 20 januari 2u35 ’s morgens Belgische tijd

En hij voegt er aan toe: “Want ik weet dat Gino en jij naast mij staan. Bedankt moat….” Ja, en nu moet ik even slikken, terwijl ik het schrijf. Ik stel mijn vraag enkele uren later als ik zijn bericht gevonden heb op Facebook, want ik wil het weten. Hoe zit het nu eigenlijk met de missie van Khoï Vo? En ik krijg meteen een nieuw geluidsfragment toegestuurd, bijna live opgenomen aan de andere kant van de wereld. Krappe timing, dat wel: net voor mijn werk ’s morgens bij mij, al een goed stuk in de namiddag bij hem ginder bij onze tegenvoeters. Winter bij mij. Zomer bij hem.

Concentratiekamp

“Mijn vader is uit het concentratiekamp gekomen ongeveer in 1988. In 1993 is hij naar Amerika geëmigreerd. Mijn vader is overleden ongeveer tien jaar geleden, in 2005. Mijn moeder is overleden in 2010. Mijn moeder heeft eigenlijk alles meegemaakt. Zij heeft alle kinderen kunnen ontmoeten. Wij hebben acht broers en zussen die geëmigreerd zijn naar Australië. Twee broers wonen in Amerika en wij hebben ook nog familie in Vietnam. De reünie was uiteindelijk niet in Amerika maar in Australië. Wat heb ik gedaan? Met mijn bedrijf kon ik mijn ouders, mijn broers en zussen allemaal laten overbrengen naar Australië. Mijn moeder heeft hier ongeveer vier à vijf jaar gewoond. Mijn moeder heeft eigenlijk het geluk gehad om de eerste keer in haar leven te kunnen zien dat wij het allemaal goed doen, in onze zaken, in onze gezinnen. Op dat moment had ik ongeveer dertig bedrijven in handen. Ik heb voor haar kunnen zorgen, een huis kunnen kopen voor haar, al haar vrienden kunnen laten bezoeken in Vietnam en eigenlijk is de droom de waarheid geworden voor mijn moeder. Het is wel spijtig voor mijn vader dat hij te vroeg overleden is om dit mee te maken. Al zijn beste jaren heeft hij eigenlijk in het concentratiekamp achtergelaten. Toen hij thuis kwam was hij fel vermagerd. Een gebroken hart. Een gebroken rug. Totaal getraumatiseerd. Hij heeft nog jaren geleefd in Amerika. Maar hij was heel mager en ziek. Om het uit te leggen: mijn vader is in 1975 in het concentratiekamp gestoken en ongeveer twaalf jaar later in 1987 is hij vrijgelaten. In 1988 is hij thuis gekomen na een tocht te voet van meer dan 3.000 km. Niemand wist dat hij vrijgelaten was. Toen hij thuis kwam, vond hij niets anders dan vier muren. En de kinderen waren allemaal weg. In 1993 is hij naar Amerika gegaan. En er in 2005 overleden. Ik ben zelf geëmigreerd naar Australië (na een periode in Amerika) in 2000. In 2006 is mijn moeder overgekomen naar Australië en heeft ze hier dus nog vier jaar geleefd.”

Kreeft, garnalen en champagne

Op de achtergrond horen we zijn baby huilen. Khoi verontschuldigt zich daarvoor.

“Mijn enige troost is dat mijn moeder wel nog heeft meegemaakt dat wij hier elke zondag samen komen en op restaurant gaan met de familie en dat wij ook op deze manier de hele familie hebben samen gebracht. Mijn moeder heeft met eigen ogen kunnen zien dat wij ons eigen huis konden kopen, dat wij een familie en kinderen hebben. Ik ben getrouwd in 2001, een jaar nadat ik in Australië kwam wonen. We hebben vier kinderen. Toen ik hier in 2000 arriveerde, had ik niks. Alleen twee handen om mee te werken. En dat is sindsdien heel goed gegaan. Mijn broers Mien en Ahn doen het ook heel goed. Mien (die ook een tijdje op Sleinse schoolbanken zat) heeft ook drie bedrijven in Australië. Andere broers en zussen zijn ook zelfstandigen geworden en zij stellen het goed. En als wij dan op restaurant kreeft, garnalen en champagne bestelden, dan was mijn moeder daar toch een beetje ongerust over. Zij wilde niet dat wij te verkwistend met onze centen omgingen. Maar we hebben uiteindelijk toch iedereen samen gekregen, wat mijn levensopdracht was. Ze heeft die dag ook ten volle genoten van het eten en het drinken. Zes maanden na de reünie is ze overleden. Ik weet niet of ze te vroeg gegaan is. Of heeft ze zo lang gewacht tot ze zeker wist dat alles met ons in orde was? In ieder geval hebben we onze moeder trots gemaakt.”

Woesten heeft er ook een liedje over gemaakt, maar er bestaat nog geen deftige opname van. Hier de tekst:

Jongen op de koer

Midden op een speelplaats op een dag in mei
Wij allen nieuwsgierig, het middelpunt is hij
Van een andere wereld op de maan geland
Van mijlenver en moegestreden op de school gestrand

De jongen op de koer, hij speelt het spel wel mee
Maar ergens in die hersenen, weerklinkt een verre zee

Op de kermis aan de flipperkast
Man zonder geduld, een rotvervelende kwast
Er vielen woorden ze waren hard en kil
Jongen op de speelplaats slikte kwaad maar stil

De jongen op de koer, hij speelt het spel wel mee
Maar ergens in die hersenen, weerklinkt een verre zee

Dit interview werd geschreven in 2016 toen we ook een benefiet organiseerden voor een goed doel dat Khoï in Vietnam ondersteunt. Het staat ook op Sleins Archief, waar je de geluidsfragmenten kunt beluisteren. Het blijft een verhaal dat we moeten blijven vertellen, hoe diepmenselijk de verhalen van mensen op de vlucht zijn. Met dank aan mijn klasgenoten Khoï Vo, Gino Pisonier en Marc Speeckaert, maar ook aan onze mede-organisatoren van Rock4Khoi 2016, nl. Ronny Schauwvliege en Joris De Wildeman. En aan alle medewerkers en muzikanten.

Opgedragen aan Jenny en Roger, en het hele gezin De Wever. Omdat ze zo moedig waren deze jongen een thuis te bezorgen, ondanks alles. Hem kennen was een grote eer voor ons, zijn medeleerlingen. Ter nagedachtenis van Roger De Wever die in januari 2021 overleden is.

In dit lied ‘Palm van haar hand’ zingt Nadiya Mehdizadeh mee. Ook zij kwam met de boot naar België. Uit Iran.

Interview met Joris De Wildeman van The Shakers uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Joris De Wildeman (The Shakers): “Goesting is het toverwoord”

Het predikaat ‘Wereldberoemd in Gent’ is uitgevonden voor The Shakers, rockabilly uit Sleidinge. Ondertussen wellicht honderd jaar bezig, vast meubilair op de Gentse Feesten en nog altijd vol enthousiasme. Er zijn ondertussen al dertig muzikanten die zich officieel gedurende de geschiedenis ‘Shaker’ mogen noemen. Alleen bassist Carlos Meiresonne en frontman Joris De Wildeman overleefden elke bezettingswijziging. En laat Joris De Wildeman nu één van mijn lokale helden zijn. Streekgeschiedenis pur sang. In zijn torenhuis in de Sleidingse Weststraat tracht Joris me elk detail van de Shakersgeschiedenis aan de hand van archiefmateriaal diets te maken. Maar daarvoor ben ik niet gekomen. Ik zoek de weg naar zijn hart. Ik zeg het hem ook. Joris wordt er zelfs even stil van en dat ben ik van de brave man niet gewoon. Joris is doorgaans één vat energie. We slurpen gezellig wat koffie.

Theater

Hier, op deze benedenverdieping, gingen in een vorig leven toneelrepetities door. Joris is in dit huis grootgebracht. Cultuur werd er met de paplepel ingegoten ten huize Wildeman. “Er waren inderdaad wel wat voortekenen”, moet Joris toegeven. “De familie De Wildeman mag zich een theaterfamilie noemen. En langs moeders kant klopt het muzikale hart. De fanfare zit in mijn genen. Wat je noemt een ‘cultureel midden’. Het stond dan ook in de sterren geschreven dat ik rock ’n roller zou gaan worden, want laat rock’n roll zich nu op de dunne koord tussen muziek en theater bewegen.” Als veertienjarige ging de piepjonge Joris op kamp naar Melchtal in Zwitserland met de Christelijke Mutualiteiten. Eén van die vele honderdduizenden jonge Vlamingen die zo het eerst de bergen leerden kennen. “Precies op dat kamp heb ik een prijs gewonnen met mijn a capellaversie van ‘Mijnheer de president’, een nummer van Boudewijn De Groot. In 1967.” Schuchter lachje. “Toen ik 16 jaar was, sprong ik bij in het secretariaat van de fanclub van de progressieve rockgroep The Invocation. Ik mocht een beetje meehelpen met hun manager Tony Van Parys.” De oud-minister? Joris knikt. Mijn klomp breekt. En even hoor ik het donderen in Keulen want de laatste naam die ik in een boek over rock’n roll verwacht is Tony Van Parys, eerlijk gezegd. “The Invocation was super. Gevormd rond Sleidingenaar Marc Bracke en met Boudewijn Creëlle, Walter Meirsschaut, Guido Martens en Frank De Bock. Hun sound neigde naar Cream en Deep Purple. Ze speelden nog in het voorprogramma van The Cats en Wallace Collection”

The Climax

En Joris zou Joris niet zijn, wou hij niet zelf op de planken springen om zich volledig te geven. “Wel, die frank is toch vrij laat gevallen”, vertelt Joris. “In 1976 doen we met enkele Sleidingse Chiroleiders mee aan een soort Canzonissima. Deze wedstrijd werd georganiseerd in het Jeugdhuis van Sleidinge, dat toen op volle toeren draaide. Wij wilden een soort parodie brengen, tussen smartlap en rock’n roll. We lieten ons inspireren door het Luk Tegenbos Ensemble en door Vuile Mong & De Vieze Gasten. The Climax heette dat gelegenheidsgroepje, naar The Climax Blues Band die we nog hadden bezig gezien op Jazz Bilzen. The Climax dat was ik, Paul Verstraeten, John Van Leeuwen, Ivan Candaele en Fred Candaele.” Paul Verstraeten is me bekend. Broer van Cats in the Attic-drummer Jan Verstraeten. Paul heeft later vele jaren samengespeeld met zijn andere broer Ignace Verstraeten en Marc Bracke bij Irish Taxi en AB Nono. Jan heeft als drummer heel veel opgestoken van Ignace destijds. En Ignace is ook één van die 30 muzikanten die zich ‘Shaker’ hebben mogen noemen. De wereld is klein? En Joris gaat onverschrokken verder met zijn verhaal. “We hadden alles nogal theatraal verpakt. Er werd dwarsfluit gespeeld, melodica op een stofzuiger en zo van die gekke dingen. De teksten waren lichtjes geflipt. Maar we hebben het helaas niet lang uitgehouden. Ik wou dat theatrale en geflipte verder uitdiepen. De andere jongens wilden eerder het serieuze werk, wat dan tot eerst ’t Klokhuis, dan Irish Taxi en later AB Nono heeft geleid.”

‘t Saluutjen

We komen in de buurt van de stichting van The Shakers. “In die dagen had je ook een band Eclips in Sleidinge. In 1979 organiseert het Jeugdhuis een avond met de naam ‘Driemaster kiest Rocksop’. Op de affiche staat Eclips, ’t Klokhuis en een éénmalige reünie van The Climax. Eclips lag toen al op apegapen. En toen hebben we het idee opgevat om ruige rockabilly rock te gaan spelen. Een half jaar voor de doorbraaksingle ‘Crazy little thing called love’ van The Stray Cats en ook een hele tijd voor onze Gentse collega’s The Mudgang. Er hing iets in de lucht zeker? Het is mijn vrouw Mie die de naam The Shakers heeft bedacht. Onze bezetting: ikzelf, Carlos Meiresonne, Stefan Lybaert, Henk Ottoy en Philip Causyn. Het was het jaar dat ik trouwde. Ik was 26 jaar. Lut Maes heeft onze kostuums gemaakt. En het was echt bedoeld als ‘pastiche’, met een vette knipoog naar de fifties en de vetkuiven. Wisten wij veel dat dit ooit nog eens opnieuw ‘hip’ zou worden. Het was in volle punkperiode. Onze aanvankelijke parodie is na al die jaren ‘serious business’ geworden. Het parodiërende is verdwenen en nu kiezen we resoluut voor de echte ambiance rock’n soul van tussen ’60 en ’80.” The Shakers speelden hun eerste optreden in ’t Saluutjen in Assenede. En de rest is geschiedenis.

Chuck Berry en Carl Perkins

We surfen even door de indianenverhalen van The Shakers. “We hebben eigenlijk al meteen enkele hoogtepunten op ons conto geschreven”, vertelt Joris. “We deden het voorprogramma van Carl Perkins en van Chuck Berry. Toch twee grootheden in ons genre. Chuck Berry was onbereikbaar tijdens zijn optreden in Aalst. Hij zat verschanst in zijn kleedkamer. Maar ik ben er toch in geslaagd zijn pad te kruisen en een fotograaf heeft dat beeld geregistreerd. Ik ben daar wel fier op. Naar verluidt, had hij op dat moment zijn gage van één miljoen frank op zak. Maar ik ga cru zijn. Zijn optreden zelf was niet zo goed. Zijn gitaar viel uit zijn handen.” Luide lach. “Carl Perkins, dat was dan weer in Aalter, in de brandweerkazerne. Hij zat dan weer in een VIP-bus alleen. Ook hem zijn we gaan opzoeken. Maar veel zeggen die mannen niet, hoor.” Een ander avontuur was dat van de single in Rotterdam. Joris is beduveld om de videobeelden te tonen die daarover nog bestaan. “We hadden ons net versterkt met toetsenist Luc Geerinckx”, vertelt Joris. “Ik denk dat de kracht van The Shakers er uit bestaat om met de regelmaat van de klok een groot project aan te vatten om het allemaal een beetje boeiend te houden. De single met A-kant Barockin‘ en B-kant Drop me a line was zo’n eerste project. Daarna volgden het tienjarig bestaan in ’t Saluutjen, de elpee Live at Home I en de CD’s Live at Home II en Live at Home III.” Ondertussen verzamelden The Shakers ook hun gehele geschiedenis bij elkaar, helemaal in de filosofie van Joris. “Ik gooi niets weg. Ik probeer zoveel mogelijk over Sleidinge en dus ook over The Shakers bij te houden voor het nageslacht.”

Kosovo

“De meest memorabele momenten waren onze uitstappen naar het buitenland. Zo traden we op in Oostenrijk in een skihotel. En in Hongarije speelden we twee keer. De eerste keer op uitnodiging van een Sleidingenaar die er woonde.” Mijn kozijn Hendrik. “Een tweede keer bij de toetreding van Hongarije tot de Euro. Een memorabel concert voor vele duizenden mensen. En wat me nog het meeste bijgebleven is: onze reis naar Kosovo om op te treden voor de Belgische troepen daar. Hallucinant was die tocht. Eerst met de C-130 naar Pristina. En dan door bezettingsgebied, in konvooi. We waren door omstandigheden een stuk te laat. En die soldaten waren echt vol ongeduld op ons aan het wachten. We hebben het dak van die hangar gespeeld. Waanzin.”
Joris kijkt tevreden terug. “The Shakers is een pad vol hoogtepunten, vind ik zelf. Eén keer werden we in ons hart getroffen. Toen onze toenmalige toetsenist Raf Meire bij een ongeluk met een privé-vliegtuig om het leven kwam. Nota bene knal voor ons 25-jarig bestaan. Toen is er dagenlang gehuild. Ik wist echt niet meer waar in of waar uit. Raf was een viertal jaar bij ons en één van mijn grote muzikale jeugdhelden. Hij had nog bij Pentopus gespeeld, zo’n groep uit de streek waar ik echt naar opkeek. Een klassekerel. We hebben heel hard getwijfeld of we ons feestconcert in Cultuurcentrum Stroming dan wel moesten laten doorgaan. Uiteindelijk hebben we er één grote tribute aan Raf van gemaakt. Maar zijn dood was wel een dieptepunt. Het enige dieptepunt van The Shakers, wat mij betreft. Zwaar om te verwerken.”

De Fieste

The Shakers zijn voor eeuwig en drie dagen verbonden aan de Gentse Feesten. “In 1983 speelden we er voor de eerste keer, op de Hooiaard. Toen één van de kleinere pleinen van de Feesten. Sindsdien hebben we geen editie meer overgeslagen. Ik werkte voor De Gentenaar en dat bracht natuurlijk mee dat ‘de Fieste’ mijn biotoop werden en en gebleven zijn. Maar we hebben het niet meer moeten vragen. Sindsdien hebben we alle podia gedaan: groot podium Sint-Jacobs, Korenmarkt, rocktent Sint-Jacobs, Groentenmarkt, noem maar op. We behoorden jarenlang tot het gild van Gentse groepen die bij wijze van spreken een abonnement hadden op de Gentse Feesten: Gorky, Zep Zupiler & De Ziboelateurs, The Vipers. Pas op, Gent heeft een kritisch publiek. Maar blijkbaar werden we wel gesmaakt. En Gentse Feesten, dat is echt rock’n roll. Ooit stonden we in de grote tent op Sint-Jacobs geboekt om vier uur ’s morgens. Op dinsdagmorgen. Bomvolle tent, meer dan duizend kijklustigen nog.” Dag van de lege portemonees. “Om zeven uur, bij klaarlichte dag, stond het publiek nog te schreeuwen om meer. Dat heeft dan wel geleid tot een akkefietje met de geluidsman voor wie het na tien dagen Gentse Feesten wel even genoeg was. Hij ging werkelijk uit zijn dak van woede. Als onze drummer Stefan Lehoucq deze anekdote vertelt, moet je onder de grond van het lachen.” Spinal tap. “Maar op zich is het ongelofelijk dat je zoiets kunt meemaken. Daarvoor doe je het toch? Goesting is het toverwoord. Zolang er goesting is, doe ik voort.”

Naschrift: ter nagedachtenis. Joris overleed in 2017 en liet een grote creatieve leemte na. Veel projecten die nu nog uit de grond rijzen, dragen zijn stempel of werden ooit door hem geïnitieerd. Wij missen hem.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Nadenken over de zee en zomaar

“God moet zijn getal hebben”

Ik zag in het krekendorp Bentille een priester van voor het Vaticaans Concilie met lange jurk de deur openen van de pastorij en ik dacht meteen aan de gevleugelde woorden ‘God moet zijn getal hebben’. Ik kwam van de zee waar ik was gaan nadenken. Via de Sluissedijk in Zuidzande langs de molen zo naar Terhofstede en Retranchement. Deze weg is me al toevertrouwd als kind en ik mocht meegroeien met de decennia oude knotwilgen onder de baan waar de steenuil, spechten en andere koekoeksjongeren hun thuis in gevonden hebben. Zeg me nu niet dat de koekoek niets met knotwilgen heeft, want ik heb zelf niets met vogels. Dat lost veel op. Weet je, eigenlijk kunnen alle dieren van het dierenrijk me gestolen worden. Ik moest gewoon even uitwaaien en nadenken over hoe een wereld zonder Vaticaans Concilie in de jaren ’60 er wel had uitgezien. Niet veel anders, vermoed ik. Meer of minder kerncentrales? Antonio Vivaldi of Sergej Prokovjev? Geen idee. Het boeit me niet. Après nous les mouches.

Leuk zeehondje

U voelt het, ik ben een beetje boos en dat heeft waarschijnlijk alles te maken met het feit dat ik op strand Het Zwin ergens wel verwacht had dat een leuk zeehondje me tegemoet zou komen waggelen maar die modderfokkers zijn gewoon in de zee gebleven. Terwijl ik weet dat ze er zitten. In Koksijde stond ik ooit oog in oog met de meest sympathieke zeerob op Aarde. Nauwelijks op 20 meter stond de zeehond me aan te staren, zonder schrik. De Baywatch-dude keek zelfs niet op. “Zeehonden, mijn jongen, dat is hier dagelijkse kost.” In ‘t Retranchement hebben die beesten nog wel wat te leren. Ik leerde na het Koksijde-voorval dat zeehondjes niet zo onschuldig zijn. Ze zouden aardig doorbijten, naar verluidt. En dat terwijl ze op TV zo schattig zijn.

De kraanvogel vliegt over het land

Ik komt thuis en ik hoor dat de Rode Ibis geland is in Tessenderlo. Volgens mijn Evergemse vriend Rik De Kezel, met z, vliegen grote horden trekkende kraanvogels nu boven ons land. Wonderlijk! Zelf zag ik aan zee heel veel V-formaties door de hemel trekken en ik moest meteen aan Rik en zijn kraanvogels denken. Wellicht waren het gewoon domme ganzen. Ondertussen interludium van Rik De Kezel hemzelve: “Ik wil hier graag ook nog de purperkoet vermelden, een miskende standvogel van het Iberische schiereiland, die onlangs nog werd gespot in Zoutleeuw.”  Zelf droom ik liever weg bij de boten die er de Westerschelde aan en af varen. Ik heb in Europa wel al aan wat kustplaatsjes vertoefd en wat je in Retranchement ervaart, zie je nergens: de ene oceaanreus na de andere, in beide richtingen, af en aan. Dat moet een mens gelukkig stemmen, want dat impliceert handel. Beweging op het water is varende welvaart.

Inflatie

Het is waar dat de energieprijzen stijgen, er is inflatie en maak me niets wijs, daar zitten mechanismen achter maar ook de knagende onzekerheid bij de mensen is een vicieuze cirkel nefast voor onze economie. Ik ben dan liever die boze optimist die denkt dat het eigenlijk altijd al zo geweest is. Dat het wel goed komt en zo. Ik was een klein kindje tijdens de jaren ’70 van de vorige eeuw en ik herinner me nog levendig de kennismaking met het woord ‘crisis’ en de zondagen dat mijn papa niet met zijn splinternieuwe Peugeot mocht rondtuffen om energie te sparen. Eigenlijk was ik toen best een gelukkig bazeke. Ik mag hopen dat er nu ook veel bazekes zijn, die nog met wat levensmoed en leute in het leven staan. Dat hebben die zeehonden natuurlijk voor op de mensen. Dat blijft onder water wanneer het goesting heeft en dat gaat op het strand gaan liggen wanneer er wat weinig vis passeert die dag. Wat een leven. Wat een strijd.

Interview met Luc De Vos uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Luc De Vos: “Je moet niet verkalmen, je moet ver’woesten’.”

Ter nagedachtenis…

Op zondag 17 juni 2012 krijgt Cirque Constance 17 bands op zes podia om de N9 te ondersteunen. 4N9. Vzw Driewerf Hoera is bijna vzw Driewerf Bye Bye. Ik weet niet of die actie 4N9 daarbij geholpen heeft, maar de N9 kreeg uiteindelijk toch zijn subsidies een week later. Wij spelen in De Blauwe Maan in Kaprijke. Ik stuur bijna achteloos een mailtje naar Luc De Vos om eens, for old times’ sake, te komen kijken. Daar zit hij dan aan de toog. Met een koffietje. Ik zo fier als een gieter. Hij, met uitgestreken gezicht: “Bart, je hebt me toch een beetje teleurgesteld. Je lag pas na het derde nummer op de grond te krawietelen. Je moet niet verkalmen, maar nog verwoesten.” Ik straal. Die woensdag gaan Dominiek en ik bij hem thuis in Gent voor het interview en de fotosessie. De afspraak was al gemaakt. Maar het kon al niet meer stuk.

De hippies

“Kom binnen, jongens. Het is Bart zeker?” Ja, en dit is Dominiek de fotograaf. We starten het interview in de keuken, maar zoon Bruno en het buurvriendje zetten net de speelkamer op stelten en we voelen ons verplicht de rust van het stadstuintje op te zoeken. “Man, die klootzakken maken nogal lawaai”, klinkt het. Een lach op zijn gezicht. Vos is in vorm. Laat dat duidelijk zijn. We gaan meteen op zoek naar het moment dat hij wist dat muziek en performen centraal zou staan in zijn leven. “Niet de eerste keer dat ik die vraag krijg. Maar dat was wel al heel vroeg. In mijn kleutertijd. 1969.” Topjaar. Voor de wijn. En ook de kinderen die toen geboren werden, kunnen er mee door. “Je kent het wel. Die eerste zwart-wit televisie. Ik stond daar als heel klein kind verbouwereerd naar te staren. Naar die hippies. En die popmuzikanten. Ik, de vijfjarige kleuter, met mijn plastieken kamionnetje in de hand.” Zoals hij het vertelt, lijkt het wel een liedje van Gorki.

Veronica komt naar je toe

“Ik vond dat zo ‘wijs’. De hele lagere school lang keek ik naar Toppop en Radio Veronica. Dit lijkt wel de middeleeuwen zeker? Ik word er vijftig dit jaar. Neen, serieus, ik wist toen al dat ik ook zoiets wou doen. Ik zocht maten om een groep mee te starten. Ik wou popmuzikant worden en op achttienjarige leeftijd speelde ik al in een band. Illusieloos, hoor. Ik had toen niet het idee om ermee door te breken. Dat heeft toen nog tien jaar geduurd. Maar ik meende het wel. Ik speelde heel veel op mijn gitaar. ‘Tsjinke Tsjanken’ zoals ze dat in Wippelgem zeggen. Ik was mijn skills aan het ontwikkelen. Alle respect voor de duizenden die ook ooit in een band speelden en niet doorbraken. Maar ik wilde het zo hard, dat het ook gelukt is. Ik was overtuigd van mezelf. Toen al.”

Die laatste dans

Wat is er dan zo belangrijk bij het ontwikkelen van talent? “Een vraag die me nog niet is gesteld.” Glimlach. “Het graag doen. Hard werken. Al is dat bijna hetzelfde. Als je iets graag doet, doe je het veel en werk je dus hard. Luisteren en lezen is ook belangrijk. Ik heb een heel brede culturele belangstelling. Altijd veel platen gekocht. Ik ben een fan van de radio. Ik luister naar Stubru, maar ook naar Klara. En hier in Gent vaak naar UrGent, radiozender voor Gentse studenten. Heerlijke muziek draaien die. Ik laat me onbewust beïnvloeden. En ik zuig op als een spons. Ik ga veel gaan wandelen. Veel gaan bekijken. Groepjes, kunstenaars. Het interesseert me allemaal. En ik erger me ook niet te veel. Dat is misschien wel een belangrijk geheim. Ik kan naar Willy Sommers luisteren en het machtig vinden .” Anja, die laatste dans moet je mij nog schenken. “Precies, onze eerste single verwijst naar de zangeres Anja die in 1968 nog een hit had met ‘Die laatste dans moet je mij nog schenken’.” Hij begint de sixties hit voor te zingen. “Een typisch voorbeeld van beïnvloeding in mijn werk”, klinkt het.

De kleine Gentse podia

We schakelen over naar de wonderjaren. “De kleine Gentse podia en de jeugdhuizen rond Gent zijn voor mij een belangrijke leerschool geweest. De Houla Balou, The Cover, Frontline, noem maar op. Het was ook de periode van de Zes Van Gent. Als je twee man en een paardenkop kunt ‘onderhouden’, dan kan je het met vijfhonderd man ook. ‘Onderhouden’. Entertainment. Het Engels heeft daar een schitterende term voor. Als je dan zo’n zaaltje in Ertvelde of Waarschoot wilt inpakken, dan moet je voor ambiance zorgen en fantastische liedjes spelen. Dat is het geheim. Iemand die doet wat ik doe, is een aandachtsjunk. Sowieso. Je schrijft voor 50% een nummer voor jezelf. Die andere 50% is communicatie.” Hou van me? “Precies.” Met de Zes Van Gent staat een generatie muzikanten op in Gent. Een scene. “Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig. In Gent was er niks. De eerste optredens in de Vooruit dateren van 1982. Je had wel Chirofuiven. Maar dat was huilen met de pet op. Vanaf eind de jaren tachtig kwam daar verandering in. En nu zitten we met onze muzikanten overal ter wereld. Netsky en Gotye die maken nummers op hun slaapkamer en veroveren de hele aardbol. Er is veel veranderd, hoor. En met de Zes Van Gent waren wij een beetje de eerste generatie die de Gentse motor in gang heeft gezet.” De Zes Van Gent waren Les Charmeurs (uit Evergem-Belzele), Gorky (nog met ypsilon), The Pink Flowers (met Bruno De Neckere), The Laroids (met Armand Bourgougnie), De Candy Dates en De Vrienden van Lieven Tavernier (rond Koen Wostyn).

Mia

Is Mia nu het beste nummer dat hij ooit schreef? “Ik heb ondertussen zo’n 200 nummers opgenomen. Die liedjes zijn mijn kinderen. Soms denk ik wel eens dat ik enkele van die nummers eens opnieuw moet opnemen en een andere wending geven. Ik heb soms het gevoel van een gemiste kans. Maar als ik heel eerlijk ben, is het beste nummer voor mij datgene wat ik laatst op plaat bracht. De nieuwe nummers doe ik het liefste. Een nummer tot stand brengen, is een heel aangenaam gevoel. Dat komt ook niet op één, twee, drie. Dat groeit tijdens repetities en als het ‘af’ is, ben ik er ook verliefd op. Het liedje ‘Mia’ is een eigen leven gaan leiden. Dat was onvoorspelbaar. We namen het op maar het was geen single. Tijdens de eerste concertreeks waar we het nummer speelden, werd het wel woordelijk meegezongen. Dan voel je dat zo’n nummer toch is blijven plakken bij de mensen. Toen me in 1995 gemeld werd dat er een nummer van ons in de Top 100 Aller Tijden stond, dacht ik aan ‘Lieve Kleine Piranha’. Het bleek Mia te zijn. Fans gaven hun topdrie door aan Studio Brussel met op één het nummer One van Metallica, met het nummer Suds ’n Soda van dEUS en met Mia van ons. Dat vond ik te gek voor woorden. Zo’n zacht nummer tussen harde rock. Heel eigenaardig was dat.”

De perfecte popsong

“Ik heb deze week nog een discussie gehad met mijn vrouw Sandra over wat je nu een perfecte popsong is”, vertelt Luc. “Ik zal een voorbeeld geven: ‘Time tot pretend’ van MGMT. Dat is voor mij de perfecte popsong. Dat zit leuk in elkaar. De tekst doet er niet doe. Maar je voelt vreugde en humor. En het nummer start met een catchy lijn. Een ‘hook’ zoals wij dat noemen. Da’s de perfecte popsong. ‘Penny Lane’. Of ‘Daydream Believer’. The Monkees. Machtig. Het moet ook altijd een heel zomers gevoel geven. Een gevoel waar je beter van wordt.”

Vos ken ik al lang. Ik was getuige van ‘zijn’ Rockrallyfinale in 1990. Op het einde van de set gooide hij zijn gitaar hoog in de lucht en kon ze pas ternauwernood redden van de ondergang. Toen wist ik dat hij een hele grote zou worden. Luc De Vos en Wippelgem. Hij heeft een tweeledige relatie met de streek waar hij opgroeide. Hij doet er vaak lacherig over. Maar hij kan ook zo ontroerend lyrisch zijn. “Ik ben geboren in Gent. Opgegroeid in Wippelgem. Op mijn twaalfde naar Gent op internaat gegaan. En eigenlijk nooit meer de stad losgelaten. Maar ik ben een jongen van een kanaaldorp. Wippelgem, een dorp zoals Ertvelde, Rieme, Langerbrugge, Doornzele.” Het wordt stil. “Iedereen in mijn klas was zoon van een werkmens”, vertelt Luc. “Van de eerste tot de laatste ging zijn brood verdienen een drietal kilometer verder in de grote bedrijven van de haven. Mijn vader ook. Hij werkte bij Sadaci. Zo’n draak van een fabriek op de grens met Evergem. Ben er nooit in geweest. Mijn vader stierf op zijn 59ste. Ik was toen acht jaar. Ik groeide op in een groot katholiek arbeidersgezin. In een zeer beschermde omgeving. Dat heeft me geleerd om in mijn liedjes positieve zaken te belichten. Die achtergrond, Wippelgem, vind je zeker in mijn werk terug.

U2 in Deinze

“Maar diep in mijn hart ben ik een stadsmens. Op mijn twaalf jaar ontnomen aan die toen nog zeer landelijke omgeving. Maar als ik er nu kom, denk ik altijd: ‘den buiten is weg’. Alleen verkavelingen. Nee, voor mij is de stad de oplossing. Ik zie dat Gent vol komt wonen met West-Vlamingen die ‘den buiten’ ontvluchten. Ik juich dat toe. De stad moet groeien.” Je weet nooit wanneer je hem vast hebt. Zijn songs stralen van naïeve positiviteit. Tegelijk doen ze tasten naar het diepste buideltje in je hart. Je hoort weemoed, verdriet maar ook veel bitterzoete humor. En de spons blijft al die invoeden opzuigen. “Ik ben een echte Rockrallyfanaat. Ik volg zowat alle preselecties. Hier ook in Gent doe ik niets liever dan jonge groepjes spotten in de Video of de Kinky Star. Je weet maar nooit of de nieuwe U2 staat op de planken. Of het nieuwe dEUS. Of The Beatles uit Limburg. Een nooit stoppende ontdekkingstocht. Ik heb trouwens U2 als onbekend groepje nog gezien in de Brielpoort in Deinze. De tournee ‘October’. Zulke ontdekkingen, daar doe je het toch voor?”

Terug thuis

Ik kom thuis en vind een mail in mijn box. Cirque Constance. Of ik Pornorama ken? Het vroegere Dr. Pepper Family. Uit Gent, met muzikanten uit Assenede. Ik zoek het gelijk op. Geniaal. Of ik ze ook wil interviewen? Ik zou wel willen, maar Vos is porno genoeg. Het boek nadert zijn einde. Maar inderdaad, zoals Pornorama nu gensters begint de slaan, stond Luc De Vos mee aan de wieg van een Gentse generatie. Een Gentse scene. En ik ben zo blij dat ik het als verre observator mocht meemaken. Ik heb het nieuwe U2 gezien in Gent. Verschillende keren zelfs: Gorki, Arid, Soapstone,The Pink Flowers, Kremlin Cowboys… En nu Pornorama, The Van Jets, Das Pop, … Allemaal kerels met verschrikkelijk veel talent die ik in mijn achtertuin wist beginnen. Maar heel eerlijk, Luc De Vos was toch één van de merkwaardigste van dat legioen merkwaardigen. Dat verandert niet.

Naschrift: ter nagedachtenis. Luc overleed in november 2014 en heel Vlaanderen rouwt nog steeds om dit tragische verlies. Zijn artistieke erfenis is prachtig. Blijf luisteren naar zijn liederen!

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredacti e Pablo Smet)