Interview met Willem Depraet (The Evil Pony’s) uit 2012. Rock ‘n’ roll Niemandsland

“Aan de toog van het jeugdhuis ontstaan de wildste ideeën”

Wat een prachtig zicht hier. Ik sta op het mooiste plekje van het krekengebied. In Kantijne, Sint-Laureins. Waar het Hollandersgat en de Blokkreek elkaar innig kussen. Op de Blokkreek doemt uit de mist het eilandje met riet op dat zich jaren geleden al van de oever afscheurde en heel langzaam in de kreek verder doolt op zoek naar liefde. En net achter dat eilandje zie ik beweging. Een koude stilte. Uit de nevelslierten doemt plots een middeleeuwse drakkar op. Het Vikingschip komt bedreigend dichterbij. De angst slaat in mijn keel. De Noormannen zijn terug. Maar ik vergis me schromelijk. Ik hoor vrolijke metaldeuntjes en geschifte slierten tekst. Uit de onderwereld is opperviking Willem Depraet opgestaan, één van de mannen achter Club Klunen en Meetjesland Rockt. Willem is een echte metalkenner maar ook gitarist van The Evil Pony’s en Heidrun. Zijn vervaarlijke metgezellen en ‘partners in crime’ zijn Tom Eysermans en Manu Vermeersch, die met hem ooit de gevaarlijkste schaatsclub aller tijden hebben opgericht. Ik wil er alles over te weten komen.

Elfstedentocht

Ik moet eerlijk bekennen: ik dacht dat er achter de naam Club Klunen één of andere gevaarlijke Scandinavische mythe schuilging met botergeile slavinnen, bebloede zwaarden en omgekeerde kruisen. “In realiteit is de naam verzonnen achter de toog en staat klunen gewoon voor ‘het wandelen met schaatsen op verharde grond’ zoals we het kennen uit het Friese schaatsjargon”, vertelt Willem Depraet lachend. Een ode aan de Elfstedentocht, dus eigenlijk. Een heavy metalgenootschap met de naam van een… schaatsclub? Het kan nog gekker in deze wereld. “Aan de toog van het jeugdhuis ontstaan de wildste ideeën”, bekent Willem Depraet droogjes. “De bloeiende rockscene in onze streek is ontstaan door het verenigingsleven in de dorpen. Bijna elke gemeente heeft hier nog een jeugdclub. En het zijn net de creatieve en alternatieve jongeren die jeugdhuizen opzoeken. Dat zorgt voor het voortdurend opborrelen van leuke initiatieven. Het is aan de toog van die jeugdhuizen dat die jongeren elk met hun passie voor gelijk welke muziek, hoe extreem ook, terecht kunnen.” Ziezo, de toon is gezet. Willem en zijn vrienden mogen dan al enige waanzin uitstralen. Er zit achter die waanzin wel een concept. Tijd voor een pintje.

Vader

“Als twaalfjarige ging mijn interesse vooral uit naar sport. Ik speelde basket. Maar het is via Aaron Overmeire, nu een triatleet bij SMO, dat ik Guns N’ Roses leerde kennen. We wisselden daar cassettes van uit en kochten een T-shirt. We richtten prompt de Fanclub Guns N’ Roses Eeklo op. Het was de tijd van Nirvana, het commerciëlere werk van Metallica, The Offspring en Ugly Kid Joe. Aaron is daarna meer naar de hiphop toegegroeid. Ik zou het later meer richting extreme metal gaan zoeken. Maar op dat moment werd ik me wel bewust van muziek en daarin had ik altijd een voorkeur voor het hardere genre. Rammstein heeft voor mij definitief de ogen open gedaan en me richting extremere metalgenres geduwd.” In de tijd van hun gezamenlijke 100 dagen kwamen Manu Vermeersch en Willem Depraet opnieuw met elkaar in contact. “We kenden elkaar van in de lagere school. Maar de korte begroeting ‘Yow Willem’ in de toiletten tijdens de 100 dagen, betekende de nieuwe inwijding van een vriendschap. We spraken af om verschillende festivals te gaan afdweilen. Heerlijk was dat. Zo nam Manu mij en Tom Eysermans mee naar het No Mercyfestival waar ze in de ene tent grote metalnamen als Immortal en Cannibal Corpse op het podium geplaatst hadden en in de andere tent mainstream rock zoals Gorki en Dog Eat Dog. Vooral die laatste kon ik in die dagen wel smaken. Maar toen Manu me naar de andere tent meenam, ben ik er niet meer buiten gekomen. Dat was hét van hét, voor mij. Het optreden van Vader heeft me de extreme metal ingetrokken. Dat crowdsurfen, die overgave van de groep en van het publiek, die sound,… Fantastisch.” Zijn ogen blinken.

Meetjeslands Metalfest

“En het was net de passie voor die muziek die niet compatibel was met de softe muziek die ze toen in de jeugdhuizen draaiden. We gingen heel graag naar het jeugdhuis, naar de Patjelli’s, ’t Kabêterke of naar The Lords. Maar ‘onze’ muziek konden we alleen thuis of in kleine groepjes beluisteren. We moesten zelf iets doen: Club Klunen. Ik weet totaal niet meer hoe we op die naam gekomen zijn. Maar onze eerste actie was de fuif ‘Klunen op het Strand’ in N9 Villa. Ik heb dat samen georganiseerd met mijn zus Jasmijn, met Manu en met Tom. Een succes, tot onze eigen verbazing. Blijkbaar waren er nog heel wat jongeren die nood hadden aan fuiven met extreme metal, met de muziek die ze in het traditionele jeugdcafé of jeugdhuis bijna nooit te horen krijgen. Het was om ter zatst en om ter hardst. Dit moest een vervolg krijgen en we droomden ook al van optredens.” Het wordt even stil. “Alleen zagen ze dat bij de N9 niet echt zitten om zich in de metalwereld te gaan begeven”, zegt Willem met een zachte glimlach. “Maar we wilden ook meer dan fuiven alleen. Zo is het idee van het Meetjeslands Metalfest ontstaan. In 2004 hebben we het voor de eerste keer in de toenmalige N9-zaal in Cinema Astrid aan het Station georganiseerd. We hebben vijf edities gekend. Belgische bands en buitenlandse namen. Op de eerste editie speelden alleen Meetjeslandse groepen. Aan alle edities hebben we fantastische herinneringen. Uptempo Bluesmachines met zanger Tim die het publiek bespeelde alsof het niets was. Een vernieuwend geluid. Het Nederlandse Goddess Of Desire met fakkels en een ‘specialist’ pyrotechniek die helaas nog nooit van een brandblusapparaat had gehoord. Het leek even alsof de gordijnen van de zaal ei zo na in de fik stonden. Muzikaal hoogtepunt was Blood Red Throne uit Noorwegen waar ik zelf nogal fan van ben. Ook de afterparty was dikke fun. Al heeft de band zich nog uitvoerig verontschuldigd voor een ‘rituele teruggave van etenswaren via de mond aan de grond’ in het hotel. Best grappig allemaal. En ik denk ook met veel nostalgie terug aan de drie optredens die de locale helden van Days of Betrayal er brachten. Het begin van een reeks optredens in binnen- en buitenland. Belangrijke band voor de streek!” Manu Vermeersch zet net als bloedbroeder Willem Blood Red Throne meteen op één. “Maar ik vond Garmenhord ook super. Vooral tekstueel heel interessant met ‘oud-Vlaamsche teksten’ over het Meetjesland. Magistrale songs ook: ‘Het Meetjesland Marcheert’ en ‘Al Onder Den Bevende Hazelare’. “ En wat dacht je van de hilarische songtitel ‘De Craekende Cwaedebosschen bey naghte’. Ik rij ’s nachts met mijn fietsje ook vaak door de Kwadebossen in Waarschoot. Ik kan er me iets bij voorstellen.
“Ik wil ook nog even mijmeren over Destruction. Niet omdat het een goed optreden was maar vooral omdat de zanger een ongelofelijke eikel was. Naar zijn fans toe heel vriendelijk allemaal, maar voor organisatoren een echte ‘pain in the ass’. Hij wou een driesterrenhotel in zijn contract, trad niet op alvorens zijn lichaam doordrongen was van bepaalde substanties. En hij vond het ook nodig om bij andere bands die dag allerlei eisen te stellen zodat hij er het beste zou uitkomen. Man…”

Drive

Maar Manu ziet het niet zwart/wit. “Er was ook de Limburgse metalformatie Desparation. Die mannen waren daar zo vroeg en hadden zo vlug opgesteld dat ze hun set wel drie keer na elkaar speelden waarbij het publiek alle kreten en refreinen van achter naar voor konden zingen.” Tom Eysermans zag op het Metalfest The Lucifer Principle spelen. “Een enorme drive en de allereerste metalband met contrabas”, zegt Tom. “Verder: Panchrisia. Wat mijn eerste kennismaking met death- of black metal betekende. Het verschil tussen beide is me nog steeds niet geheel duidelijk. En ook wat mij betreft: Garmenhord en Goddess Of Desire.”
“Naast het festival hielden we in die periode ook maandelijks Club Klunen Café in het zaaltje naast Patjelli’s, waar nu de frituur is”, vertelt Willem Depraet nog. “Daar konden we met zo’n 30 man binnen. Dat was altijd ambiance. We hadden er boormachines aan de muur gehangen en zo. Duistere sfeer, machtige muziek.” Belangrijke naam in heel dat Meetjeslandse metalgebeuren: The Difference. “We volgden die overal, met bussen zelfs, tot in Nederland. Dat waren heerlijke uitstapjes. Zuipen en flierefluiten à volonté. Die Nederlandse vrouwen waren gek op ons. Daar heb ik één en ander gezien. Ongelofelijk.” Ik hoor het. Ik heb iets gemist. “Je mag gerust zijn. The Difference is een fantastische groep. Muzikaal en ook qua aanhang. Ongezien en enorm belangrijk voor de streek.” Nog een pintje? Willem knikt. Mijn knieën ook.

The Evil Pony’s

En van het één kwam het ander. Aan de toog. Wat had je gedacht? Tussen pot en pint ontstond het idee om een eigen metalband op te richten. Na een CD-voorstelling van The Difference nota bene. “Met Steven Mervielde op drum en Manu als zanger. Het was onze droom om een Meetjeslandse schlagermetalband te worden. Manu had als projectnaam ‘Evil Monastery’ in zijn hoofd. Ik dacht eerder aan ‘The Pony’s’. Dat zijn dus The Evil Pony’s geworden”, grinnikt Willem. “Onze eerste nummers zijn op zondagmorgen gebrouwen. Stel je voor. SM Zolder. Ons eerste liedje. Toen nog zonder bassist. Ons eerste try-outoptreden deden we op een barbecue bij Manu. Meteen een schot in de roos.” De zoektocht naar een bassist verliep niet over rozen. “Een bloedmooie vrouwelijke bassiste, dat was de ultieme droom. Uiteindelijk zijn we terecht gekomen bij Sven Bauwens, sessiemuzikant, uitmuntend gitarist en uitbater van muziekwinkel Sonnor in Eeklo. Sven is ons toen ter hulp gesneld. Voor eventjes, had hij gezegd. Hij speelt er nog altijd bij. Het rare van The Evil Pony’s is dat het nooit serieus is geweest, dat we nooit optredens ronselen en dat we nooit promotie voeren. En toch, het loopt als een trein. Het enige wat we wel relatief ernstig nemen is de muziek zelf. Het moet ‘af’ zijn, het moet strak zijn, het moet in orde zijn. Ik ben daar een hele strenge in. Onze eerste producer van de eerste demo was een reggaefan. We hebben zeven nummers ingespeeld maar er schieten er maar vier meer van over. Dat was een ramp, we klonken verdorie ‘reggae’. We hebben dan de opnames kunnen recupereren en het boeltje zelf gemixt. En voila, onze eerste demo: ‘Obsceen, gemeen en vies van iedereen’. De 100 exemplaren die we ervan verdeelden waren in geen tijd uitverkocht.” En toen kwam de eerste CD ‘Mee een muile gelijk ons est altijd keirmesse’. Die hebben we opgenomen bij CCR in Zulte tijdens uren die we parallel gehuurd hadden met The Difference. We willen een catchy geluid en rechtdoor spelen. Muziek moet rollen. En het loopt als een gesmeerde ketting. Nochtans hebben we elk onze eigen smaak. Sven houdt meer van gitaristen die ongelofelijk goed en snel kunnen spelen à la Satriani en Steve Vaï. Steven is een progrocker. Manu verkiest grind, death en trash metal. En ik heb een brede interesse van Tool tot extreme black metal, eigenlijk. Maar dat lukt wonderwel. We leggen de lat voor onszelf vrij hoog. Want je kunt geen organisatoren teleurstellen, vind ik. Het moet goed zijn. Bovendien zorgt onze frontman Manu voor de nodige fun en show. Heerlijk. Het mooiste compliment dat we ooit kregen was na een akoestisch optreden in De Bakkerei in Eeklo, van een oudere man in het café. Hij zei dat wij ‘de moderne Tamboers’ waren. Blij als een kind, toen ik dat hoorde. ”
Maar Willem zoekt ook uitdaging in de genres waar hij zo verzot op is. “Om meer ‘mijn ding’ te doen, speel ik ook bij Heidrun. Alweer op café begonnen”, lacht Willem. “Met Bart Verhé van het ter ziele gegane Days of Betrayal, Tim Matthys van Devastation, zanger Andy Windels en Gio Matthys, later vervangen door Bart De Decker. “ Heidrun is echte black metal, uit de zwartste ziel van het Hoge Noorden, uit Vikingenland. “Veel technischer, zwaarder maar tof om te doen. Als het maar spelplezier uitstraalt! Ondertussen hebben we al leuke dingen gedaan.”

Namen noemen

We zijn nogal zot van lijstjes. Met Willem, Manu en Tom hebben we drie kenners te strikken die toch al heel wat talent zagen voorbij zoeven door het Meetjesland. Ik pols naar de toekomst. Willem heeft drie namen klaar. “Carrion is een jonge band met sterke muzikanten. Een zanger met een sterke strot en schitterende podiumprésence”, aldus Willem. “Nog een aanrader: Strych.Nine met Maldegemnaar Jeroen Foré die enkele ervaren rotten uit België en Nederland rond zich verzamelde. Een krachtige mix van moderne en groovende metal. Leden van Crimson Falls, Leaves Eyes, Morda, Polluted Inheritance en Spoil Engine zouden ons bijna de term ‘superband’ in de mond doen nemen. Anti-Icon ligt momenteel op zijn gat. Maar deze band of de bandleden ervan komen wellicht nog met heel interessant materiaal naar buiten. Metalcore en op grafisch vlak heel verzorgd.”

Brengt ons meteen ook bij de persoonlijke top vijf uit de streek ‘all time’. “Voor mij zijn dat The Difference, Bataklan, Headmeat, Garmenhord en Days of Betrayal”, zegt Willem. Bij partner-in-crime Tom Eysermans wordt dat dan: Grown Apart, Garmenhord, The Evil Pony’s, Uptempo Bluesmachines en Powerstroke. Bij Manu Vermeersch horen we gelijkaardige geluiden. Zijn lijstje ‘all time Meetjesland’: Grown apart, Bataklan, Devastation, Heidrun en Garmenhord.

“Het belangrijkste wat een groep moet doen bij mij is een glimlach op mijn mond toveren”, filosofeert Manu. “Mij zin doen krijgen in een spelletje ‘air guitar’ of ‘air drum’. En dat geldt voor gevestigde waarden net zo hard als voor beginnende groepjes.” We zouden het zelf niet beter kunnen omschrijven. Manu neemt ons meteen mee naar de essentie. Tom beaamt. “Muziek moet voor mij daarom niet direct goed gespeeld zijn. Ik kan daar geen oordeel over vellen. Maar een band moet mij wel nieuwsgierig maken en mij raken op een positieve manier. Dan kunnen we verder praten”. Glimlach op het gezicht. Een duivelse lach doet het krekengebied rondom ons plots verduisteren. Maar de duivel is een humorist. En hij steekt meteen opnieuw het licht aan. We mijmeren ook met Club Klunen nog eens over de voorbije Cirque Constance-jaren waarvoor zij altijd het metalgedeelte verzorgden, ideetje van Jurgen De Wever trouwens. “Ik vond Idealus Maximus, The Evil Pony’s en Alkerdeel de leukste Cirque Constance-deelnames”, zegt Tom beslist. Voor Manu waren het dan weer Alkerdeel, Devastation en Uptempo Bluesmachines. Bij Willem Depraet blijft vooral de moddereditie van 2010 hangen. Ik was er bij. Het was Parijs-Roubaix en toen net over de kreken even het licht uitging, dacht ik er al aan terug. “De normale locatie was volledig overstroomd”, lacht Willem uitbundig. “Maar ook bij de ‘alternatieve locatie’ bleek niet alles van een leien dakje te lopen.” Geef toe, iedereen in de streek die rillingen over de rug kreeg van de Pukkelpopramp in 2011, heeft toch ook even beseft hoe we daar in 2010 in Kaprijke door het oog van de naald zijn gezwommen als kleine maar hardnekkige spermatozoïdekes. Maar dit even geheel terzijde de ‘meninghe van den schrijver’. “Ik had toen de anciens van Damage Case gevraagd”, vertelt Willem er nog over. “Dat heeft me achteraf nogal wat pinten gekost. De enige manier om de instrumenten op het podium te krijgen was via een lange rit op de quad.” Rock ’n roll op zijn Constancekes zeg maar. “Het meest legendarische metaloptreden van Constance was Devastation. Zonder twijfel. Retestrak. Nog nooit zoveel vrouwen in de pit gezien als toen. En er lopen er nog rond met een blauw oog, vrees ik.” Een duivels lach doet het krekengebied opnieuw verbleken. “Zelf hebben we er met Heidrun, mijn eigen band, ook een fantastische anekdote beleefd. Onze zanger Andy had nog niet zoveel podiumervaring en een ‘steuntje in de rug’ nodig. Een fles Jack Daniels bracht soelaas. Hij strompelde na het optreden het podium af om in een kist kabels van de om allerlei redenen legendarische geluidstechnieker Luc Saté terecht te komen. Daarna was hij een uur vermist. We hebben hem in zijn korte mouwen gevonden, naast enkele auto’s waar hij in het koude gras zijn roes lag uit te slapen. Half onderkoeld hebben we hem aan het kampvuur gezet.” Een bliksemschicht jaagt doorheen de polderlucht van Sint-Margriete. Lucifer glimlacht en knikt. “Zo is het goed, jongens”, klinkt het vanuit de hel. En voor we het weten, vaart de drakkar van Club Klunen weer richting Friesland. Wachtend op de volgende Elfstedentocht.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Nadenken over adieu aux plus beaux

Elle adore le noir, pour sortir le soir

Mijn buurjongen Jan leerde zijn vlam Isabelle, roepnaam Isa, kennen op de Eeklose Kabouterfeesten toen T.C. Matic er kwam optreden. Isa ging er gisteren even vanuit dat ik dat spontaan nog wist maar aangezien Jan vroeger rijp was dan leeftijdsgenoot Bart, uw dienaar, zal ik er gewoon die late jaren tachtig niet bij geweest zijn. Jan keek in Isa’s ogen en koekenbak. Nog altijd. Koppel om van te houden. Ik zat ook in Gent op school, niet in Eeklo. Misschien is het dat. Wel herinner ik me T.C. Matic op de Korenmarkt voor een woensdagmiddagconcert van het Festival van Vlaanderen. Welke rechtse zak op Twitter beweerde ook al weer dat Arno geen cultuur zou zijn? Alleszins 10.000 keer meer mijn grondcultuur dan poesjesvlaggen zwaaien en van rechterarmpje doen op de weide aan de IJzertoren, mijn idee. Het zal aan mij liggen.

Rijen dik, echte vrienden

Even 10.000 keer meer: Henny Vrienten. De Sting van de Lage Landen en met Doe Maar één van de eerste keren dat een Nederlandse tekst écht rock ‘n’ roll kon klinken. De Bom is thans brandend actueel. Pa en Nederwiet blijven gewoon iconische hymnes vanwaar het poesjeslied van de IJzertoren hoogstens aan de hielen komt en me vlakjes helemaal niet raakt. Raymond, die wel. Hintjens, tuurlijk wel. En Doe Maar. Het kleur van mijn humanioratijd. “Als je wint, heb je vrienden. Rijen dik, echte vrienden.” Die tijd. Arno op de Gentse Feesten die zich in plat West-Vlaams afvraagt wat hij in Gods Naam op de Brueghelfeesten staat te doen. Een sneer naar onze Vlaemsche ziel van sauerkraut met braadworsten, halve literglazen bier en zat gelal op het terrasje van de Charlatan in Gent waar Paul Decoutere wel 1.000 keer opgetreden heeft en zich geen seconde verraden voelde door zijn beste vriend le plus beau die hoge toppen scheerde.

Bovenal bemin één vrouw

“Elle adore le noir.” Als het mooiste Arno-liedje speelt, durf ik wel eens denken aan Isa, het lief van mijn bovenste beste buurjongen. Ik weet dat het niet mag van de Heer. Maar ik denk ook soms eens aan andere vrouwen. Al koester ik het adagio ‘Bovenal bemin één vrouw’. Ik begrijp het ook, dat liefdesmoment op de Kabouterfeesten. Al vermoed ik dat Arno het nummer toen nog niet live speelde. “Dans les yeux de ma mère.” Deze ook. Prachtige track. Doe Maar zag ik nooit, Henny Vrienten zag ik nog met Bram Vermeulen in Brugge en Arno passeerde mijn leven live wellicht een tiental keer, misschien zelfs meer. Onder andere tijdens een try-out in het Aalterse jeugdhuis. Wat een knaller. Voor elk moment. Voor drie man of voor 30.000 mensen op een groot festival: Arnaud Charles Ernest gaf het volle pond. Ooit, toen ik nog bij Cats in the Attic speelde op een concert in Lovendonk, flatteerde de zanger van Jerry & The Toms me met het compliment dat ik op een podium zo wild als Arno te keer ga. En het is waar, ik geef ook altijd alles denk ik. Er is een verschil. Bij Arno was het altijd knal in de roos, nooit naast of over het randje. En mocht dat gebeurd zijn, ik heb dat nooit gezien.

Zelden dronken

Ik treed zelf zelden of nooit dronken op. Het is me wel eens overkomen. Laatst nog. Niet zo slim. Maar wat zeker wel is: altijd dronken van de goesting, stijf van de adrenaline en dat speelt me soms wel parten. ‘Er over gaan’, weet je wel. Het verkloten wanneer iets niet meer te verkloten valt. Dat kan ik goed. Ziedaar tegenover: de grote kracht van mijnheer Arno Hintjens, hij wist altijd perfect op die koord te balanceren en zijn energie te ballen tot het beste optreden ooit, altijd weer opnieuw. Keer op keer. Bij Henny Vrienten een gelijkaardige analyse maar dan vooral op het vlak van muziek schrijven en de ziel raken van mensen met mooie teksten en melodieën. Ook altijd op die smalle circuskoord, klaar om er af te tuimelen, maar telkens weer tijdens de song komt het goed. Zo goed dat je zegt: dit kan alleen Henny zijn. Of Arno zijn. Dat kunnen alleen de grote cultuurmakers. En dat zijn ze. Hun invloed op onze cultuur in dit stukje Europa (en dat noemen we dan in vakjesjargon de ‘Vlaamse cultuur’, ‘Belgische cultuur’ of ‘Nederlandstalige cultuur’, whatever) is onmiskenbaar. Ze hebben mijn jeugd geschreven. Onze jeugd. Ook de jeugd van Isa en Jan. En van vele anderen zoals wij. Zij hebben dat gedaan: les plus beaux. Zij niet alleen. Maar wel in heel belangrijke mate: die twee. Eén van Oostende en één van Holland.

Ik blijf luisteren, helden. De mens is sterfelijk, jullie liederen niet.

Nadenken over indianen en eer

“Nee, ik ga Mia niet spelen, nee.”

Een staalfabriek naar de kloten. In die van ons aan het kanaal werken er 6.000 mensen. Ik herhaal: mensen. Appartementen, huizen, wijken, een kunstschool, het theater van Marioepol. Na Sarajevo en Aleppo alweer humanitair leed gebracht als in een televisieserie. Ik herhaal: humanitair. Iets met mensen. Ik herhaal: mensen.

Wat voor een eer vindt een leider, een natie, een volk, in dergelijke ‘prestaties’? Ik loop er al 25 dagen niet goed van, zo lang is die ‘strijd om eer’ al bezig. Druk op de knop en honderdduizenden levens naar de zak. Het was Vic van de De Koperen Leeuw die me attendeerde op het belang van theater. Die Koperen Leeuw kan je percipiëren als een aftands zaaltje waar men de hoogdagen van de afgebroken De Gouden Leeuw tracht te rekken.

Je kan De Koperen Leeuw ook gewoon ‘de ziel en het geweten van Eeklo’ noemen. Die houten theaterstoeltjes, die bar, dat vele vrijwilligerswerk, die goesting die er aan de muren kleeft. De Gouden Leeuw is destijds niet gebombardeerd, maar de mensen die hem hebben afgebroken weten ook niet veel van eer en hoe eer te behalen voor het nageslacht. Ze dachten alleen aan geld. Op dat vlak zijn ze maar een hesp beter dan die psychopaat die zich ergens in een kasteel tussen Sint-Petersburg en Moskou schuil houdt en met een handvol ‘vrienden’ de hele wereld terroriseert. Breek niet af. Bouw op.

Vul de klak

Daar, op die veredelde bierbakken van een Eekloos goestendoenderstheater om trots op te zijn, kon ik even wegdromen bij de verhalen van Goes & Goes over mensen. Ik herhaal: mensen. Ook niet allemaal koek en ei, wat Michel Goessens daar ten berde brengt: beffen en hoereren op de biljarttafel van een marginaal café, indiaantje spelen in de bossen met een echtgenote thuis in de diepvries in zakjes van een kilo, snoepen en sigaretten stelen bij een arme man met schurft, scheidingen die faliekant aflopen, vrouwen die hun man mollen en dan bij Vermassen gaan aankloppen, de verpleger die de euthanasie te veel pleegde. De meeste van die liedjes en zelfs zijn grapjes er tussen heb ik al vele malen mogen aanhoren. En telkens opnieuw lig ik dubbel van het lachen. Omdat het écht is. Over mensen gaat. Ik herhaal: mensen. Er zaten er zelfs in de zaal, van die mensen uit zijn verhalen.

Voor mij was dit niet nieuw. Ik weet al sinds mijn 16de wat voor een talent Michel Goessens is. Hij is misschien wel de reden waarom ik zelf liedjes tracht te brouwen. De Heer moet zijn getal hebben. Wat wel telkens nieuw is: de uitvoering. Ook daar is hij een meester in. Inspelen op de omstandigheden. Een licht beschonken Marie-Jeanne die plots op het podium staat om de klak te vullen. Of dat ene zinnetje als antwoord op een evidente vraag in de zaal: “Nee, ik ga Mia niet spelen, nee.”

Onder de wapens roepen

Maar genoeg over Goes 1. Zal ik het nog even over Goes 2 hebben? Als ik in een band speel, ben ik een bijna bezeten bewaker van de song, de ziel van de song. Iedereen, van drummer tot violist en klarinettenspeler,  mag prutsen en experimenteren zoveel hij wil, maar de song moet er baat bij hebben. Het lied moet vooruit. Het verhaal moet verteld worden. Breek niet af. Bouw op. Natan Goessens kan dat als geen ander. Hij schittert in de ogenschijnlijke eenvoud waarmee hij, als drummer (en dat is niet evident), de songs van zijn ouwe heer nog eens opwaardeert tot pareltjes die binnen driehonderd jaar in het Goestenmuseum in Sleidinge te horen zullen zijn. En hij, Natan, zal er als ‘Pieter Brueghel de Jongere’ beschouwd worden. Het genie.

Natan prutst niet. Nooit. Alles klopt. Zelfs in volle improvisatie voegt hij met dodelijke precisie de juiste toets toe aan het lied en het concert. Ik verkoop als Faust mijn ziel voor één moment op het podium met zo’n muzikant! Een jonge gast, zeggen wij dan. Hij toert met een Amerikaanse blueslegende die al gauw had gezien wat in Natan schuilt. In Oekraïne en Rusland zouden ze zo’n jongen onder de wapens roepen. Een mens met grandioos veel talent zou er moeten sneuvelen in een zinloze oorlog zonder eer, voor de indianenspelletjes van een crapuul met te veel macht. Ik bid tegenwoordig elke dag dat de mens het uiteindelijk haalt van de grootheidswaanzin. En zingen gaan we blijven doen, Goes en Goes. De ene op zijn drum, de andere op zijn luit en, wie weet, nog een andere op zijn fluit. Oma Betty en opa Fernand zagen dat het schoon was.

 

Nadenken over klasgenoten en mensen op de vlucht

Klasgenoot Khoï: “De boot was niet zeewaardig maar we waren op zoek naar een beter bestaan”

Hij is een klasgenoot. Klasgenoten blijven klasgenoten, zo is dat. Hij is de klasgenoot die bij iedereen in het geheugen is blijven plakken. Khoi Vo Tung. We stonden ons als kleine schooljongens op de koer te vergapen aan de eerste Vietnamees in de geschiedenis van Sleidinge. Begin oktober 1979. En geen idee wat deze jongen al allemaal had meegemaakt op dat moment. Onze klasgenoot. Zijn antwoorden.

Khoï Vo woont in Perth, Australië. Hij is 51 jaar en dus een viertal jaar ouder dan ‘ons’, de klas geboortejaar 1969 in gemeenteschool van Sleidinge. Khoï is een succesvol zakenman en leidt zo’n honderd ondernemingen daar aan de andere kant van de wereldbol. Naar ik begrepen heb: nagelstudio’s en reparatiecentra voor smartphones. Een druk bezet man. Hij opent zijn hart in vier geluidstapes die ik mijn leven lang zal koesteren. “Ik ga je vragenlijst een beetje dooreengooien want ik wil mijn verhaal graag chronologisch vertellen”, gaat Khoï van start.

Vietnam

Dus we gaan terug naar 1965. “Ik werd geboren in een welstellend gezin in Zuid-Vietnam.  Mijn vader was een belangrijke officier in het Zuid-Vietnamese leger en een bondgenoot van de Amerikanen tijdens de oorlog met het Noorden. Wij woonden in de stad Saïgon en stelden het eigenlijk wel heel goed, ondanks de oorlog. In 1973 verlaat het Amerikaanse leger Vietnam en zal het Zuid-Vietnamese leger nog twee jaar alleen vechten tegen het communistische Noord-Vietnam. Bij de val van Saïgon in 1975 kwam mijn familie op de zwarte lijst te staan, wordt mijn vader opgepakt en in een concentratiekamp opgesloten. Hij kreeg de hoogste straf: 12 jaar. Mijn moeder en wij, de 13 kinderen, kwamen op het platteland terecht in heel armoedige omstandigheden. Wij waren stadsmensen, een gerespecteerde en welopgevoede familie en nu werden wij in één keer arme boeren. Wij wisten ook niet hoe we dat moesten doen, boer zijn en voor ons eigen eten zorgen. Ik heb daar leren planten en dieren eten.  Je houdt het niet voor mogelijk: muizen, hagedissen, bladeren, grassen,… Allemaal om in leven te blijven.”

Op de vlucht

Het leven op het Vietnamese platteland was voor de familie onhoudbaar geworden en het enige wat nog kon, was op de vlucht slaan. Samenblijven was onmogelijk en Khoï kreeg in 1975 als tienjarige knaap een opdracht, een missie: we slaan allemaal op de vlucht en als die nachtmerrie eenmaal voorbij is, zie we elkaar opnieuw en verenigen we de familie. Voor Khoï wordt dit zijn levensopdracht. “Ik heb mezelf toen inderdaad op een gammel bootje binnengesmokkeld en, zonder schrik, ben ik meegegaan op zee. Helemaal alleen. Die boot was voor vluchtelingen klaar gemaakt. Ik wist dat en ik ben stiekem aan boord gegaan. Die boot was zeker niet zeewaardig, maar we waren allemaal mensen in een uitzichtloze situatie die op zoek waren naar een beter bestaan. Wanneer je hopeloos bent, doe je van alles. Ongelofelijke dingen. In onze situatie ga je dan op die boot en op zee en…” Even stilte. Hij lacht even. “Wij dachten dat wij de zee konden trotseren, hé. Veroveren eigenlijk. Ik had geen schrik. Ik had geen enkele schrik. Kleine sprankeltjes hoop. Dat wel. Er was geen andere manier dan op die boot te springen. Daarna heb ik vernomen: 50% van de vluchtelingen heeft het nooit gehaald. We hebben piraten gezien, we hebben miserie meegemaakt, ik heb de ergste misdaden zien plegen…” Hij stopt even met praten. “Op één of andere manier was ik daar op dat moment immuun voor. Dat was ik niet, daar op die boot. Ik had geen schrik.” Hij accentueert het. “Het was alsof dat dit een deel was van de prijs die ik moest betalen om mijn levensopdracht te vervullen. Gelukkig was de zee kalm. Ik werd niet zeeziek maar velen van ons wel.” En dit bootje bracht Khoï naar een eiland voor Maleisië, Pulau Bidong. Een vluchtelingeneiland. Een blik op de kaart leert me dat dit over een vaarafstand tussen de 500 en de 1000 km moet gegaan zijn. Ter vergelijking: dat is een tocht op zee van Oostende naar Schotland! Khoi spreekt van drie dagen op zee. En de laatste dag was de diesel op.

België

“We werden daar op dat eiland gegooid met 20.000 mensen”, vertelt Khoï. “Daar was echt niks. Geen huizen, geen water, geen elektriciteit, niks. En daar werd ook niks voor ons gedaan. Een grote vuilnisbelt. Wel beter dan in Vietnam, want we waren er wel vrij. Niet te beschrijven met woorden van menselijkheid wat ik daar allemaal gezien heb.” Hij zet hoorbaar een punt achter dit onderwerp.

“Zo, ik ben uiteindelijk in de zomer van 1979 in België beland. Via Caritas Catholica konden alle kinderen onder de 16 jaar zonder ouders, het eiland direct als weeskind verlaten en zo werden we naar België overgebracht. Tijdens die zomer ben ik naar een school in Berlare gebracht waar we een tijd verbleven en waar onze pleegouders zouden toegewezen worden door de organisatie. En in oktober ben ik dan in Sleidinge terecht gekomen. De lagere school was pas begonnen. Ik ben in de Rerum Novarumlaan gaan wonen bij de familie De Wever. Bij Roger en Jenny. En de kinderen Maria, Linda, Patrick en Nathalie.

En daar ben ik dan toegekomen. Ik was blij dat ik een familie had waar ik opgevangen werd. Zo, daar ben ik gebleven. En dan ben ik ook op school geïntroduceerd. Ik herinner het mij nog: de eerste dag kwam ik binnen met meester Etienne Van De Velde en voor mij was dat een heel stijve en formele gelegenheid. Met zijn brilleke.” Khoi lacht. “Ik mag daar eigenlijk niet mee lachen. Later heeft hij mij met mijn taal heel veel geholpen en hij was een heel gecultiveerde en vriendelijke man.”

Sleins klappen

“Meester Etienne Van De Velde heeft me in de klas gebracht. Eerst zat ik bij meester Luc De Baets, die in het Akkerken achter het Jeugdhuis woonde. Maar ik ben al heel vlug terecht gekomen in de klas van Ghislain Van Daele. De leerstof was te gemakkelijk voor mij. Ik vond het beter daar bij ‘Gust’ omdat de wiskunde het enige was dat ik uit de school in Vietnam had onthouden en wiskunde kon ik heel gemakkelijk volgen.”

Juist. Zo herinner ik mij heel precies het moment dat Khoi de eerste persoon in mijn leven was die het toverwoord ‘pi’ (3,14…) voor de berekening van de oppervlakte en de omtrek van een cirkel uitsprak. Meester Ghislain, Gust dus voor de vrienden, stelde de vraag nog maar of Khoi lanceerde het woordje ‘pi’ door de klasruimte. We zaten allemaal stomverbaasd te kijken. Van die dag af wisten we allemaal dat Khoi een slimme, pientere gast was die we niet mochten onderschatten. Zijn naam was gemaakt. Een magisch moment waaraan ik later nog veel terug gedacht heb.

“Op dat moment sprak ik geen woord Nederlands en dat heb ik dan van jullie allemaal geleerd. En Sleins natuurlijk. Thuis spraken we ABN, Algemeen Beschaafd Nederlands. Ik begrijp dat dit nu Algemeen Nederlands heet, niet? En op school was dat Sleins, hé? Ik versta Sleins, geen enkel probleem. Maar om het te spreken …” Hij lacht luid. “Als ge met mij wil ‘klappen’ in ’t Slèjns dan moet je mij twee weken geven.”

Vastberaden

“En wat vond ik er nu van? Ik vond het allemaal nieuw en ongelofelijk. Maar het kon me eigenlijk niet veel schelen. Je moet begrijpen, ik was zoals een computer geprogrammeerd.” Hij herhaalt dit drie keer.

“Ik had een opdracht, een missie om mijn familie opnieuw samen te brengen. Ik was daar… tijdelijk, in Sleidinge. Er bestond voor mij niets anders dan de opdracht van mijn moeder die had gezegd dat wij als familie opnieuw moesten samen komen. “Hou u gedeisd. Wacht totdat wij komen en dan gaan wij opnieuw één familie worden.” Begrijp je? Dan kan het je niet schelen waar je zit, toch? Of je nu rijk of arm bent of in een concentratiekamp terecht komt. Het kan je niet schelen. Ik was heel…”

Het valt stil. Khoi zoekt een woord. “Determined,” probeert hij in het Engels. “Allez, hoe zeg je dit nu in het Nederlands?” Even stilte. “Vastberaden.” Gelach. “Dank u wel, meester Van De Velde en al de leraren Nederlands. Vastberaden, dat was ik.” Blij als een kind omdat hij het sleutelwoord vindt.

Oorlogskind in een pleeggezin

“De school was de enige ontsnapping voor mij. De school was de enige plaats waar ik mezelf kon zijn. Thuis had ik heel veel problemen. Die problemen moeten eigenlijk niet op iemand geschoven worden. Het probleem was begonnen in 1975, bij de val van Saigon. Ik denk dat iedereen die kinderen op de vlucht herbergt, diezelfde problemen ziet verschijnen. Psychologische problemen.” Hij zucht heel diep. “Wij waren getraumatiseerd. Zo getraumatiseerd dat wij niet normaal konden zijn. Wij waren kinderen, maar ik had de missie van een volwassene. En ik moest leven als een kind. Conflicten waren er altijd en jullie kunnen mij nog herinneren; ik was heel vastberaden. Alles en iedereen die in mijn opdracht paste, had ik nodig om mijn opdracht uit te voeren. Mijn vastberadenheid was grenzeloos. Soms voelde ik mij heel uitgesloten van de levensstijl van de mensen van dezelfde leeftijd. Jullie konden mij ook moeilijk begrijpen. Ik was heel gesloten, hé? Ik heb een opdracht en ik zie jullie spelen, een mengelmoes bij elkaar: verjaardagsfeestjes, liefkes, uitgaan, boeken lezen, Platoon gaan bekijken (lacht). Voor mij allemaal miserie, hé? Ik kon daar niet aan toegeven omdat het voor mij om een opdracht ging.” Hij valt even stil. “Dus 1979 en ik ben daar dan gebleven en ik had problemen met de familie. Maar ik ga dat dus niet op de familie De Wever steken. Het probleem was 1975 en iedereen die een oorlogskind in huis haalt, heeft problemen. Zelfs psychologen en psychiaters hebben daar problemen mee. Normale mensen kunnen dat niet begrijpen. De familie De Wever heeft dat eigenlijk heel goed gedaan. Ze hebben mij voedsel gegeven, ze hebben mij liefde gegeven, ze hebben me alles gegeven wat ze hadden. En misschien meer. Geduld. Maar ja, dat was niet wat ik wilde. Wat ik wilde was vrijheid en mijn familie. Dat begrepen ze niet. Maar ik heb nooit gezegd ‘hoe kunnen ze dat niet begrijpen?’.” Ook achter dit onderwerp wordt hoorbaar een punt gezet. Ik hoor een zucht, een traan.

De schoonste plaats van Vlaanderen

“De school was prachtig. Ik kan mij iedere dag van de schooldagen herinneren. In 1979, je moet dat eens opzoeken op Google, was er hevige sneeuw. Een harde winter in Vlaanderen. Ik deed niets anders dan door het venster daarnaar zitten kijken. Ik leerde elke dag nieuwe woordjes, ik vond het plezant om in de klas te zitten, om de kinderen te zien lachen, om met de knikkers te spelen.”

Khoi had een hele speciale techniek ontwikkeld om met knikkers te schieten. Hij gebruikte zijn vinger als katapult. Wat ik ook van hem leerde, was water spuiten met de beide handen op elkaar in het zwembad. En ook: applaudisseren met de handen als een kommetje gevouwen voor je mond als klankkamer. Ik doe dat soms nog als ik naar een voorstelling ga en dan zitten mensen raar te kijken want dat gaat heel luid. Dan voel ik me een echte Vietnamese deugniet uit Sleidinge.

“Voetballen. Van alles. Ik vond het ongelofelijk. Ik vond iedereen plezant. Ik vond iedereen zo vriendelijk. En dat was… echt. Er zijn altijd kleine dinges, wat jongens doen. Vrienden mogen wel eens kijven maar moeten vrienden blijven. Al bij al, terug blikkend, de lagere school was voor mij alleszins een zachte landing. Een zalf aan mijn wonde. Een prachtige herinnering. Het bewijs? Na zoveel jaren ben ik nog steeds nen Slèjnsen. Een ex-Slèjnsen mag je me noemen. Ik ben daar behoorlijk fier op. Overal waar ik kom in de wereld zal ik antwoorden op de vraag waar ik vandaan kom: ik ben van Vlaanderen. En als ze doorvragen en Vlaanderen kennen, zeg ik dat ik van Sleidinge ben. En als ze vragen ‘waar ligt dat?’ Dan zeg ik: Sleidinge is de schoonste plaats van Vlaanderen.”

Industriële Wetenschappen

“Vlaanderen was voor mij in het begin de Rerum Novarumlaan, familie De Wever en de gemeenteschool in Sleidinge. Daarna ben ik naar Glorieux in Oostakker gegaan en zo naar Gent op de Lindenlei. Ik heb daar Industriële Wetenschappen gevolgd. Daarna heb ik gestudeerd voor tandtechnicus en ik heb me gespecialiseerd in protheses. Ik maakte valse handen, valse armen en valse ogen.”

“Ik wil graag nog een beetje vertellen over mijn jaren in België. Over Sleidinge en over de vrienden daar. Ik vond dat ik me goed heb aangepast aan die Vlaamse mentaliteit. Toen ik aankwam in Sleidinge was ik, geloof ik, de enige vreemdeling. In heel Sleidinge.  Er was wel een restauranthouder met een Thaïse vrouw, als ik niet verkeerd ben. De enige twee vreemdelingen dus, die ik mij kan herinneren. Sleidinge in die tijd.” Stilte.

De broek

“Ik kan je een verhaal vertellen, niet te geloven. Aan het Jeugdhuis, het huidige Klokhuis, op de hoek was er een kledingwinkel. Ik zag, als onwetend kind uit Vietnam, daar een broek hangen. Een mooie broek, vond ik. Ik stapte er binnen om de broek te kopen, maar ik had geen geld bij. Ik sprak ook geen Nederlands. Vloeiend Vietnamees wel maar toen nog geen Nederlands.”

Hij lacht. “Ik ken de naam van die mijnheer niet meer (dat was Albert Spanhove – Maes, nvdr). Maar ik stapte dus binnen en ik duidde de broek aan met mijn vinger. Die mijnheer verstond het direct, hé. Ik sprak geen Vlaams en hij geen Vietnamees. Hij neemt de broek van het rekje. Mooie, dure stof. Ik mocht de broek passen. Goede lengte. Hij heeft me een riempje gegeven. Hemdje erbij ook. Een paar kousen. Hij vouwde het op, stak het in een pakje en gaf het in een plastic zakje aan mij. Ik dacht bij mezelf in het Vietnamees ‘mijnheer, hoe moet ik dat nu betalen?’. Hij keek naar mij. En hij begon te lachen. Hij begon echt te lachen. En ik begon ook te lachen.” Lacht nu ook echt. “En hij zei: ’t Is goed, manneke!” Stilte. “Ik kon niet begrijpen wat hij zei. ’t Is goed manneke. En ik dacht ‘wat doet hij nu? Ik kan dat niet betalen’. En hij zei nog altijd hetzelfde. ’t Is goed manneke en hij begeleidde mij naar de deur en ik stond daar met mijn vragende ogen. Hoe kan ik u terugbetalen? Wat zeg jij nu? Waarom doedegij da? Waarom doedegij dit?”

Het geluidsfragment valt compleet stil. Op de achtergrond hoor ik Australische kamions op een drukke weg en kinderen die spelen in een tuin. Khoï huilt. Het komt van heel diep. Dat hoor ik. Het duurt een hele tijd. “OK, een paar tranen weggeveegd.” Stilte. “Ik vond het ongelofelijk.” Hij herhaalt dat twee keer.

Krapullekes

“Die echte goedheid. Niet alleen in Sleidinge. In Vlaanderen is men heel open. Ik vind Vlamingen heel liefdadige mensen. Ik heb nooit in het dorp problemen gehad. Niemand heeft mij aangevallen. Niemand heeft mij lastig gevallen. Ik werd niet met de vinger gewezen. Ik ging naar de winkel, dingen kopen en de mensen gaven mij dingen gratis. De jongens van mijn leeftijd hebben mij nooit het gevoel gegeven dat ik minderwaardig was. Ik was anders, dat wel. Ik was ‘vreemd’. Ik was een ‘vreemdeling’ maar dat werd niet als negatief of slecht aanzien. ‘Vreemd’, ik associeer dat met de Driekoningen. Dat waren ook ‘vreemdelingen’. In mijn tijd werd ‘vreemd’ niet geassocieerd met ‘slecht’. Ik probeerde mij aan te passen, te integreren. Ik deed mijn best en de mensen waren zo lief. Ik kan mij zoveel leuke dingen herinneren.”

Khoï breit er meteen een verhaal aan van zijn kunsten achter de flipperkast tijdens de kermis. Hij kon wel een uur met 20 frank op de flipperkast blijven spelen. Toen een ‘zware gast’ uit Evergem al een beetje te lang stond te wachten om ook eens te kunnen spelen, kwam het hoge woord er plots uit. “Nu is het aan mij, kleine Chinees”, klonk het. “Ik was kwaad, hé”, zegt Khoi. “Ik wou vechten.” Alweer een lachje. Maar aan de toog zaten een drietal ‘zware jongens’ uit Sleidinge, zegt hij. “Krapullekes”, grinnikt Khoi deugnieterig. “Zo van die mannen met gescheurde jeansvesten en lederen broeken.” Ze namen het meteen voor Khoï op. “Is er een probleem, Khoi?” En enkele minuten later mocht de jongen uit Evergem de kermis verlaten. Niet meer gezien die zaterdag. Khoï: “Ook door die ‘zware mannen’ werd ik gerespecteerd en beschermd in Sleidinge.”

Johan Martens, altijd daar

“Met wat ik geleerd heb ik in Vlaanderen, wil ik ook iets terug geven aan mensen die het nodig hebben. Zeker nu ik het zeer goed doe hier in Australië. Vandaar mijn steun aan het Vietnamese St.-Francis Shelter in Dong Nai. Mensen die in nood zijn, wil ik helpen. Dat is één van die dingen die ik in Vlaanderen geleerd heb. Daar heb ik mijn vorming gekregen.”

Met enkele personen in Sleidinge zoals jeugdvriend Gino Pisonier houdt Khoï nog vaak contact. Toch is er één Sleidingenaar met wie Khoï een heel bijzondere band heeft: Johan Martens. Hij is peter van één van zijn kinderen. “Ik heb met Johan altijd contact gehouden. Dat is ontstaan in de Chiro. Zoals ik me kan herinneren was hij leider of zo. Ik herinner me het kamp in Opbrakel en een paar plaatsen die ik nu vergeten ben.

Zo heb ik hem leren kennen en hij heeft me geholpen in tijden dat ik het heel moeilijk had. Ik had psychologische problemen. En hij is op dat moment als een broer en een vaderfiguur voor mij geweest. Ik heb heel veel goede herinneringen met hem en Johan is mij altijd in al die jaren blijven bezoeken, heeft mij door dik en dun gesteund. Hij was altijd bereikbaar. Eén telefoontje en hij was er. Ik kon altijd bij hem aankloppen. Elk uur van de dag, elke dag van de week. Dat vertaalt ook de mentaliteit van de mensen van Sleidinge tegenover mij, vind ik. Ik ondervond dat ook bij de andere Chiroleiders, de pastoors die kwamen en gingen, de school, de jeugd… Ik vond het belangrijk om contact te houden omdat deze periode mij gevormd heeft. Dat heeft mij gemaakt zoals ik nu ben. Ik ben er trots op ook een Vlaming te zijn. Ik wil daar wel iets over vertellen. Tijdens een vakantie aan zee in Knokke-Heist had ik met een vriend contact met enkele meisjes. En op een bepaald moment kafferde dat meisje mij uit en ze zei dat ik ‘een Vlaamse boer’ was. Voor de meeste Vlamingen is dat een verwijt. Ik vond dat het mooiste compliment dat ik in Vlaanderen kon krijgen. Ik behoorde voor het eerst echt tot die maatschappij. Ik bekijk dat niet als een scheldwoord of een vernedering, maar een erkenning dat ik een Vlaming ben. En dat ik een boer ben!” Hij lacht heel spontaan. “Of ik het nu wil of niet, mijn mentaliteit is Vlaams.”

Wij Vlamingen zijn geen racisten

De vraag op mijn vragenlijst die hij helemaal naar achteren heeft geschoven, is de vraag over de ‘boat people’ die nu in Europa de Middellandse Zee trachten over te steken en waar ook heel veel mensen en kinderen bij omkomen, bijna 40 jaar na Vietnam. En wat hij daar bij voelt. “Mensen die in een oorlog leven in Syrië, in Irak, Iran. Ik was de eerste Vietnamees in de geschiedenis van Sleidinge maar waarom? Je wilt echt je land niet verlaten. Je wilt niet weg gaan bij je familie of weg van je geboorteplaats. Niemand wilt dat. Jullie zouden ook niet weg gaan, mocht je daar niet toe geforceerd worden in een uitzichtloze situatie. Hoe arm of rijk ook. In 5.000 jaar zijn er nog nooit massaal Syriërs naar België gekomen. Ze komen niet voor hun plezier.”

Khoï gaat daar in het derde geluidsfragment vrij gedetailleerd en lang op in. Het komt er ook hier op neer dat hij de mening van de meeste Vlamingen deelt dat gastvrijheid belangrijk is maar dat wie gast is, zich ook moet schikken en aanpassen naar het land waar hij terecht komt. “Ik mag dat zeggen: wij Vlamingen zijn geen racisten. Integendeel, we zijn heel open en vriendelijke mensen. Maar regels en gewoonten moeten niet opgegeven worden voor wie naar Vlaanderen emigreert.” Ook op dat vlak klinkt Khoï heel resoluut. En hij weet waarover hij spreekt.

Nog vragen?

Blijf ik toch met één belangrijke vraag zitten. Is zijn missie nu geslaagd? Heeft hij zijn mama, papa, broers en zussen allemaal kunnen verzamelen? Ik besluit hem via Facebook Messenger nog eens te contacteren. Zeven uur tijdsverschil, maar ik krijg al gauw een antwoord. Zijn woorden klinken als een gedicht:

In eerste instantie weet ik niet wat te doen met jouw vragen …. Alle beelden en verhalen en emoties komen op in mij…. zoals een tsunamigolf

Zo hoog vanuit zijn dominante positie, met al zijn almachtige kracht… Klaar om mij op te slorpen

Voelde mij zo klein en kwetsbaar…‘In mijn bare voeten’ stond ik op het strand  en keek op

Dààr, de immense golf van herinnering en gevoelens… Zonder vrees en twijfels dat ik zal opgeslorpt worden

Wervelende emoties, met een glimlach en een opgeheven hoofd

Met open armen ontvang ik de enorme kracht

Khoï Vo, Perth, 20 januari 2u35 ’s morgens Belgische tijd

En hij voegt er aan toe: “Want ik weet dat Gino en jij naast mij staan. Bedankt moat….” Ja, en nu moet ik even slikken, terwijl ik het schrijf. Ik stel mijn vraag enkele uren later als ik zijn bericht gevonden heb op Facebook, want ik wil het weten. Hoe zit het nu eigenlijk met de missie van Khoï Vo? En ik krijg meteen een nieuw geluidsfragment toegestuurd, bijna live opgenomen aan de andere kant van de wereld. Krappe timing, dat wel: net voor mijn werk ’s morgens bij mij, al een goed stuk in de namiddag bij hem ginder bij onze tegenvoeters. Winter bij mij. Zomer bij hem.

Concentratiekamp

“Mijn vader is uit het concentratiekamp gekomen ongeveer in 1988. In 1993 is hij naar Amerika geëmigreerd. Mijn vader is overleden ongeveer tien jaar geleden, in 2005. Mijn moeder is overleden in 2010. Mijn moeder heeft eigenlijk alles meegemaakt. Zij heeft alle kinderen kunnen ontmoeten. Wij hebben acht broers en zussen die geëmigreerd zijn naar Australië. Twee broers wonen in Amerika en wij hebben ook nog familie in Vietnam. De reünie was uiteindelijk niet in Amerika maar in Australië. Wat heb ik gedaan? Met mijn bedrijf kon ik mijn ouders, mijn broers en zussen allemaal laten overbrengen naar Australië. Mijn moeder heeft hier ongeveer vier à vijf jaar gewoond. Mijn moeder heeft eigenlijk het geluk gehad om de eerste keer in haar leven te kunnen zien dat wij het allemaal goed doen, in onze zaken, in onze gezinnen. Op dat moment had ik ongeveer dertig bedrijven in handen. Ik heb voor haar kunnen zorgen, een huis kunnen kopen voor haar, al haar vrienden kunnen laten bezoeken in Vietnam en eigenlijk is de droom de waarheid geworden voor mijn moeder. Het is wel spijtig voor mijn vader dat hij te vroeg overleden is om dit mee te maken. Al zijn beste jaren heeft hij eigenlijk in het concentratiekamp achtergelaten. Toen hij thuis kwam was hij fel vermagerd. Een gebroken hart. Een gebroken rug. Totaal getraumatiseerd. Hij heeft nog jaren geleefd in Amerika. Maar hij was heel mager en ziek. Om het uit te leggen: mijn vader is in 1975 in het concentratiekamp gestoken en ongeveer twaalf jaar later in 1987 is hij vrijgelaten. In 1988 is hij thuis gekomen na een tocht te voet van meer dan 3.000 km. Niemand wist dat hij vrijgelaten was. Toen hij thuis kwam, vond hij niets anders dan vier muren. En de kinderen waren allemaal weg. In 1993 is hij naar Amerika gegaan. En er in 2005 overleden. Ik ben zelf geëmigreerd naar Australië (na een periode in Amerika) in 2000. In 2006 is mijn moeder overgekomen naar Australië en heeft ze hier dus nog vier jaar geleefd.”

Kreeft, garnalen en champagne

Op de achtergrond horen we zijn baby huilen. Khoi verontschuldigt zich daarvoor.

“Mijn enige troost is dat mijn moeder wel nog heeft meegemaakt dat wij hier elke zondag samen komen en op restaurant gaan met de familie en dat wij ook op deze manier de hele familie hebben samen gebracht. Mijn moeder heeft met eigen ogen kunnen zien dat wij ons eigen huis konden kopen, dat wij een familie en kinderen hebben. Ik ben getrouwd in 2001, een jaar nadat ik in Australië kwam wonen. We hebben vier kinderen. Toen ik hier in 2000 arriveerde, had ik niks. Alleen twee handen om mee te werken. En dat is sindsdien heel goed gegaan. Mijn broers Mien en Ahn doen het ook heel goed. Mien (die ook een tijdje op Sleinse schoolbanken zat) heeft ook drie bedrijven in Australië. Andere broers en zussen zijn ook zelfstandigen geworden en zij stellen het goed. En als wij dan op restaurant kreeft, garnalen en champagne bestelden, dan was mijn moeder daar toch een beetje ongerust over. Zij wilde niet dat wij te verkwistend met onze centen omgingen. Maar we hebben uiteindelijk toch iedereen samen gekregen, wat mijn levensopdracht was. Ze heeft die dag ook ten volle genoten van het eten en het drinken. Zes maanden na de reünie is ze overleden. Ik weet niet of ze te vroeg gegaan is. Of heeft ze zo lang gewacht tot ze zeker wist dat alles met ons in orde was? In ieder geval hebben we onze moeder trots gemaakt.”

Woesten heeft er ook een liedje over gemaakt, maar er bestaat nog geen deftige opname van. Hier de tekst:

Jongen op de koer

Midden op een speelplaats op een dag in mei
Wij allen nieuwsgierig, het middelpunt is hij
Van een andere wereld op de maan geland
Van mijlenver en moegestreden op de school gestrand

De jongen op de koer, hij speelt het spel wel mee
Maar ergens in die hersenen, weerklinkt een verre zee

Op de kermis aan de flipperkast
Man zonder geduld, een rotvervelende kwast
Er vielen woorden ze waren hard en kil
Jongen op de speelplaats slikte kwaad maar stil

De jongen op de koer, hij speelt het spel wel mee
Maar ergens in die hersenen, weerklinkt een verre zee

Dit interview werd geschreven in 2016 toen we ook een benefiet organiseerden voor een goed doel dat Khoï in Vietnam ondersteunt. Het staat ook op Sleins Archief, waar je de geluidsfragmenten kunt beluisteren. Het blijft een verhaal dat we moeten blijven vertellen, hoe diepmenselijk de verhalen van mensen op de vlucht zijn. Met dank aan mijn klasgenoten Khoï Vo, Gino Pisonier en Marc Speeckaert, maar ook aan onze mede-organisatoren van Rock4Khoi 2016, nl. Ronny Schauwvliege en Joris De Wildeman. En aan alle medewerkers en muzikanten.

Opgedragen aan Jenny en Roger, en het hele gezin De Wever. Omdat ze zo moedig waren deze jongen een thuis te bezorgen, ondanks alles. Hem kennen was een grote eer voor ons, zijn medeleerlingen. Ter nagedachtenis van Roger De Wever die in januari 2021 overleden is.

In dit lied ‘Palm van haar hand’ zingt Nadiya Mehdizadeh mee. Ook zij kwam met de boot naar België. Uit Iran.

Interview met Joris De Wildeman van The Shakers uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Joris De Wildeman (The Shakers): “Goesting is het toverwoord”

Het predikaat ‘Wereldberoemd in Gent’ is uitgevonden voor The Shakers, rockabilly uit Sleidinge. Ondertussen wellicht honderd jaar bezig, vast meubilair op de Gentse Feesten en nog altijd vol enthousiasme. Er zijn ondertussen al dertig muzikanten die zich officieel gedurende de geschiedenis ‘Shaker’ mogen noemen. Alleen bassist Carlos Meiresonne en frontman Joris De Wildeman overleefden elke bezettingswijziging. En laat Joris De Wildeman nu één van mijn lokale helden zijn. Streekgeschiedenis pur sang. In zijn torenhuis in de Sleidingse Weststraat tracht Joris me elk detail van de Shakersgeschiedenis aan de hand van archiefmateriaal diets te maken. Maar daarvoor ben ik niet gekomen. Ik zoek de weg naar zijn hart. Ik zeg het hem ook. Joris wordt er zelfs even stil van en dat ben ik van de brave man niet gewoon. Joris is doorgaans één vat energie. We slurpen gezellig wat koffie.

Theater

Hier, op deze benedenverdieping, gingen in een vorig leven toneelrepetities door. Joris is in dit huis grootgebracht. Cultuur werd er met de paplepel ingegoten ten huize Wildeman. “Er waren inderdaad wel wat voortekenen”, moet Joris toegeven. “De familie De Wildeman mag zich een theaterfamilie noemen. En langs moeders kant klopt het muzikale hart. De fanfare zit in mijn genen. Wat je noemt een ‘cultureel midden’. Het stond dan ook in de sterren geschreven dat ik rock ’n roller zou gaan worden, want laat rock’n roll zich nu op de dunne koord tussen muziek en theater bewegen.” Als veertienjarige ging de piepjonge Joris op kamp naar Melchtal in Zwitserland met de Christelijke Mutualiteiten. Eén van die vele honderdduizenden jonge Vlamingen die zo het eerst de bergen leerden kennen. “Precies op dat kamp heb ik een prijs gewonnen met mijn a capellaversie van ‘Mijnheer de president’, een nummer van Boudewijn De Groot. In 1967.” Schuchter lachje. “Toen ik 16 jaar was, sprong ik bij in het secretariaat van de fanclub van de progressieve rockgroep The Invocation. Ik mocht een beetje meehelpen met hun manager Tony Van Parys.” De oud-minister? Joris knikt. Mijn klomp breekt. En even hoor ik het donderen in Keulen want de laatste naam die ik in een boek over rock’n roll verwacht is Tony Van Parys, eerlijk gezegd. “The Invocation was super. Gevormd rond Sleidingenaar Marc Bracke en met Boudewijn Creëlle, Walter Meirsschaut, Guido Martens en Frank De Bock. Hun sound neigde naar Cream en Deep Purple. Ze speelden nog in het voorprogramma van The Cats en Wallace Collection”

The Climax

En Joris zou Joris niet zijn, wou hij niet zelf op de planken springen om zich volledig te geven. “Wel, die frank is toch vrij laat gevallen”, vertelt Joris. “In 1976 doen we met enkele Sleidingse Chiroleiders mee aan een soort Canzonissima. Deze wedstrijd werd georganiseerd in het Jeugdhuis van Sleidinge, dat toen op volle toeren draaide. Wij wilden een soort parodie brengen, tussen smartlap en rock’n roll. We lieten ons inspireren door het Luk Tegenbos Ensemble en door Vuile Mong & De Vieze Gasten. The Climax heette dat gelegenheidsgroepje, naar The Climax Blues Band die we nog hadden bezig gezien op Jazz Bilzen. The Climax dat was ik, Paul Verstraeten, John Van Leeuwen, Ivan Candaele en Fred Candaele.” Paul Verstraeten is me bekend. Broer van Cats in the Attic-drummer Jan Verstraeten. Paul heeft later vele jaren samengespeeld met zijn andere broer Ignace Verstraeten en Marc Bracke bij Irish Taxi en AB Nono. Jan heeft als drummer heel veel opgestoken van Ignace destijds. En Ignace is ook één van die 30 muzikanten die zich ‘Shaker’ hebben mogen noemen. De wereld is klein? En Joris gaat onverschrokken verder met zijn verhaal. “We hadden alles nogal theatraal verpakt. Er werd dwarsfluit gespeeld, melodica op een stofzuiger en zo van die gekke dingen. De teksten waren lichtjes geflipt. Maar we hebben het helaas niet lang uitgehouden. Ik wou dat theatrale en geflipte verder uitdiepen. De andere jongens wilden eerder het serieuze werk, wat dan tot eerst ’t Klokhuis, dan Irish Taxi en later AB Nono heeft geleid.”

‘t Saluutjen

We komen in de buurt van de stichting van The Shakers. “In die dagen had je ook een band Eclips in Sleidinge. In 1979 organiseert het Jeugdhuis een avond met de naam ‘Driemaster kiest Rocksop’. Op de affiche staat Eclips, ’t Klokhuis en een éénmalige reünie van The Climax. Eclips lag toen al op apegapen. En toen hebben we het idee opgevat om ruige rockabilly rock te gaan spelen. Een half jaar voor de doorbraaksingle ‘Crazy little thing called love’ van The Stray Cats en ook een hele tijd voor onze Gentse collega’s The Mudgang. Er hing iets in de lucht zeker? Het is mijn vrouw Mie die de naam The Shakers heeft bedacht. Onze bezetting: ikzelf, Carlos Meiresonne, Stefan Lybaert, Henk Ottoy en Philip Causyn. Het was het jaar dat ik trouwde. Ik was 26 jaar. Lut Maes heeft onze kostuums gemaakt. En het was echt bedoeld als ‘pastiche’, met een vette knipoog naar de fifties en de vetkuiven. Wisten wij veel dat dit ooit nog eens opnieuw ‘hip’ zou worden. Het was in volle punkperiode. Onze aanvankelijke parodie is na al die jaren ‘serious business’ geworden. Het parodiërende is verdwenen en nu kiezen we resoluut voor de echte ambiance rock’n soul van tussen ’60 en ’80.” The Shakers speelden hun eerste optreden in ’t Saluutjen in Assenede. En de rest is geschiedenis.

Chuck Berry en Carl Perkins

We surfen even door de indianenverhalen van The Shakers. “We hebben eigenlijk al meteen enkele hoogtepunten op ons conto geschreven”, vertelt Joris. “We deden het voorprogramma van Carl Perkins en van Chuck Berry. Toch twee grootheden in ons genre. Chuck Berry was onbereikbaar tijdens zijn optreden in Aalst. Hij zat verschanst in zijn kleedkamer. Maar ik ben er toch in geslaagd zijn pad te kruisen en een fotograaf heeft dat beeld geregistreerd. Ik ben daar wel fier op. Naar verluidt, had hij op dat moment zijn gage van één miljoen frank op zak. Maar ik ga cru zijn. Zijn optreden zelf was niet zo goed. Zijn gitaar viel uit zijn handen.” Luide lach. “Carl Perkins, dat was dan weer in Aalter, in de brandweerkazerne. Hij zat dan weer in een VIP-bus alleen. Ook hem zijn we gaan opzoeken. Maar veel zeggen die mannen niet, hoor.” Een ander avontuur was dat van de single in Rotterdam. Joris is beduveld om de videobeelden te tonen die daarover nog bestaan. “We hadden ons net versterkt met toetsenist Luc Geerinckx”, vertelt Joris. “Ik denk dat de kracht van The Shakers er uit bestaat om met de regelmaat van de klok een groot project aan te vatten om het allemaal een beetje boeiend te houden. De single met A-kant Barockin‘ en B-kant Drop me a line was zo’n eerste project. Daarna volgden het tienjarig bestaan in ’t Saluutjen, de elpee Live at Home I en de CD’s Live at Home II en Live at Home III.” Ondertussen verzamelden The Shakers ook hun gehele geschiedenis bij elkaar, helemaal in de filosofie van Joris. “Ik gooi niets weg. Ik probeer zoveel mogelijk over Sleidinge en dus ook over The Shakers bij te houden voor het nageslacht.”

Kosovo

“De meest memorabele momenten waren onze uitstappen naar het buitenland. Zo traden we op in Oostenrijk in een skihotel. En in Hongarije speelden we twee keer. De eerste keer op uitnodiging van een Sleidingenaar die er woonde.” Mijn kozijn Hendrik. “Een tweede keer bij de toetreding van Hongarije tot de Euro. Een memorabel concert voor vele duizenden mensen. En wat me nog het meeste bijgebleven is: onze reis naar Kosovo om op te treden voor de Belgische troepen daar. Hallucinant was die tocht. Eerst met de C-130 naar Pristina. En dan door bezettingsgebied, in konvooi. We waren door omstandigheden een stuk te laat. En die soldaten waren echt vol ongeduld op ons aan het wachten. We hebben het dak van die hangar gespeeld. Waanzin.”
Joris kijkt tevreden terug. “The Shakers is een pad vol hoogtepunten, vind ik zelf. Eén keer werden we in ons hart getroffen. Toen onze toenmalige toetsenist Raf Meire bij een ongeluk met een privé-vliegtuig om het leven kwam. Nota bene knal voor ons 25-jarig bestaan. Toen is er dagenlang gehuild. Ik wist echt niet meer waar in of waar uit. Raf was een viertal jaar bij ons en één van mijn grote muzikale jeugdhelden. Hij had nog bij Pentopus gespeeld, zo’n groep uit de streek waar ik echt naar opkeek. Een klassekerel. We hebben heel hard getwijfeld of we ons feestconcert in Cultuurcentrum Stroming dan wel moesten laten doorgaan. Uiteindelijk hebben we er één grote tribute aan Raf van gemaakt. Maar zijn dood was wel een dieptepunt. Het enige dieptepunt van The Shakers, wat mij betreft. Zwaar om te verwerken.”

De Fieste

The Shakers zijn voor eeuwig en drie dagen verbonden aan de Gentse Feesten. “In 1983 speelden we er voor de eerste keer, op de Hooiaard. Toen één van de kleinere pleinen van de Feesten. Sindsdien hebben we geen editie meer overgeslagen. Ik werkte voor De Gentenaar en dat bracht natuurlijk mee dat ‘de Fieste’ mijn biotoop werden en en gebleven zijn. Maar we hebben het niet meer moeten vragen. Sindsdien hebben we alle podia gedaan: groot podium Sint-Jacobs, Korenmarkt, rocktent Sint-Jacobs, Groentenmarkt, noem maar op. We behoorden jarenlang tot het gild van Gentse groepen die bij wijze van spreken een abonnement hadden op de Gentse Feesten: Gorky, Zep Zupiler & De Ziboelateurs, The Vipers. Pas op, Gent heeft een kritisch publiek. Maar blijkbaar werden we wel gesmaakt. En Gentse Feesten, dat is echt rock’n roll. Ooit stonden we in de grote tent op Sint-Jacobs geboekt om vier uur ’s morgens. Op dinsdagmorgen. Bomvolle tent, meer dan duizend kijklustigen nog.” Dag van de lege portemonees. “Om zeven uur, bij klaarlichte dag, stond het publiek nog te schreeuwen om meer. Dat heeft dan wel geleid tot een akkefietje met de geluidsman voor wie het na tien dagen Gentse Feesten wel even genoeg was. Hij ging werkelijk uit zijn dak van woede. Als onze drummer Stefan Lehoucq deze anekdote vertelt, moet je onder de grond van het lachen.” Spinal tap. “Maar op zich is het ongelofelijk dat je zoiets kunt meemaken. Daarvoor doe je het toch? Goesting is het toverwoord. Zolang er goesting is, doe ik voort.”

Naschrift: ter nagedachtenis. Joris overleed in 2017 en liet een grote creatieve leemte na. Veel projecten die nu nog uit de grond rijzen, dragen zijn stempel of werden ooit door hem geïnitieerd. Wij missen hem.

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredactie Pablo Smet)

Nadenken over de zee en zomaar

“God moet zijn getal hebben”

Ik zag in het krekendorp Bentille een priester van voor het Vaticaans Concilie met lange jurk de deur openen van de pastorij en ik dacht meteen aan de gevleugelde woorden ‘God moet zijn getal hebben’. Ik kwam van de zee waar ik was gaan nadenken. Via de Sluissedijk in Zuidzande langs de molen zo naar Terhofstede en Retranchement. Deze weg is me al toevertrouwd als kind en ik mocht meegroeien met de decennia oude knotwilgen onder de baan waar de steenuil, spechten en andere koekoeksjongeren hun thuis in gevonden hebben. Zeg me nu niet dat de koekoek niets met knotwilgen heeft, want ik heb zelf niets met vogels. Dat lost veel op. Weet je, eigenlijk kunnen alle dieren van het dierenrijk me gestolen worden. Ik moest gewoon even uitwaaien en nadenken over hoe een wereld zonder Vaticaans Concilie in de jaren ’60 er wel had uitgezien. Niet veel anders, vermoed ik. Meer of minder kerncentrales? Antonio Vivaldi of Sergej Prokovjev? Geen idee. Het boeit me niet. Après nous les mouches.

Leuk zeehondje

U voelt het, ik ben een beetje boos en dat heeft waarschijnlijk alles te maken met het feit dat ik op strand Het Zwin ergens wel verwacht had dat een leuk zeehondje me tegemoet zou komen waggelen maar die modderfokkers zijn gewoon in de zee gebleven. Terwijl ik weet dat ze er zitten. In Koksijde stond ik ooit oog in oog met de meest sympathieke zeerob op Aarde. Nauwelijks op 20 meter stond de zeehond me aan te staren, zonder schrik. De Baywatch-dude keek zelfs niet op. “Zeehonden, mijn jongen, dat is hier dagelijkse kost.” In ‘t Retranchement hebben die beesten nog wel wat te leren. Ik leerde na het Koksijde-voorval dat zeehondjes niet zo onschuldig zijn. Ze zouden aardig doorbijten, naar verluidt. En dat terwijl ze op TV zo schattig zijn.

De kraanvogel vliegt over het land

Ik komt thuis en ik hoor dat de Rode Ibis geland is in Tessenderlo. Volgens mijn Evergemse vriend Rik De Kezel, met z, vliegen grote horden trekkende kraanvogels nu boven ons land. Wonderlijk! Zelf zag ik aan zee heel veel V-formaties door de hemel trekken en ik moest meteen aan Rik en zijn kraanvogels denken. Wellicht waren het gewoon domme ganzen. Ondertussen interludium van Rik De Kezel hemzelve: “Ik wil hier graag ook nog de purperkoet vermelden, een miskende standvogel van het Iberische schiereiland, die onlangs nog werd gespot in Zoutleeuw.”  Zelf droom ik liever weg bij de boten die er de Westerschelde aan en af varen. Ik heb in Europa wel al aan wat kustplaatsjes vertoefd en wat je in Retranchement ervaart, zie je nergens: de ene oceaanreus na de andere, in beide richtingen, af en aan. Dat moet een mens gelukkig stemmen, want dat impliceert handel. Beweging op het water is varende welvaart.

Inflatie

Het is waar dat de energieprijzen stijgen, er is inflatie en maak me niets wijs, daar zitten mechanismen achter maar ook de knagende onzekerheid bij de mensen is een vicieuze cirkel nefast voor onze economie. Ik ben dan liever die boze optimist die denkt dat het eigenlijk altijd al zo geweest is. Dat het wel goed komt en zo. Ik was een klein kindje tijdens de jaren ’70 van de vorige eeuw en ik herinner me nog levendig de kennismaking met het woord ‘crisis’ en de zondagen dat mijn papa niet met zijn splinternieuwe Peugeot mocht rondtuffen om energie te sparen. Eigenlijk was ik toen best een gelukkig bazeke. Ik mag hopen dat er nu ook veel bazekes zijn, die nog met wat levensmoed en leute in het leven staan. Dat hebben die zeehonden natuurlijk voor op de mensen. Dat blijft onder water wanneer het goesting heeft en dat gaat op het strand gaan liggen wanneer er wat weinig vis passeert die dag. Wat een leven. Wat een strijd.

Interview met Luc De Vos uit 2012, Rock ‘n’ roll Niemandsland

Luc De Vos: “Je moet niet verkalmen, je moet ver’woesten’.”

Ter nagedachtenis…

Op zondag 17 juni 2012 krijgt Cirque Constance 17 bands op zes podia om de N9 te ondersteunen. 4N9. Vzw Driewerf Hoera is bijna vzw Driewerf Bye Bye. Ik weet niet of die actie 4N9 daarbij geholpen heeft, maar de N9 kreeg uiteindelijk toch zijn subsidies een week later. Wij spelen in De Blauwe Maan in Kaprijke. Ik stuur bijna achteloos een mailtje naar Luc De Vos om eens, for old times’ sake, te komen kijken. Daar zit hij dan aan de toog. Met een koffietje. Ik zo fier als een gieter. Hij, met uitgestreken gezicht: “Bart, je hebt me toch een beetje teleurgesteld. Je lag pas na het derde nummer op de grond te krawietelen. Je moet niet verkalmen, maar nog verwoesten.” Ik straal. Die woensdag gaan Dominiek en ik bij hem thuis in Gent voor het interview en de fotosessie. De afspraak was al gemaakt. Maar het kon al niet meer stuk.

De hippies

“Kom binnen, jongens. Het is Bart zeker?” Ja, en dit is Dominiek de fotograaf. We starten het interview in de keuken, maar zoon Bruno en het buurvriendje zetten net de speelkamer op stelten en we voelen ons verplicht de rust van het stadstuintje op te zoeken. “Man, die klootzakken maken nogal lawaai”, klinkt het. Een lach op zijn gezicht. Vos is in vorm. Laat dat duidelijk zijn. We gaan meteen op zoek naar het moment dat hij wist dat muziek en performen centraal zou staan in zijn leven. “Niet de eerste keer dat ik die vraag krijg. Maar dat was wel al heel vroeg. In mijn kleutertijd. 1969.” Topjaar. Voor de wijn. En ook de kinderen die toen geboren werden, kunnen er mee door. “Je kent het wel. Die eerste zwart-wit televisie. Ik stond daar als heel klein kind verbouwereerd naar te staren. Naar die hippies. En die popmuzikanten. Ik, de vijfjarige kleuter, met mijn plastieken kamionnetje in de hand.” Zoals hij het vertelt, lijkt het wel een liedje van Gorki.

Veronica komt naar je toe

“Ik vond dat zo ‘wijs’. De hele lagere school lang keek ik naar Toppop en Radio Veronica. Dit lijkt wel de middeleeuwen zeker? Ik word er vijftig dit jaar. Neen, serieus, ik wist toen al dat ik ook zoiets wou doen. Ik zocht maten om een groep mee te starten. Ik wou popmuzikant worden en op achttienjarige leeftijd speelde ik al in een band. Illusieloos, hoor. Ik had toen niet het idee om ermee door te breken. Dat heeft toen nog tien jaar geduurd. Maar ik meende het wel. Ik speelde heel veel op mijn gitaar. ‘Tsjinke Tsjanken’ zoals ze dat in Wippelgem zeggen. Ik was mijn skills aan het ontwikkelen. Alle respect voor de duizenden die ook ooit in een band speelden en niet doorbraken. Maar ik wilde het zo hard, dat het ook gelukt is. Ik was overtuigd van mezelf. Toen al.”

Die laatste dans

Wat is er dan zo belangrijk bij het ontwikkelen van talent? “Een vraag die me nog niet is gesteld.” Glimlach. “Het graag doen. Hard werken. Al is dat bijna hetzelfde. Als je iets graag doet, doe je het veel en werk je dus hard. Luisteren en lezen is ook belangrijk. Ik heb een heel brede culturele belangstelling. Altijd veel platen gekocht. Ik ben een fan van de radio. Ik luister naar Stubru, maar ook naar Klara. En hier in Gent vaak naar UrGent, radiozender voor Gentse studenten. Heerlijke muziek draaien die. Ik laat me onbewust beïnvloeden. En ik zuig op als een spons. Ik ga veel gaan wandelen. Veel gaan bekijken. Groepjes, kunstenaars. Het interesseert me allemaal. En ik erger me ook niet te veel. Dat is misschien wel een belangrijk geheim. Ik kan naar Willy Sommers luisteren en het machtig vinden .” Anja, die laatste dans moet je mij nog schenken. “Precies, onze eerste single verwijst naar de zangeres Anja die in 1968 nog een hit had met ‘Die laatste dans moet je mij nog schenken’.” Hij begint de sixties hit voor te zingen. “Een typisch voorbeeld van beïnvloeding in mijn werk”, klinkt het.

De kleine Gentse podia

We schakelen over naar de wonderjaren. “De kleine Gentse podia en de jeugdhuizen rond Gent zijn voor mij een belangrijke leerschool geweest. De Houla Balou, The Cover, Frontline, noem maar op. Het was ook de periode van de Zes Van Gent. Als je twee man en een paardenkop kunt ‘onderhouden’, dan kan je het met vijfhonderd man ook. ‘Onderhouden’. Entertainment. Het Engels heeft daar een schitterende term voor. Als je dan zo’n zaaltje in Ertvelde of Waarschoot wilt inpakken, dan moet je voor ambiance zorgen en fantastische liedjes spelen. Dat is het geheim. Iemand die doet wat ik doe, is een aandachtsjunk. Sowieso. Je schrijft voor 50% een nummer voor jezelf. Die andere 50% is communicatie.” Hou van me? “Precies.” Met de Zes Van Gent staat een generatie muzikanten op in Gent. Een scene. “Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig. In Gent was er niks. De eerste optredens in de Vooruit dateren van 1982. Je had wel Chirofuiven. Maar dat was huilen met de pet op. Vanaf eind de jaren tachtig kwam daar verandering in. En nu zitten we met onze muzikanten overal ter wereld. Netsky en Gotye die maken nummers op hun slaapkamer en veroveren de hele aardbol. Er is veel veranderd, hoor. En met de Zes Van Gent waren wij een beetje de eerste generatie die de Gentse motor in gang heeft gezet.” De Zes Van Gent waren Les Charmeurs (uit Evergem-Belzele), Gorky (nog met ypsilon), The Pink Flowers (met Bruno De Neckere), The Laroids (met Armand Bourgougnie), De Candy Dates en De Vrienden van Lieven Tavernier (rond Koen Wostyn).

Mia

Is Mia nu het beste nummer dat hij ooit schreef? “Ik heb ondertussen zo’n 200 nummers opgenomen. Die liedjes zijn mijn kinderen. Soms denk ik wel eens dat ik enkele van die nummers eens opnieuw moet opnemen en een andere wending geven. Ik heb soms het gevoel van een gemiste kans. Maar als ik heel eerlijk ben, is het beste nummer voor mij datgene wat ik laatst op plaat bracht. De nieuwe nummers doe ik het liefste. Een nummer tot stand brengen, is een heel aangenaam gevoel. Dat komt ook niet op één, twee, drie. Dat groeit tijdens repetities en als het ‘af’ is, ben ik er ook verliefd op. Het liedje ‘Mia’ is een eigen leven gaan leiden. Dat was onvoorspelbaar. We namen het op maar het was geen single. Tijdens de eerste concertreeks waar we het nummer speelden, werd het wel woordelijk meegezongen. Dan voel je dat zo’n nummer toch is blijven plakken bij de mensen. Toen me in 1995 gemeld werd dat er een nummer van ons in de Top 100 Aller Tijden stond, dacht ik aan ‘Lieve Kleine Piranha’. Het bleek Mia te zijn. Fans gaven hun topdrie door aan Studio Brussel met op één het nummer One van Metallica, met het nummer Suds ’n Soda van dEUS en met Mia van ons. Dat vond ik te gek voor woorden. Zo’n zacht nummer tussen harde rock. Heel eigenaardig was dat.”

De perfecte popsong

“Ik heb deze week nog een discussie gehad met mijn vrouw Sandra over wat je nu een perfecte popsong is”, vertelt Luc. “Ik zal een voorbeeld geven: ‘Time tot pretend’ van MGMT. Dat is voor mij de perfecte popsong. Dat zit leuk in elkaar. De tekst doet er niet doe. Maar je voelt vreugde en humor. En het nummer start met een catchy lijn. Een ‘hook’ zoals wij dat noemen. Da’s de perfecte popsong. ‘Penny Lane’. Of ‘Daydream Believer’. The Monkees. Machtig. Het moet ook altijd een heel zomers gevoel geven. Een gevoel waar je beter van wordt.”

Vos ken ik al lang. Ik was getuige van ‘zijn’ Rockrallyfinale in 1990. Op het einde van de set gooide hij zijn gitaar hoog in de lucht en kon ze pas ternauwernood redden van de ondergang. Toen wist ik dat hij een hele grote zou worden. Luc De Vos en Wippelgem. Hij heeft een tweeledige relatie met de streek waar hij opgroeide. Hij doet er vaak lacherig over. Maar hij kan ook zo ontroerend lyrisch zijn. “Ik ben geboren in Gent. Opgegroeid in Wippelgem. Op mijn twaalfde naar Gent op internaat gegaan. En eigenlijk nooit meer de stad losgelaten. Maar ik ben een jongen van een kanaaldorp. Wippelgem, een dorp zoals Ertvelde, Rieme, Langerbrugge, Doornzele.” Het wordt stil. “Iedereen in mijn klas was zoon van een werkmens”, vertelt Luc. “Van de eerste tot de laatste ging zijn brood verdienen een drietal kilometer verder in de grote bedrijven van de haven. Mijn vader ook. Hij werkte bij Sadaci. Zo’n draak van een fabriek op de grens met Evergem. Ben er nooit in geweest. Mijn vader stierf op zijn 59ste. Ik was toen acht jaar. Ik groeide op in een groot katholiek arbeidersgezin. In een zeer beschermde omgeving. Dat heeft me geleerd om in mijn liedjes positieve zaken te belichten. Die achtergrond, Wippelgem, vind je zeker in mijn werk terug.

U2 in Deinze

“Maar diep in mijn hart ben ik een stadsmens. Op mijn twaalf jaar ontnomen aan die toen nog zeer landelijke omgeving. Maar als ik er nu kom, denk ik altijd: ‘den buiten is weg’. Alleen verkavelingen. Nee, voor mij is de stad de oplossing. Ik zie dat Gent vol komt wonen met West-Vlamingen die ‘den buiten’ ontvluchten. Ik juich dat toe. De stad moet groeien.” Je weet nooit wanneer je hem vast hebt. Zijn songs stralen van naïeve positiviteit. Tegelijk doen ze tasten naar het diepste buideltje in je hart. Je hoort weemoed, verdriet maar ook veel bitterzoete humor. En de spons blijft al die invoeden opzuigen. “Ik ben een echte Rockrallyfanaat. Ik volg zowat alle preselecties. Hier ook in Gent doe ik niets liever dan jonge groepjes spotten in de Video of de Kinky Star. Je weet maar nooit of de nieuwe U2 staat op de planken. Of het nieuwe dEUS. Of The Beatles uit Limburg. Een nooit stoppende ontdekkingstocht. Ik heb trouwens U2 als onbekend groepje nog gezien in de Brielpoort in Deinze. De tournee ‘October’. Zulke ontdekkingen, daar doe je het toch voor?”

Terug thuis

Ik kom thuis en vind een mail in mijn box. Cirque Constance. Of ik Pornorama ken? Het vroegere Dr. Pepper Family. Uit Gent, met muzikanten uit Assenede. Ik zoek het gelijk op. Geniaal. Of ik ze ook wil interviewen? Ik zou wel willen, maar Vos is porno genoeg. Het boek nadert zijn einde. Maar inderdaad, zoals Pornorama nu gensters begint de slaan, stond Luc De Vos mee aan de wieg van een Gentse generatie. Een Gentse scene. En ik ben zo blij dat ik het als verre observator mocht meemaken. Ik heb het nieuwe U2 gezien in Gent. Verschillende keren zelfs: Gorki, Arid, Soapstone,The Pink Flowers, Kremlin Cowboys… En nu Pornorama, The Van Jets, Das Pop, … Allemaal kerels met verschrikkelijk veel talent die ik in mijn achtertuin wist beginnen. Maar heel eerlijk, Luc De Vos was toch één van de merkwaardigste van dat legioen merkwaardigen. Dat verandert niet.

Naschrift: ter nagedachtenis. Luc overleed in november 2014 en heel Vlaanderen rouwt nog steeds om dit tragische verlies. Zijn artistieke erfenis is prachtig. Blijf luisteren naar zijn liederen!

(uit het boek ‘Cirque Constance’s Rock ‘n’ roll Niemandsland’, 2012, tekst Bart Van Damme, productie Tim Bottelberghe, artwork Jos Notteboom, fotografie Dominiek Claeys, eindredacti e Pablo Smet)

Nadenken over voetbal, de Racing en de Gantoise

“Hoe een held als Léon ‘Trouet’ Mokuna nog geëerd werd?”

“Great sportmanship”, zegt de edele vader tegen zijn voetballende zoon van Old Ethonians die voor de eerste keer als rijkeluizen amateurteam tegen het professionele arbeidersteam Blackburn, nu The Rovers (?), uit het Noorden van Engeland verloor in de jaren tachtig van ook al weer twee eeuwjaartellingen geleden. Het moet nu de vijfde keer zijn dat ik de volledige serie ‘The English Game’ van Netflix bekijk en ik zit Godverdomme nog steeds met tranen in de ogen de capriolen van sterspeler Suter en zijn tijdgenoten te bekijken. Hoe kun je straffer de vinger op de wonde leggen van mijn eigen textielstreek hier in het Meetjesland? Hoe zeer kun je terugkeren naar het stamnummer 7 en stamnummer 11 van het Belgische voetbal, wetende dat het puur op leeftijd omgekeerd had kunnen zijn want dat ‘De Racing’, zwart en wit, net even ouder is dan ‘Ons Gantoise’, mijn blue white army?

Rugby, soccer, the English Games

Kijkend naar The English Game en mijmerend fier als ik mijn dochter rugby zie spelen met RC Meetjesland aan de sporthal van Eeklo, besef ik nu meer en meer hoeveel ik van voetbal en ‘het spelletje’ hou. Daarom vind ik rugby zo magisch, daarom speel ik zelf nog minivoetbal met The Mini Maple in Ertvelde. “Voetbal, voetbal, viva wit én blèw, voetbal, voetbal, ‘k bènder mee getrèwd”, zongen we toen de Hollanders Koudijzer en even later Schapendonk de koningen van het Ottenstadion waren. Ik herinner me nog mijn eerste bezoek aan het stadion met mijn grootvader, pépé Arsène, tegen Lierse aan de Brusselsesteenweg in Gentbrugge. De jonge Ceulemans stond nog op het plein bij geelzwart voor hij voor jaren naar Bruhhe vertrok, ploegspeler. Aan de betaalhokjes pronkten nog de letters ARAG en wat ben ik blij dat De Witte en Louwagie toch hun huiver voor de Buffalo Mars en de fanfaremuziek hebben laten varen, want hoe kwamen steeds tot op de dag van vandaag de haartjes op mijn arm omhoog toen alle Buffalo’s “Wie èst die op de kop marchee-eert…” begonnen mee te zingen. Het is nog steeds mijn favoriete hymne, boven de Vlaamse Leeuw en de Brabançonne.

Twee kanten aan de brug van Gentbrugge

Ik herinner me ook nog de rit terug, met mijn pépé zijn bruine Ford Taunus, onder de nieuwe en nu reeds afbrokkelende brug van de autostrade en het stadion van dat ‘andere’ Gent waar mijn grootvader over vertelde. Het Gent van de Ratjes waarmee de blauwwitte Gantoise tijdens de jaren ’50 samen in de eerste klasse speelde. Hij vertelde me hoe hij met zijn vrienden met de trein, lijn 52, vanuit station Sleidinge naar ‘Den Derby’ gingen kijken. Hoe Pélé ooit nog met Santos naar Gentbrugge kwam. Hoe een held als Léon ‘Trouet’ Mokuna, Gantoise én Sporting Lissabon, nog geëerd werd door de oudere generatie? En hoe voetbal een feest kon zijn, een feest dat generaties mensen en plekken verbindt. The English Game. Ook in textielstad Gent en omliggende, dat stuk Vlaanderen waar ik mijn hart heb aan verpand. Lyrisch ben ik over de Gantoise. Het is mijn jeugd en ook nu als ik er even bij mag zijn in de Ghelamco ben ik zo blij wanneer de Buffalo-mars weerklinkt en de bakkerszoon-indiaan Ben Bundervoet het veld betreedt. Wat een dynamiek, wat een schone club.

Eer & strijd

Maar ik herinner me ook de supportersclub van ‘De Racing’ op Sint-Jacobs aan de Vlasmarkt, ongeveer waar nu al eeuwenlang de Charlatan regeert. Die zwart-witte kleuren en die roemrijke geschiedenis zoals ook periodekampioen Royale Union en bijvoorbeeld Cercle Brugge die torst. En dan vraag ik me, als Buffalo, af of we in Gent niet de eer moeten bewaren om die tweede club, de oudste van al met stamnummer 11 (hoe mooi is dat niet?), in stand te houden en, ja zelfs, een duw in de rug te geven? Ik weet het, dit heeft niets meer met rock ‘n’ roll te maken. Maar ‘great sportmanship’, The English Game, verbondenheid, fair play, dat is toch alles waar rock ‘n’ roll mee te maken heeft? Ivan? Michel Louwagie? Just saying…

Naschrift: ik vind het raar dat hier nog niemand op gereageerd heeft maar, ik schrok er zelf van, Jan Ceulemans is in 1978 al van Lierse naar Club getrokken. KAA Gent kwam in ’80 maar in eerste klasse terecht. De topspeler die ik in het Ottenstadion zag spelen, zal dus niet de Caje geweest zijn maar Erwin Vandenbergh die nog tot 1982 bij geelzwart bleef voor hij naar die Brusselse deelgemeente vertrok. Datzelfde jaar ’80 speelden  de Rode Duivels de EK-finale. België had toen potentieel de beste voorlijn van Europa met Jan Ceulemans, Erwin Vandenbergh en Swat Van der Elst. Tien jaar later stond Ceulemans nog aan de top. Was Van der Elst na mooie jaren bij West Ham United weg gedeemsterd en zocht Erwin Vandenbergh zijn tweede adem bij ons, de Buffalo’s. Drie prachtige voetballers. Ik weiger dan ook de Caje uit mijn tekst te halen, aan zo’n speler raak je niet.

Een attente Gantoise-supporter liet me nog weten dat het café op Sint-Jacobs met de supportersclub van de Racing, café Tramway heette en ik denk dat dit klopt! Bedankt daarvoor.

Margriet prachtige bloem (deel 2) En dan naar Marche-en-Famenne

“Geen harmonie als het klikken zonder botsen is”

Geen vrede zonder een heel klein beetje oorlog, zingt Meuris al eeuwen. Met Georges en Walter moet Peetjens oogappel Margriet Van Renterghem één van de weinigen geweest zijn die nog van het bestaan van Hilda von Siegesar afwist na de oorlog. Hilda, de onechte dochter van Harald, die uiteindelijk ook zijn erfenis kon claimen, zijn geestelijk erfgoed zowel als zijn centjes. Margriet had nog de wieg geduwd van Arsène Van Damme en heel zeker die van Hilda von Siegesar. Als tiener kon deze jonge madam al eens een knipoog of een centje bijverdienen door eens op de kinderen van buren in de Weststraat te letten. Als jong kind had ze geen idee van de dorpsintrige die schuilging achter de onschuld van een baby in de wieg. Later zouden verhalen mythes en sagen worden en kreeg Margriet als volwassen vrouw lucht van wie Hilda werkelijk was. Dat kind dat toen niet de naam von Siegesar droeg, maar wel de voornaam Hilda. Dat kind ontmoette Margriet op een zomerse dag ergens tijdens de jaren zeventig in Marche-en-Famenne waar houtzagerij Cornelis bossen kocht en waarmee ze als stammoeder en boekhoudster dus rechtstreeks in contact kwam.

Poolse edelman

In een dorpje vlakbij Marche, Heure, had een familie een pied-à-terre om zaken te kunnen doen met de lokale boshandelaars. Monsieur Liégeois regelde er de zaken en regelmatig ter plaatse gaan, bevorderde welvaart en vooruitgang. Het China van toen lag in de Ardennen voor de Vlaamse zakenvrouw. In Marche-en-Famenne was een vrouw het dialect van de familie opgevallen. En in een intiem gesprek tussen nonkels en tantes viel het woord Weststroade waarop Hilda als wildvreemde voorbijganger had ingepikt. Het leidde tot een gesprek over Sleidinge en haar verleden. Over Harald von Siegesar. Over het huis met de toren. En nu wil toeval dat Hilda von Siegesar al enkele jaren getrouwd was met een Poolse edelman en woonde in Rue de Givet in Heure. Recht tegenover de pied-à-terre van de familie Cornelis-Van Renterghem, tussen de dorpjes Netinne en Baillonville. Toeval bestaat niet. Of toch? In ieder geval volgden regelmatig ontmoetingen tussen Margriet en Hilda. Het moeizame opzoekingswerk van Walter Verplaetse om meer over de Von Siegesars te weten, werd daar tijdens gezellige salonontmoetingen teniet gedaan. Margriet Van Renterghem wist alles. Maar niemand zou ooit inzage krijgen in deze geheimen. In Hilda’s zwerftocht door Europa en haar getormenteerde ziel, gekwetst door een oorlog die ze niet meemaakte en een andere oorlog die ze aan den lijve moest ondervinden. En quasi alle andere conflicten die sinds Churchill ons continent teisterden. Want als Hilda reisde, vond ze geweld op haar pad. En Margriet Van Renterghem nam als luisteraar van sterke verhalen dit allemaal mee in het graf.

Nadenken over zwarte zondaars

“Boogschutter die draken doorklieft”

Ik vond het raar, laatst, om bij een begrafenis van mijn vriendin haar mama niet zomaar de kerk binnen te mogen komen en de mannenvleugel rechts op te zoeken, waar ik altijd mijn bidplekje vind. Gelukkig waren de glasramen met verhalen er nog en Sint-Joris, die ridder die draken doorklieft en bij me blijft tot op de Olymposberg daar in het Noorden van Griekenland. Sinner’s Day aan de vooravond van 1 november komt er aan. En The Arch zal er spelen. Zelf verfoei ik het Halloween-idee want 1 november is voor mij een Heilige Dag, Allerheiligen.

Vader

Ik bezoek mijn vader, die ster in de hemel. Mijn pépé, bomma, mémé en die grootvader die ik nooit kende. Nonkels, één tante want al die anderen leven nog en moeten eeuwig bij me blijven, samen met mijn mama. Maar voor New Wave maak ik een uitzondering. Ik snap het wel, die sacrale ode aan de dood en donker denken. New Order. Revolting Cocks. Ian Curtis. Echo & The Bunnymen. The Sound. Front 242. Sisters. The Cult. The Mission. Wayne Hussey. Jawel, The Arch. Namen op mijn pennenzak. Waarvan die laatste een zanger was, uit mijn klas, in Brussel. Ysabie en ik liepen Centraal Station uit richting onze nieuwe school, het Rits. Op de metro tot in Studio Sonart liep voor ons een punker. Dat was hij. Gerd Van Geel. Onze klasgenoot en stem van The Arch. Toen al. 16 jaar en een platencontract. Faut le faire. 36 jaar ouder en ik maak nog steeds mijn platen zelf. Of niet. Maar het kwam er dus van. Vonk en Reu vroegen me om mee te gaan naar The Arch. Natuurlijk wel. Ribdancer zat nog wel ergens in een ver geheugen. En veel van wat Gerd me ooit vertelde, bleef ook in mijn hersenen dwalen. Vooral dat van Wayne Hussey die op zijn kot bleef slapen. En zijn ongedwongen visie op beeld en geluid.

Hemzelve

OK, daar staan we dan. In Sint-Niklaas, in De Casino, waar ik ooit zelf nog op het podium mocht staan, voorafgaand aan God, Stijn Meuris, Hemzelve. Met Vonk en Reu, twee schone maten uit mijn ver verleden. Maar liefde blijft. Ik luisterde, ik zag. Ik was verblind door Nel Mertens. Natuurlijk wel, de vrouw is een spiegel. Maar Gerd op dat podium. Dat was een andere sidder. Doorleefd, toch? Ja! Ongelofelijk. Eerlijk. Veel registers. En een knuffel om de prachtige avond af te sluiten. Hij was blij dat ik er was. Vonk vertelde me dat hij me een beetje vergeten was. Wat zou het? Natuurlijk! Ik heb die avond te veel gebabbeld. Tegen hem, tegen Ivan (de gitarist). Mijn fascinatie voor Luc De Vos. Misschien had ik daar beter over gezwegen. Soms kan ik mijn dwaze muil niet houden, moet het misschien te veel over mezelve gaan. Maar ik ben gelukkig als een kind naar huis gereden, langs de Expresweg. Met Vonk en Reu. En ik heb nog dagen geluisterd, op de CD-speler van mijn auto. Naar die plaat van The Arch, net uitgebracht voor of tijdens corona. Zoals Woesten dat heeft moeten doen. Heb ik het al over Gerds registers gehad? Die plaat. Hele schuiven registers en emoties zitten daar in.

Iets met kloten

In zijn stem. Ik beheers als kleine zanger uit ‘t Meetjesland nauwelijks 1 register. Gerd trekt elk blik registers en emoties open wanneer en waar hij dat wil. Ik wil maar zeggen. 16 jaar, de platenfirma’s hadden het reeds (‘al’ klinkt niet plechtig genoeg) gehoord. Jawel, The Arch is internationale klasse. Een band die er staat. En neen, het slijm loopt niet langsheen mijn grote muil. Ook niet langsheen mijn kloten of Brusselmansiaanse flamoes. Maar waren The Arch geen Belgen slash Vlamingen uit het Duvelse Breendonk geweest, dan waren Werchter en Pukkelpop regelmatige klanten. Net als Glastonbury. Gelukkig is er dus Sinner’s Day. Ik was er al, met Bollock Brothers, ‘muurbloempje’ Anne Clark en Front 242 in Hasselt, maar dit jaar zal ik niet komen. Casinoir, die zwarte nacht in De Casino van Sint-Niklaas met Vonk, Reu, Nel, Gerd en Ivan, dat is een cadeau voor het leven. Dat pakken ze Van Damme niet meer af. Dat krijgt een plekje in de hemel mijner herinneringen. Babbelaar, grote muil of bedeesde sukkel. So be it!